Annet Schaap hoopte een soort Joke van Leeuwen te worden

17-juni-2017 | Categorie: Interview

Annet Schaap wilde altijd al tekenaar worden, of schrijver, of ontdekkingsreizigster. Ze studeerde aan twee kunstacademies en een schrijversschool. Sinds 1991 illustreerde ze bijna 200 kinderboeken. In Nederland is ze het meest bekend door haar tekeningen bij de Hoe Overleef Ik-serie van Francine Oomen. Maar ze illustreerde ook veel boeken van andere schrijvers, zoals Janneke Schotveld, Manon Sikkel en Jacques Vriens. Met haar Canadese man Tom en hun zoontje Jonas (2009) trok ze een paar jaar lang in een camper door Noord en Midden Amerika. Nu woont ze weer gewoon in Utrecht en tekent en schrijft om en om. Ze verraste onlangs met de publicatie van het boek Lampje dat alom werd geprezen. Een verhaal over geheimzinnige zeewezens en stoere piraten. Over het Zwarte Huis van de Admiraal, waarvan ze zeggen dat er een monster woont. Over een grijze vuurtoren op een eiland, dat nog net vastzit aan het vaste land. Over Lampje, de dochter van de vuurtorenwachter, die iedere avond de eenenzestig treden beklimt om het licht aan te steken. Over een stormachtige avond, waarop de lucifers op zijn en alles misgaat. Maar vooral over dapper zijn en meer kunnen dan je ooit had gedacht. Lees hier en hier de recensies op boekenbijlage.

Je volgde al jaren geleden een opleiding aan de Schrijversvakschool. Wat maakte dat je – behalve jeugdtheaterstukken en liedjes – niet eerder een boek schreef, maar alleen boeken van anderen illustreerde?

En paar jaar na de kunstacademie kwam ik bij een jeugdtheatergroep terecht. Voor hen ging ik, na een tijdje affiches tekenen, ook stukken schrijven. Omdat ik dat heel leuk vond, maar me ook nog erg onervaren voelde, besloot ik de Schrijversvakschool te gaan doen.
Daar voelde ik het schrijven opeens helemaal bloeien, in alle richtingen tegelijk: Toneel en poëzie, liedjes, korte verhalen en stukjes, ik vond alles leuk, alles lukte en ik werkte me helemaal te pletter. Het was echt een soort verliefdheid. Ik had die met tekenen ook wel gehad, maar nu was ik verliefder.
Maar na een paar jaren van stukken schrijven en door blijven tekenen en vergaderen en organiseren en lesgeven sloeg ik halverwege het laatste stuk-dat-ik-nog-zou-maken-en-daarna-zou-ik-even-gaan-uitrusten over de kop en raakte overspannen.
Ik heb dat stuk niet afgemaakt, want schrijven ging niet meer. Helemaal niet meer. Na een tijdje ging de overspannenheid over, maar het schrijven kwam niet terug. Als ik het probeerde, en ik probeerde het heel erg vaak, kwam er alleen een groot NEE. NEE dat is er al, NEE wat denk je wel, NEE dat is niet goed, niet genoeg, je kunt het niet, dat wordt het niet. Ik kwam er niet langs.
Het lastige aan schrijven is, vind ik, dat je het met je hersens doet, en in mijn hersens leven ook al die stemmen, oordelen, vergelijkende ogen. Als ik schrijf worden die veel meer geactiveerd dan als ik teken. Dat kan ik meestal wel zacht zingend doen, maar schrijven is denken. En dat denkt allemaal ook mee en zo dacht ik mezelf elke keer vast, echt jaren lang.
Op een gegeven moment heb ik het maar opgegeven. Als de liefde van de andere kant niet terugkomt is de relatie uit, dat leek me duidelijk. Dan ben ik gewoon alleen illustrator en verder niks. En als het me nog eens terug wil, ooit, dan moet het me maar komen halen.
Ik kreeg op m’n 41e toch opeens nog een man, op m’n bijna 44e ook nog een zoon en toen draaide het leven om hele andere dingen, we gingen een paar jaar op reis met een camper, ik vergat helemaal dat ik ooit een onsterfelijke schrijver wilde worden- en toen kwam het me opeens toch halen. Ik weet nog precies wanneer…

Op je site staat te lezen dat een vuurtoren in Amerika je inspireerde tot het schrijven van Lampje. Wat was er zo bijzonder aan die vuurtoren, en hoe ontstond dit sprookjesachtige verhaal daaruit?

…namelijk met een losse gedachte bij het passeren van die vuurtoren op een schiereilandje in Lake Michigan. Geen erg bijzondere vuurtoren, geeneens een mooie. Een klein huisje ernaast, een vlaggetje erop. We voeren erlangs en ik dacht: O, daar ga ik een keer een boek over schrijven. Verder niks.
Toen we weer thuis waren was Jonas inmiddels leerplichtig, ik huurde een atelier en dacht dat ik voortaan voor altijd gewoon kostwinner/illustrator zou zijn. Maar op een middag lag ik op bed en het viel me allemaal in: de vuurtoren, het meisje Lampje, dat ze naar een andere plek zou gaan, waar een jongen onder een bed woonde die ook een monster is, de kermis, de meermin, het kwartje, allerlei scènes. Nee hoor, dacht ik. Daar heb ik geen tijd voor. Ik moet werken en geld verdienen en ik kan niet zomaar… En bovendien, ze zien me aankomen… En trouwens, ik heb nog nooit een boek geschreven, wie zegt dat ik dat zomaar kan? Toen kreeg ik last van mijn hand, mijn tekenhand.
De dokter bij het Handencentrum vertelde me dat er gelukkig fysiek niks was met die hand, dat het allemaal psychisch was. Toen ik dat hoorde wist ik eigenlijk meteen wel hoe het zat. Wat die hand wilde doen. Ik ben tijd gaan vrijmaken om te schrijven en ik ben begonnen. Een stukje. En toen nog een stukje en nog één en toen was het weer terug.

Als je als illustrator ook zelf aan het schrijven slaat, lijkt het bijna logisch dat je eerste eigen boek een prentenboek wordt. Waarom is Lampje meteen een lijvig leesboek geworden? Was dat meteen het plan of overkwam het je?

Ik heb heel lang gehoopt om ooit een soort Joke van Leeuwen te worden, met ideeën en beelden, met zinnen en tekeningen, alles tegelijk en alles elkaar mooi aanvullend… Maar zo gaat het nooit bij mij. Als ik schrijf komt er taal en als ik teken komt er beeld. En het komt niet samen.
Ik heb het echt wel geprobeerd om een prentenboek te maken, maar ik was nooit tevreden met wat ik deed. Bovendien is de leeftijd waarvoor ik het liefst en gemakkelijkst werk wat hoger dan de prentenboekenleeftijd, zo rond de 10. Dat is de leeftijd die ik me van mezelf het scherpste herinner. Hoe ik toen was, hoe ik toen las.
Ik hield toen het meest van boeken over wonderlijke dingen die eigenlijk niet kunnen en toch wel, die sprookjesachtig zijn, maar ook over het Echte Leven gaan…
Zo’n boek heb ik willen maken.
De illustraties maakte ik pas helemaal op het laatst, alsof het ‘gewoon’ een illustratie-opdracht was.

Wist je vanaf het begin af aan het verloop van het verhaal, of heb je je tijdens het schrijven laten verrassen?

Toen ik begon wist ik alleen maar het eerste stuk van het verhaal. En daarna zou er nog iets als dit komen en vaag nog iets met een admiraal en een toren en een schip… Maar ik wist helemaal nog niet wat dan en hoe dan precies. Dat ik dat toch vertrouwd heb en het achterna ben gegaan, dat ik niet (te erg) in paniek geraakt ben van het nog-niet-weten, dat is een belangrijke ervaring, die me nu, nu ik over een volgend boek aan het nadenken ben, erg helpt. Nou ja, tamelijk helpt.

Hoe lang heb je aan dit boek gewerkt?

Drie jaar, met stukjes en beetjes en tussenpozen en op het laatst heel hard.

Heb je momenten gehad dat je niet wist hoe het verder moest met het verhaal? En zo ja, hoe kreeg je de boel weer vlotgetrokken?

Ja zeker. Maar in al die jaren dat ik wel wilde schrijven maar dat het niet ging, heb ik heel veel trucjes en omweggetjes en oefeningen bedacht om mezelf op allerlei manieren toch aan het schrijven te krijgen. Ik schrijf bijna nooit rechtdoor van A naar Z, maar maak eerst eens stukjes B en stukjes X en dan alvast iets van G, een idee over P, of over H dat zien we nog wel. Oefeningen waarbij ik mezelf vertel dat ik helemaal niet hoef te beginnen en het dan stiekem toch doe. Dat ik zomaar iets ga schrijven, over heel iets anders wat er helemaal niet mee te maken heeft… en dan eigenlijk toch.
Dat uit al die stukjes, op losse blaadjes en in schriftjes een boek is ontstaan is best een wonder- en misschien is het ook wel een Methode.
In het begin had ik een paar proeflezers die meelazen, dat was al erg fijn, Maar toen Querido toezegde het boek uit te willen geven, zo halverwege het proces, kreeg ik mijn eigen redacteur en dat hielp helemaal erg: er was opeens iemand die net als ik wilde dat dit verhaal er kwam en zo goed mogelijk werd.

Als illustrator vertel je via beelden een verhaal. Zou je je kunnen voorstellen dat je nog eens een eigen boek maakt met alleen tekeningen, zonder tekst?

Wat willen jullie me toch van de taal afhebben? Ik ben net zo blij dat die er weer is. Dus op het moment: nee. Maar ja wie weet, verandert alles weer helemaal en wil ik dat toch. Maar eerst nog een paar boeken mét tekst.

Lampje is deels een fantasieverhaal, maar zitten er ook (auto)biografische elementen in de tekst verstopt?

Is dat niet altijd zo? Ik ben ze allemaal zelf natuurlijk: het meisje dat niet durft en toch doet, de jongen die zichzelf een monster vindt en onder zijn bed blijft wonen, de vrouw die het liefst altijd nee zegt, de lamgeslagen vader, de andere vader die alles onder controle wil houden, de dwerg die alles ziet en de zeemeermin in een te klein aquarium… Dat is het allerfijnste aan schrijven: om al die personages in mezelf te zoeken en te leren kennen en te laten bloeien.

De zee speelt een belangrijke rol in het boek. Wat is jouw eigen band met de zee?

Mijn vader komt uit een geslacht van vissers op de Zuiderzee, dus het zal wel in mijn bloed zitten, ik heb altijd van de zee gehouden. Op reis waren dat ook mijn lievelingsplekken: de dorpjes aan zee, aan de Pacific, aan de Caraïbische zee, en vooral langs de rotsige oostkust van Amerika en Canada, daar wilde ik wel nooit meer weg. Hoewel, we konden er ook wel gaan wonen, maar toen wilde ik toch weer liever naar huis om Jonas te laten opgroeien met Pluk van de Petteflet in plaats van met Anne of Green Gables…

De recensies zijn unaniem lovend. Legt dat een druk op je in verband met een volgend boek? En mocht je al bezig zijn met een volgend boek: wordt dat hetzelfde genre als Lampje, of iets heel anders?

Nee hoor. Ja, heel erg! Ik had hier niet zo op gerekend… Ik wilde heel erg graag mijn verhaal de wereld insturen en een soort ‘Ja’ terug horen: Ja, we vinden het mooi en interessant wat je schrijft, Ja, maak nog maar iets. Dat is een behoorlijk groot ‘Ja’ geworden. En dat is heel heerlijk en ook wel een beetje intimiderend.
Als ik er teveel aan denk dan moet het volgende boek net zo worden als Lampje of nog beter of juist heel anders, of…
Maar, ik ben inderdaad alweer een tijdje bezig met iets nieuws, en als ik echt in dat nieuwe verhaal zit, dan hoor ik alleen maar dat en probeer ik te doen wat het verhaal van me vraagt.
Het gaat er een beetje op lijken, denk ik, en het wordt ook behoorlijk anders.

Moeten schrijvers als Jacques Vriens, Francine Oomen en Janneke Schotveld op zoek naar een andere illustratrice, of blijf je een en ander combineren?

Ik hoop het wel allebei te blijven doen. De afwisseling is fijn, ik hou ervan om meerdere projecten tegelijk onder handen te hebben. En ik moet ook geld verdienen. Hoe Overleef Ik is al een tijdje afgelopen natuurlijk, en Francine is zelf hele leuke nieuwe dingen aan het doen. Met Jacques is het alweer even geleden dat we samen een boek maakten, maar wie weet..? En met Janneke is het nog volop aan de gang, tot mijn vreugde, zeker ook in de komende Kinderboekenweek, als we samen gaan toeren met het Geschenk.

Eigenlijk is wat je graag wilde worden – schrijver, tekenaar of ontdekkingsreizigster (je trok een paar jaar met een camper en man en kind door Amerika) – inmiddels aardig gelukt. Heb je nog nieuwe doelen in het vizier?

Nou ja, nog een beetje meer van alles (schrijven, tekenen, op reis gaan) zou fijn zijn. En moederen natuurlijk. Een nieuwe hele andere carrière hoeft voorlopig niet… Maar je weet maar nooit.

Vragen: Tiny Fisscher en Corine Gorter

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Weergaloze personages

Categorie: Boek van de week, Literatuur Het monster van Essex – Sarah Perry – Prometheus – 416 blz. Schrijfster Sarah Perry (Essex, 1979) recenseert literatuur voor een paar toonaangevende Britse bladen. Het monster van Essex is haar tweede boek en een…

Boek van de week archief
10-augustus-2017 | Lees verder | Reageer!