”Het allerliefst schrijf ik met zicht op zee”

31-augustus-2013 | Categorie: Interview

Annie van GansewinkelAnnie van Gansewinkel werd in 1954 in Weert geboren als oudste van vier kinderen. Op haar zeventiende vertrok ze naar Tilburg om te studeren en woonde daar vervolgens 22 jaar. Nu woont ze al weer 20 jaar in Wageningen. Sinds 1997 is ze fulltime schrijfster. Ze schrijft voor kinderen en volwassenen: verhalen, romans, toneel en gedichten. Daarnaast geeft ze uiteenlopende cursussen creatief schrijven aan volwassenen en kinderen. Ook werkt ze als bedrijfstrainer schriftelijke communicatie. Zeven jaar heeft ze gewerkt als lerares Nederlands en Frans. Na een opleiding journalistiek was ze dertien jaar lang werkzaam als journaliste. Ze werkte onder meer voor de jongerenpagina’s, op regio- en binnenlandredactie, eindredactie en ze had een column over rechtbankzaken.

Naast haar werk in het Nederlands publiceert ze ook in haar moedertaal het Weerts, een Limburgs dialect.Haar boeken bestrijken veel verschillende genres: realistisch, magisch-realistisch, sprookjesachtig, humor, spannend (thrillers).
Belangrijke thema’s in haar werk zijn: angst, vriendschap, verlangen en vrijheid.
Wat haar boeit, zijn: eilanden, zee, circus, het dunne lijntje tussen goed en kwaad.
In 1992 verscheen haar eerste boek ‘Reisgenoten gezocht’, voor 12+. In 2012 verscheen bij De Eenhoorn haar prentenboek ‘Logeerbeer’. Ook gaf zij toen haar volwassenenboek ‘Zeezucht’ uit als e-book. Ze heeft vijfentwintig titels op haar naam staan. Momenteel werkt ze aan nieuwe jeugdboeken en schrijft ze korte verhalen voor volwassenen. Ook wacht nog een thriller op voltooiing.

Wilde je als kind als iets met boeken gaan doen? Zo nee, wat wilde je dan worden?

Vanaf mijn twaalfde koesterde ik al de stille wens om ‘later’ schrijfster te worden. Voorbeelden in mijn eigen omgeving had ik niet, maar ik was een boekenwurm. Aanvankelijk wilde ik onderwijzeres worden, maar ook dacht ik een blauwe maandag aan bibliothecaresse. Toen bleek dat je daarvoor veel uit je hoofd moest leren, codes enzo, was die ambitie op dinsdag al weer over.
Boerin wilde ik ook ooit worden, toen ik als stadsmeisje logeerde op de boerderij van kennissen. Bij het kalfjes voeren verloor ik van een kalfje de strijd om een emmer en mijn nagel brak af en daarmee ook mijn motivatie. Wel grappig dat ik veel later twee jaar als journalist heb gewerkt voor het vakblad Boerderij.
Taal bleek toch de rode draad in mijn loopbaan te zijn. Eerst studeerde ik Frans, daarna Nederlands en na zeven jaar lesgeven ging ik journalistiek studeren. Dat vak oefende ik dertien jaar met veel plezier uit, maar de schrijfdroom liet zich niet langer meer terzijde schuiven.

Las je als kind veel en wat waren je favoriete boeken of schrijvers? Als je niet las, wat deed je dan?

Ik was een echt leeskind. Zelfs aan tafel had ik zo’n leeshonger dat ik de teksten las op bv. pindakaaspot en verpakkingsmateriaal. Op zaterdag ging ik soms ’s ochtends naar de bieb en las snel een boek uit, zodat ik het voor sluitingstijd nog kon omwisselen tegen een nieuw. Ik was bang dat ik anders misschien niet genoeg te lezen had dat weekend.
In de bieb was destijds een onderscheid tussen jongens- en meisjesboeken. Je mocht wel jongensboeken lenen, ik herinner me de Katjangs en andere boeken van J.B. Schuil. Maar het liefst las ik toch zielige boeken, bv. van M. Everma. De doopkaars, Vogeltje en Vogeltje blijft zingen. Over respectievelijk een blind en een kreupel meisje. De boeken van Mariska (De circusprinses) waren ook favoriet. De Witte-Ravenboeken vrat ik, met schrijvers als Cissy van Marxveldt (Joop ter Heul serie) en Sanne van Havelte.
Als ik niet las, knutselde of handwerkte ik. Soms stuurde mijn moeder me naar buiten om te spelen: rolschaatsen, touwtje springen, knikkeren, elastieken, kaatseballen, afhankelijk van wat dan in de mode was.

Je bent begonnen met het schrijven van boeken voor volwassen. Later ook kinderboeken van 2 – 15 jaar. Waar ligt je voorkeur en wat gaat je het makkelijkst af.

Die eerste twee boeken voor volwassenen zijn nooit uitgegeven. Dapper incasseerde ik afwijzingen en stuurde het manuscript dan weer naar een andere uitgever. Achteraf gezien is het maar goed dat ze niet zijn uitgegeven, ze waren om te oefenen. Met de doelgroep van 12+ was ik vertrouwd door mijn werk op de middelbare school. Ook in kinderen van de basisschool kan ik me verplaatsen. De uitingsvormen zijn anders, maar in wezen verschillen kinderen van nu niet fundamenteel van de kinderen uit mijn eigen jeugd. Gevoelens van onzekerheid, jaloezie, angst, vriendschap en verliefdheid zijn immers universeel.
Ik dacht altijd dat ik niet voor heel jonge kinderen kon schrijven, maar in 2012 verscheen mijn eerste prentenboek: Logeerbeer.
Een favoriete doelgroep heb ik niet. Ik vind juist de afwisseling plezierig. Na een kinderboek ben ik graag weer met een boek voor volwassenen bezig. Nou ja, één favoriete groep dan: jongeren die moeite hebben met lezen. Ik schrijf graag puberverhalen op een makkelijk leesniveau. Voor Zwijsen heb ik enkele boekjes in de Zoeklicht-plus serie geschreven, zoals Het liefje van de leraar en De oppas. Uitgeverij Eenvoudig Communiceren doet goed werk voor deze doelgroep met series als Thuisfront waarin Zat in 2010 verscheen.

Waar haal je je inspiratie vandaan? Sneuvelen er veel ideeën?

Uit de wereld om me heen en uit mijn hoofd. Die ideeën ontstaan gemakkelijk onder de douche en aan zee. Die laatste mythe houd ik ook graag in stand omdat de zee mijn favoriete landschap is. Vanaf het strand gezien weliswaar, ik ben geen waterrat.
Al die ideeën bewaar ik op kladjes in mappen, waar ook krantenknipsels ingaan. De werkelijkheid is meestal zo bizar. Daar kan ik als schrijver niet tegenop verzinnen. Een goede gedachte-exercitie is ook: wat als? Dat heeft bv. het kinderboek De superhoofdprijs opgeleverd. Wat verandert er als je ouders een supergrote prijs winnen?
Soms combineer ik twee ideeën in een boek. Ik hoop dat ik zoveel tijd van leven en schrijven heb om veel van de verzamelde ideeën uit te werken.
Als een idee sneuvelt, is dat omdat zich een beter idee opdringt of een waarvan voor mij de innerlijke noodzaak groter is om eerst op te pakken.

Op welk boek ben je het meest trots en waarom?

Het eerste, want ik was het toch maar geworden, schrijver. Nee, het laatste, Logeerbeer, want het raakt mijn gevoel nog steeds als ik het opensla. Maar dat is vooral de verdienste van Elisah De Bruycker die er zulke prachtige tekeningen bij heeft gemaakt. Of nee, toch Vriend of dealer? Mijn jeugdthriller, eerste thriller überhaupt. Ik had zelf nooit kunnen denken dat ik die ooit zou schrijven en dat ik dat ook nog zo geweldig vind om te schrijven. Over dat boek heb ik ook het langst gedaan. Zo gaat dat vaak, op iets wat je met pijn en moeite en ondanks jezelf weet te bevechten, daarop ben je het meest trots.

Je boek Zat heb je speciaal geschreven voor oudere kinderen die het lezen niet goed beheersen. Vond je het lastig om te doen?

Ik had met de Zoeklicht-plus serie voor Zwijsen al ervaring voor deze groep opgedaan. Anderzijds heb ik voor Zwijsen ook Bolleboosboekjes geschreven, voor snelle lezers dus. Maar voor 12+’ers die moeilijk lezen, heb ik een zwak. Ik vind het de kunst om eenvoudig te schrijven zonder kinderachtig te zijn. In Zat bijvoorbeeld gaat het over een stevig onderwerp. Roos zorgt voor haar moeder die een alcoholprobleem heeft.
Ik kom graag op vmbo-scholen en praktijkscholen om met de leerlingen in gesprek te gaan over wat hen bezighoudt. Omdat die leerlingen vaak direct zijn, ontstaat er een levendige uitwisseling.

Waarom schrijf je je boeken voor volwassenen onder het pseudoniem Anne Winkels? Ik zag dat je ook een 12+ boek onder die naam schreef. Wekt dat geen verwarring?

Ik schrijf al mijn thrillers onder het pseudoniem Anne Winkels, dus ook de jeugdboeken Vriend of dealer? en Steken onder water. Bij de eerste jeugdthriller kwam de uitgever met dat idee om zo de lezers duidelijk te maken dat dit voor mij een ander genre was, maar ook omdat het in de thrillerwereld niet uitzonderlijk is om een pseudoniem te nemen. Ik ging er steeds meer de lol van inzien, ook omdat ik mijn eigen schuilnaam mocht kiezen. Na vier thrillers is het niet zo verwarrend meer. Nummer 5, enz. wordt dus weer een Anne Winkels en ook andere spannende verhalen verschijnen onder die naam.

Wat vind je leuk aan het schrijven en wat minder leuk? Heb je ook tips voor kinderen die schrijver willen worden?

Het bedenken en het uitwerken van het idee vind ik leuk, maar ook de research en verderop in het proces de lijntjes aan elkaar knopen. Het is heerlijk om zo op te gaan in het schrijven dat ik de tijd vergeet en na gedane arbeid, enigszins verdwaasd, met een diepe zucht neerplof.
Minder leuk maar wel heel belangrijk en tijdrovend is de revisie in meerdere rondes, tot op de laatste komma. Het is wel eens gebeurd dat ik in die fase boven mijn eigen boek in slaap viel. Dat zou me weinig hoop geven voor de ontvangst van mijn boek bij de lezer, ware het niet dat ik nogal makkelijk indut.
De ontmoeting met mijn lezers, op scholen en in bibliotheken vind ik ook erg plezierig. En al zie ik ze lang niet allemaal in levenden lijve, de gedachte dat op dit precieze moment iemand ergens in het land verzonken is in een boek van mij, heerlijk.
Tips voor kinderen (en volwassenen) die schrijver willen worden: schrijf, schrijf, schrijf, en lees, lees, lees. Geef niet meteen op na afwijzingen, maar weet ook dat je er iets voor over moet hebben als je het echt wilt. Succes komt meestal niet aanwaaien.

Lees je andere boeken tijdens het schrijven van een nieuw boek of juist niet, omdat ze je dan teveel zouden beïnvloeden?

Ik ben soms maanden met een nieuw boek bezig, ook omdat ik bv. cursusactiviteiten tussendoor doe. Stel je voor dat ik al die tijd geen boek zou kunnen lezen? Ik zal niet zo gauw een boek lezen over een vergelijkbaar onderwerp, al kan dat in het stadium van research juist weer wel.
Over elk onderwerp is al geschreven en ook op alle mogelijke manieren. Maar ik denk dat ik als schrijver eigenwijs genoeg ben om het op mijn eigen manier te doen.

Als je bezig bent met een boek, denk je dan altijd aan een bepaalde lezer of een doelgroep of kan je dat niet schelen en schrijf je gewoon wat je zelf interessant vindt?

Soms heb ik voor een boek tevoren al contact met een uitgever of een uitgever zoals Zwijsen vraagt me om voor een bepaalde serie een boek te schrijven. Dan houd ik wel rekening met de doelgroep. Maar zelfs als het volgens een bepaald AVI-niveau moet worden, ben ik onder het schrijven heus niet bezig met het tellen van lettergrepen en woorden per zin. Dat komt pas in de revisiefase, maar onbewust maak ik er toch meestal al een goede inschatting van.
Er zijn ook boeken die ik zonder enig plan begin en van de leeftijdsgroep heb ik dan nog geen enkel idee. Een paar jaar geleden begon ik bijvoorbeeld met een vertelling waarvan ik bij de eerste bladzijden nog niet eens wist of het voor kinderen of volwassenen zou zijn. Inmiddels ben ik in de zoveelste revisiefase van dat boek en als alles volgens plan verloopt, komt het volgend jaar uit bij De Eenhoorn. Het is een kinderboek geworden, met de werktitel Schelpen.
De afgelopen maanden ben ik bezig geweest met korte verhalen voor volwassenen waarbij ik tevoren zelfs een uiterst strak schema had. Tot mijn verbazing gaf het me veel energie om, voortgestuwd door de uitgezette lijnen, te schrijven.

Veel schrijvers trekken zich terug in een of andere schrijfruimte. Waar schrijf jij en mag je ook gestoord worden? Wat doe je als het even niet lukt?

Het allerliefst schrijf ik met zicht op zee. Wageningen ligt daar niet echt in de buurt, maar ook in mijn tuin kan ik goed schrijven. En bij slecht weer lukt het binnen natuurlijk ook. Als ik wil, kan ik me goed afsluiten, zeker als ik mijn (internet)lijn met de buitenwereld blokkeer.
Een andere omgeving brengt me op verrassend nieuwe ideeën of genres. Daarom trek ik me af en toe terug.
Zo huur ik minstens eens per jaar een week een appartement in ‘mijn’ Egmond met zicht op zee. Goede ervaringen heb ik ook met een maand verblijf in het Spaanse Callosa in een schrijfatelier van de Knecht-Drenth Fundatie en op Curaçao heb ik ook een maand gewerkt.
Tweemaal mocht ik een maand doorbrengen in het schrijvershuis van Adriaan Roland Holst in Bergen. Ik gun elke schrijver om te werken in zo’n bijzonder huis, los van dagelijkse beslommeringen en met de geest van de grote dichter en collega’s om je heen.
Omdat ik naast het schrijven veel andere activiteiten heb, moet ik soms bewust schrijfdagen of weken plannen. Omdat die tijd kostbaar is, overkomt het me niet zo snel dat ik toegeef aan: geen zin of het lukt me niet. Gewoon blijven zitten of alvast wat revisiewerk doen als het ‘verzinnen’ niet lukt. En anders een eindje wandelen of de was strijken, dan waait er soms ineens een ingeving binnen om het verhaal uit het slop te trekken.
Vind ik het geschrevene bij nader inzien waardeloos, dan kan het – huppekee, weg ermee – zo in de prullenbak. Dat kan trouwens toch leiden tot beter weten wat wél goed is. De weg naar een goed verhaal is immers geplaveid met proppen kladpapier.

Kijk je uit naar recensies van je boeken? Lees je ze zelf of laat je iemand van te voren lezen? Wat doet een slechte recensie met je?

Het is altijd fijn als een boek gerecenseerd wordt. Vroeger waren er meer kranten en bladen met recensies, er was ook meer ruimte voor en er waren meer recensenten speciaal voor kinderboeken. De bibliotheekrecensies zijn belangrijk voor de hoeveelheid boeken die de bibliotheken aanschaffen. Over het algemeen zijn die gelukkig positief.
Maar het kan anders uitpakken. In 2006 verklaarde de bibliotheekrecensie mijn volwassenenthriller Deadline tot erotische thriller. In deze vijftigtintengrijs-epoque zou dat misschien een aanbeveling zijn, maar destijds was de bibliotheekaanschaf matig.
Van mijn tweede jongerenboek Ik kom naar je toe (1994) verscheen een recensie in de Volkskrant. Opgetogen begon ik te lezen, maar de vreugde verdween al snel. ‘Modieuze verzinsels’ vond de recensent. Daar was ik het niet mee eens.
Ik probeer wel lering te trekken uit een recensie, zeker als de mening goed onderbouwd is. Maar anderzijds relativeer ik het ook. Het is maar één mening, weliswaar van een ervaren en deskundige lezer.
Hoe tegenstrijdig recensies kunnen zijn, bleek bij mijn eerste volwassenenthriller Moeders mooiste uit 2002. De recensent van de Bibliotheekdienst zei: psychologisch sterk, maar niet zo spannend. Die van Opzij oordeelde daarentegen: spannend, maar psychologisch zwak. En de Volkskrant noemde het ‘een qua tempo en schrijfstijl bijna on-Nederlandse psychologische thriller.’

Wil je je favoriete top vijf boeken/schrijvers noemen?

In willekeurige volgorde:
A. de Saint-Exupéry – Le petit prince
Ted van Lieshout – Zeer kleine liefde
Jonathan Safran Foer – Extreem luid en ongelooflijk dichtbij
A.F. Th. van der Heijden – bijna alles
J. Voskuil – Het bureau
Marcel Proust – alles

Hier is ruimte om iets te zeggen over iets dat je nog graag kwijt wilt.

Ik ben blij met mijn fonkelnieuwe website die pas online is gegaan. Kom eens kijken en schrijf iets in mijn gastenboek.
Ik geef ook mondelinge en schriftelijke schrijfcursussen. Een van de belangrijkste tips die ik kan geven: schrijf dát boek dat alleen jíj kunt schrijven (met jouw ervaring en achtergrond en jouw eigen manier om naar de dingen te kijken).
Op mijn weblog schrijf ik wat me zoal bezighoudt, niet alleen op het gebied van schrijven. Je kunt me volgen op twitter.

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Familieonthullingen

Categorie: Boek van de week, Literatuur, Roman Harnas van Hansaplast – Charlotte Mutsaers – Dag Mag – 306 blz. Jarenlang probeerde Charlotte Mutsaers een boek over haar overleden broer Barend te schrijven. Grote lappen tekst gooide ze telkens weg om dat iets…

Boek van de week archief
31-oktober-2017 | Lees verder | Reacties uitgeschakeld voor Familieonthullingen