“Ik borrel over van ideeën”

19-augustus-2017 | Categorie: Interview

Peter Hein is in 1939 in Den Haag geboren nadat zijn ouders nazi-Duitsland ontvlucht waren. In 1943 waren zij gedwongen onder te duiken. Om de overlevingskansen te vergroten moest Peter apart ondergebracht worden. Gescheiden van zijn vader en moeder ging hij van onderduikadres naar onderduikadres. Na de bevrijding werd hij met hen herenigd. De verschrikkingen van de oorlog beletten hem lange tijd niet om maatschappelijk carrière te maken, hij werd gynaecoloog en universitair hoofddocent verloskunde. Totdat het verleden toesloeg en hij in 1989 instortte. Hij werd gedeeltelijk afgekeurd, kreeg meer tijd en vooral na zijn vervroegde pensionering konden, naast zijn vroegere wetenschappelijke werk, ook zijn artistieke talenten verder tot bloei komen.

Hij werd beeldend kunstenaar en schrijver. In 2014 verscheen bij Meulenhoff Boekerij De onderduikers over de onderduik van zijn ouders. Daarna vertelt Hein in Het zesde jaar zijn eigen onderduikverhaal. In 2017 verscheen Het misverstand, een familiegeschiedenis tegen de achtergrond van het opkomende nazisme in het Duitsland van 1933.

Werd er vroeger veel gelezen bij jou thuis?

Wel door mij. Mijn ouders lazen nauwelijks, hoewel mijn moeder in Duitsland op de middelbare school de klassieke Duitse schrijvers zoals Goethe, Schiller, Heine gelezen had. Ze kon goed uit hun werk citeren.

Van welke boeken hield je als kind?

Ik had vroeg leren lezen in de onderduik en las als jong kind al veel. Van jongs af aan was ik geïnteresseerd in populair-wetenschappelijke boeken. Dat was bekend bij de – nog steeds bestaande – boekhandel Bijleveld in Utrecht, waar ze me boeken over de diepzee, Afrika en over biologie aanraadden. Boeken, die eigenlijk bedoeld waren voor oudere kinderen of zelfs volwassenen. Daarnaast natuurlijk de boeken van Karl May, Arendsoog, etc.

Welke schrijvers bewonder je en waarom? En welke boeken hebben in jouw leven veel betekenis voor je gehad?

Philip en de anderen, het debuut van Cees Nooteboom maakte door zijn romantiek en weemoed veel los bij mij en mijn vrienden in onze ‘gevoelige’ studententijd. En hetzelfde geldt voor het sprookjesachtige Le grand Meaulnes van Alain Fournier dat daar in mijn herinnering veel op lijkt. Ik ben nog steeds erg onder de indruk van de boeken van de Engelse schrijver Lawrence Durrell (niet te verwarren met de populaire dierentuinlectuur van zijn broer Gerald), goede vriend van Henry Miller. Met The Alexandria Quartet was Lawrence Durrell in de zestiger jaren Nobelprijskandidaat. De meeste van zijn vaak romantische boeken zijn literaire meesterwerken. Nogal eens zijn ze gesitueerd op de Griekse eilanden en hoewel hij proza schrijft, doen vooral deze ‘eilandboeken’ mij sterk denken aan de latere Caraïbische Nobelprijswinnaar Derek Walcott met zijn prozagedichten, zoals het prachtige Omeros.
Ik las Durrell voor het eerst in 1961 en sindsdien (her)lees ik zijn boeken nog steeds. Er gaat er zelfs altijd wel een mee op vakantie. In mijn jongere jaren las ik het werk van Somerset Maugham. Mede door zijn verhalen is mijn behoefte om te schrijven ontstaan. Ze vallen voor mij in de categorie: ‘Hoe schrijf ik zonder poespas een goed kort verhaal?’ Hetzelfde geldt voor Guy de Maupassant. Dan, pas veel later: de fel antisemitische Céline (die na de oorlog zelfs de doodstraf in Frankrijk ontliep door te vluchten naar Denemarken): voor mij als Jood een beetje een dilemma, maar zijn Voyage au bout de la nuit is een geweldig boek met verpletterende oorlogsscènes in het begin, die kunnen concurreren met die van de Oekraïense Jood Isaak Babel in: Rode ruiterij. Overrompelend blazen diens verhalen over de gruwelen van de oorlog je snoeihard van de sokken en soms slaan ze je zelfs bijna knock-out. Zó veel zó super krachtig neerzetten in zulk een kort bestek! En in één adem met hem te noemen is een heel andere Joods-Russische schrijver die relatief kort geleden in Nederland pas ‘ontdekt’ is en wiens Leven en lot wel vergeleken wordt met Oorlog en vrede: Vasili Grossman. Hij was, net als Babel, oorlogscorrespondent. In dit boek toont hij via het leven en lot van gewone mensen de situatie tijdens de wrede terreur in het Stalinistische Rusland in WO II. De manier waarop de schrijver dat op bijna terloopse wijze laat zien, tussen de regels door, maar zó dat je begrijpt waarom mensen soms dingen doen die beslist niet goed zijn, is geweldig. Voor mij is het door de volkomen natuurlijke dialogen een leerboek voor het schrijven van dialogen. En daarnaast voor het schrijven zonder opsmuk of pathos. En vooral hoe je iets kunt laten zien zonder alles voor de lezer uit te leggen. Echt een ongelooflijk boek!
De verhalen van Tsjechov en Isaac Bashevis Singer: opnieuw voorbeelden van hoe je een verhaal vertelt. Door hun eenvoudige schrijfstijl erg leerzaam voor een beginnende schrijver. En eigenlijk lijken beide schrijvers, wat betreft schrijftechniek en schrijfstijl, best wat op elkaar, al gaat het bij de een om Russische verhalen en bij de ander om Joodse.
Patrick Modiano. Ik las hem lang voordat hij in 2014 de Nobelprijs kreeg. De melancholieke, vaak raadselachtige sfeer in zijn ‘heimweeboeken’ waarin altijd weer geprobeerd wordt een soort reconstructie van het verleden te maken, is betoverend. Het cirkelen om waar het in zijn boeken in wezen over gaat, zonder het meestentijds te benoemen, is knap. Een boek van hem zie ik als één groot ‘showen’ van het onderwerp zonder er over te ‘tellen’. Er wordt wel gezegd dat hij steeds hetzelfde boek schrijft, maar dat is geen enkel bezwaar. Zijn werk is zelfs een beetje verslavend.
Lang geleden en nu weer opnieuw gelezen: Albert Camus: L’ étranger en: La Peste. Hij laat zien hoe je een diepere, filosofische, laag in een boek kunt leggen en die tegelijkertijd kunt verbergen in een schijnbaar eenvoudig verhaal. En dat in een makkelijk leesbare en aansprekende stijl.
Natuurlijk Marquez. Bijvoorbeeld: Kroniek van een aangekondigde dood. Alweer een voorbeeld van: ‘Hoe vertel ik een goed verhaal’. Net als: The old man and the sea van Hemmingway. Diens boeken zijn voorbeelden van de schrijfregel: ‘Schrijven is schrappen.’ En zijn uitspraken spreken mij zeer aan: ‘Easy reading is hard writing’ en: ‘Een verhaal is als een ijsberg: je ziet slechts één vijfde, de rest is onder water’. Hij bedoelt dat je een boek zo moet schrijven (zoals Camus dat dus eigenlijk ook doet) dat je de diepere laag wel voelt en beleeft, zonder dat die opgeschreven is.
Van de Nederlandse schrijvers: bijvoorbeeld Mulisch. Ingenieus hoe hij een verhaal construeert. En Hermans, het knap geschreven Het behouden huis bijvoorbeeld, en Marga Minco (‘hoe vertel ik vreselijke dingen zonder larmoyant te zijn?’). Nescio: nostalgie, romantiek, eenvoudig, doeltreffend proza.

Je bent op latere leeftijd gedebuteerd. Wat was het eerste wat je echt schreef, een verhaaltje, een dagboek? Wanneer begon je ‘echt’ met schrijven?

In 1948 maakte ik, als negenjarige, mijn eerste buitenlandse reis: naar Zwitserland. Ik hield een reisdagboek bij, dat ik (foutief gespeld) ‘Lochboek 1948’ noemde. Sindsdien heb ik veel gereisd en altijd reisdagboeken bijgehouden, zodat er nu een hele stapel in de kast ligt. De laatste tijd doe ik dat minder, omdat ik meestal een manuscript van een boek meeneem op reis. In mijn studententijd ontstond een sterke behoefte om naast reisverslagen verhalen (fictie) te gaan schrijven. In die tijd wist ik echter nog niet goed waarover. En nu, nu ik meer schrijfervaring en schrijftechniek heb, merk ik dat de verhalen op straat liggen en dat je ze slechts op hoeft te rapen.
Je zegt: ‘op latere leeftijd gedebuteerd’: dat klopt wel wat betreft het debuteren bij een grote uitgeverij. Ik schreef echter al veel eerder korte verhalen die gepubliceerd zijn en daarnaast een paar boeken bij kleinere uitgeverijen. De eerste vingeroefeningen voor mijn debuut vonden al plaats in de zeventiger en tachtiger jaren.

Je boeken worden uitgegeven bij De Boekerij. Hoe ben je daar terecht gekomen?

Ik had al zo’n jaar of tien gewerkt aan wat nu mijn recentste boek is: Het misverstand. Toen ik eindelijk dacht dat het goed was, stuurde ik het naar verschillende grote uitgevers en kreeg de bekende antwoorden: ‘Hartelijk dank etc etc, past niet in ons fonds etc. etc…’ Van Uitgeverij Veen kreeg ik wél een heel aardige afwijzing en tegelijkertijd een leerzame argumentatie waarom men het boek niet goed genoeg vond. Die argumentatie was zó goed dat ik daar absoluut naar moest luisteren. Alleen: dat zou me nog weer een jaar schrijven kosten en ik had even genoeg van dit boek. Dat was in 2011. Toevalligerwijs was er op dat moment een reden om mijn documentatie over de onderduik van mijn ouders weer ter hand te nemen en ik schreef in relatief korte tijd De onderduikers. Ongeveer een jaar eerder had ik ook dit manuscript naar een aantal uitgevers gestuurd, met hetzelfde resultaat als boven beschreven: geen antwoord of een korte afwijzing. Toen kreeg ik ineens een mail van Meulenhoff Boekerij. Men wilde een oriënterend gesprek met mij hebben. Het bleek dat men zeer enthousiast was. Ze wilden het graag uitgeven en in dat eerste gesprek werd me zelfs al gevraagd hoeveel voorschot ik zou willen hebben! Later heb ik begrepen dat het tamelijk uitzonderlijk is dat je op die manier uit de ‘slush-pile’ gevist wordt. Er ontstond een erg plezierige samenwerking met de uitgeverij.

Je hebt een heldere, prettig leesbare schrijfstijl. Hoe kom je daaraan?

Voor schrijven moet je (net als voor de beeldende kunst of voor muziek) wel een zekere aanleg hebben. Iedereen die schrijft zal wel een bepaalde eigenheid hebben. Daarmee ben je er nog niet. Er zit een belangrijke ambachtelijke kant aan het vak. Die kant moet je ontwikkelen en hoe je dat doet zal per schrijver verschillen. Op Amerikaanse universiteiten bestaat de studie ‘Creative writing’ al lang, terwijl dat aan de Nederlandse universiteiten nog min of meer in ontwikkeling is. Al zijn er hier wel korte universitaire cursussen en natuurlijk een paar schrijfopleidingen. Ik zelf geloof sterk in het leren van het ambacht in de kunsten (zowel beeldend als schrijvend), om daarna het geleerde eventueel weer los te kunnen laten als het werkstuk daar om vraagt. Dat leren kan op schrijfscholen/cursussen of aan de hand van de vele schrijfboeken die er zijn (ik heb wel een meter in de kast staan, die ik allemaal bestudeerd heb). Ik heb een hekel aan de uitspraak: ‘Ik wil geen les, want dat doodt mijn eigen stem en creativiteit’. Dat geloof ik helemaal niet. Je kunt immers het geleerde, zoals gezegd, weer (deels) overboord gooien, maar je moet wel weten wat er in de wereld van de schrijftechniek te koop is.
Er zijn natuurlijk altijd natuurtalenten. Zal Hermans of Mulisch een schrijfopleiding hebben gevolgd? Ik denk wel dat je, om goed te schrijven, heel veel moet lezen. En dat zullen zij ook wel gedaan hebben. Maar om van dat lezen echt iets te leren, moet je eerst weten wáár de schrijfproblemen in je eigen verhalen zitten. Daarvoor moet je, mijns inziens, veel schrijven en al doende leren de moeilijkheden in je eigen verhalen te herkennen. En daarbij is schrijfles (in welke vorm dan ook) nuttig, evenals gericht kijken naar hoe andere, goede, schrijvers gelijksoortige situaties oplossen. Daarnaast denk ik dat het erg helpt als je goed kan observeren en een goed geheugen hebt waaruit je kunt putten.
Dus samenvattend: enigszins aanleg hebben, weet hebben van schrijftechniek, ‘mijlen maken’ met je eigen schrijfwerk (de 10.000 uursregel?) én veel ‘doelgericht’ lezen.
Terugkijkend is het zo waarschijnlijk bij mij gegaan en al doende leer ik nog steeds bij.
Wat je stijl en stem uiteindelijk is, zal het resultaat zijn van al het bovenstaande.
Er is nog één heel belangrijk ding: je moet uitermate kritisch zijn op jezelf en op wat je geschreven hebt. Onbarmhartig, bijna. Vele versies schrijven en weer verwerpen. Nooit tevreden zijn, het kan altijd beter. En je moet open staan voor de kritiek van anderen. Juist het ‘stoeien’ met de redacteuren en het slijpen aan je tekst is bijna het leukste van het schrijven: dat je ziet dat het almaar beter wordt.

Hoe ziet jouw schrijfplek eruit?

Ik heb een ruim atelier waar ik bronzen beelden maak, teken, schilder en schrijf. Ik ben gevoelig voor sfeer en schrijf aan een grote rommelige tafel, liefst ’s nachts bij een kleine bureaulamp en met naast het papier een zojuist opgewonden prachtig, dik, zilveren vestzakhorloge met zilveren ketting, dat waarschijnlijk van mijn overgrootvader is geweest. Overdag denk en werk ik nogal eens met een manuscript op schoot, gezeten in een diepe fauteuil die mijn vader vroeger gemaakt heeft. Hij staat voor een groot raam tot vlak boven de vloer van mijn atelier, met kilometers ver uitzicht over de Friese weiden. Ik schrijf het liefst met fineliners in zwart, of groen of rood, op de achterkant van reeds gebruikt papier. Tegenwoordig werk ik meer en meer direct op de laptop.
Ik schrijf graag in de auto in de bijrijdersstoel. Op de lange stukken, als Hanne, mijn vrouw, rijdt. Of in het geroezemoes van de kroeg. Daarvoor ga ik soms zelfs naar een restaurant in de buurt om, bij een salade en een glas tomatensap, even een flinke klap te maken. De onderduikers is voor een deel geschreven in het restaurant van Hotel Wientjes in Zwolle, waar ik destijds vaak moest zijn. Veel is geschreven in de vakanties: het manuscript van Het misverstand is meegereisd naar allerlei oorden, zoals het vissersdorpje Llafranc in Spanje, verschillende plekken in de Provence, het Cykladeneiland Ios, Kreta. De basis voor Het zesde jaar is al in de winter van 1976-77 gelegd in Lech. Ik kan overal schrijven en heb altijd een pen en een klein opschrijfboekje op zak.

Kun je iets vertellen over verschillen en overeenkomsten tussen je wetenschappelijk werk, het schrijven en beeldhouwen/schilderen?

Voor wetenschap is, net als voor de kunsten, veel creativiteit nodig. In die zin liggen wetenschap en kunst niet zo ver van elkaar af als veel mensen wel denken. Terwijl bij ‘literair schrijven’ het ‘showen’ belangrijk is, speelt dat bij wetenschappelijk schrijven geen enkele rol: dat is alleen maar ‘tell’. Wetenschappelijk schrijven leert je om bondig te zijn. Een onderzoek van jaren uitleggen en samenvatten in een artikel van een paar honderd woorden dwingt je om geen woord teveel te schrijven en concies te formuleren, liefst in prettige taal. En de samenvatting van zo’n uitgebreid onderzoek schrijven voor het congresboek, waarin bijvoorbeeld maar plaats is voor 200 woorden, vergt helemaal het uiterste van je: je begint steevast met teveel woorden en moet dan de tekst steeds verder terugbrengen tot deze in het daartoe bestemde kader op het aanmeldingsformulier past. Om zo’n heel onderzoek dan, in alle beknoptheid, toch begrijpelijk neer te zetten, is een goede vingeroefening, waar je als schrijver van (non-)fictie veel van leert. Bovendien worden wetenschappelijke artikelen, voordat ze geplaatst worden, beoordeeld op wetenschappelijke kwaliteit, toegepaste technieken, statistische methoden etc. door zogenaamde ‘referees’. Dat zijn experts op jouw vakgebied. Die ‘referees’ zijn enorm streng omdat ze niet een artikel willen goedkeuren dat wetenschappelijk niet deugt. Maar ook omdat het (ook al beoordelen ze anoniem) hun eigen reputatie bij het desbetreffende tijdschrift natuurlijk schaadt als ze dat per ongeluk wel zouden doen. Het gevolg is dat je zo’n artikel altijd wel één of meerdere keren terugkrijgt met op- en aanmerkingen (als het al niet helemáál wordt afgekeurd.) Dat weet je van tevoren en daarvan leer je te incasseren en niet gefrustreerd te raken bij afwijzingen. Dat komt je als (non-)fictieschrijver goed van pas wanneer je uitgeverijen benadert.

Je schrijft historische non-fictie. Het zesde jaar schreef je oorspronkelijk als een mengsel van fictie en non-fictie. Later koos je voor non-fictie. Kun je daar iets meer over vertellen?

In de oorspronkelijke versie van Het zesde jaar dat bij een kleine uitgeverij uitgegeven is, bracht ik wat fictieve elementen: zo ‘duwde’ ik verschillende personen en adressen soms ‘in elkaar’ om de vaart erin te houden. Ik verzon een fictief zusje dat de oorlog niet overleefde. Dit als metafoor voor de zeer vele familieleden die vermoord werden. Ook veranderde ik iets aan een oom die in het verhaal stierf, terwijl dat in werkelijkheid een andere oom was, die bij aanslag met een bomauto in het voormalige Palestina omkwam. Die veranderingen waren wel verantwoord, maar achteraf gezien niet nodig. Ik had destijds nog niet de techniek om het verhaal zonder fictie een goede vorm te geven. Toen Meulenhoff Boekerij het boek, na het succes van De onderduikers, opnieuw wilde uitgeven, klopte wat ik geschreven had hier en daar niet meer met de verhalen in De onderduikers en moest ik me gewoon bij de werkelijkheid houden. Ik had ondertussen voldoende bijgeleerd om te weten dat de werkelijkheid in deze boeken geen fictie nodig heeft.

Hoe ga je nu verder met schrijven? Ben je al met een volgend boek bezig? Wordt dat fictie, non-fictie?

Ik ben bezig met research voor een boek met een interessante geschiedenis die zich afspeelt in gefortuneerde Pools-Joodse kringen in het nazi-Duitsland van 1935. Om precies te zijn: in Berlijn. Opnieuw een non-fictieverhaal uit mijn eigen familie. Voorlopig ben ik hier nog lang niet mee klaar. Ik heb mijn onderbewuste wel vast aan het werk gezet en daarnaast al het een en ander opgeschreven. Ik moet er op niet al te lange termijn voor naar Berlijn en misschien naar Polen. Dus het gaat nog wel even duren voordat het volgende boek er is. Tegelijkertijd denk ik na over een heel ander boek, dat meer met mijn vroegere vakgebied (verloskunde en gynaecologie) te maken heeft (waarbij je niet moet denken aan een doktersroman of patiëntenverhalen). Dat zal voor een deel gefictionaliseerd zijn. Ik heb daar ook veel zin in, maar die twee totaal verschillende ideeën zitten elkaar op het ogenblik wat in de weg. Misschien moet ik een keuze maken. Voorlopig even een beetje rustig aan, want in drie jaar tijd zijn er nu drie boeken verschenen en een aardig aantal beeldenexposities gehouden. Ik heb de neiging om mezelf soms voorbij te rennen.

Wat is jouw innerlijke noodzaak om te schrijven, wat drijft je? En wat is je doel?

Er zijn veel dingen waar ik warm voor loop. Ik borrel over van ideeën en die moeten er ook allemaal uit. Ik begrijp zelf niet waarom. (Misschien een in goede banen geleide dwangneurose, gesublimeerd tot kunst?) Dat is soms behoorlijk lastig, want we hebben slechts één leven. Voor mijn beeldende werk is dat minder een probleem: als ik een idee voor een bronzen beeld heb, dan maak ik het. Dat is ontspannen – bijna meditatief – werk. En als het af is, is het af. Schrijven, echter, is geestelijk veel inspannender én je hebt er een erg lange adem voor nodig.
Een doel had ik vroeger eigenlijk niet. Het was gewoon het plezier van het schrijven op zich. Nu begin ik me steeds meer te realiseren dat het misschien belangrijk is dat de persoonlijke verhalen die ik over de oorlog kan vertellen geschreven en gepubliceerd worden.. Ik heb immers een aantal dingen meegemaakt, waarvan ik, als één der laatsten, nog uit eigen beleving kan getuigen. Daarnaast blijft natuurlijk gewoon het plezier in het schrijven om het schrijven. En als het dan tenslotte ook nog eens bij een goede uitgever uitgegeven wordt, is dat mooi meegenomen.

Meer lezen: Peters website, bij Arie Schrijft of bij Kees Arts

Vragen: Yolande Belghazi-Timman

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Familieonthullingen

Categorie: Boek van de week, Literatuur, Roman Harnas van Hansaplast – Charlotte Mutsaers – Dag Mag – 306 blz. Jarenlang probeerde Charlotte Mutsaers een boek over haar overleden broer Barend te schrijven. Grote lappen tekst gooide ze telkens weg om dat iets…

Boek van de week archief
31-oktober-2017 | Lees verder | Reacties uitgeschakeld voor Familieonthullingen