Bladeren door Oostende

28-juli-2019 | Categorie: Boek van de week, Literatuur, Roman

Kamer in Oostende – Koen Peeters – De Bezige Bij – 271 blz.

Autofictie, ineens is het overal. Saskia de Coster beschreef in Nachtouders haar bezoek aan de biologische vader van het zoontje van haar en haar vriendin op een Canadees hippie-eiland. Siri Hustvedt reconstrueerde in Herinneringen aan de toekomst aan de hand van teruggevonden dagboekaantekeningen haar leven in New York veertig jaar geleden. En Nina Weijers verkende in haar prachtige Kamers antikamers de grensgebieden tussen haar herinnerde, verzonnen en mogelijke levens. Elk van de drie boeken volgt de dagelijkse werkelijkheid op de voet, maar voegt er ook een flinke snuif fictie aan toe, en alleen de schrijver weet wat verzonnen is en wat niet. Als hij dat al weet, en als je al een waterdicht onderscheid kunt maken tussen fictie en realiteit…

Hoe ver je kunt gaan met autofictie is ook het onderliggende thema van Kamer in Oostende, het nieuwe boek van Koen Peeters die in 2017 de ECI-literatuurprijs ontving voor zijn roman De mensengenezer. ‘Roman’ staat er op het omslag, ‘roman’ noemt Peeters zijn boek zelf ook in het Nawoord, en dat is niet alleen om commerciële redenen.
Gemiddeld eens in de paar maanden, soms veel vaker, drie jaar lang, gingen Koen Peeters, schrijver, en Koen Broucke, schilder, twee dagen naar Oostende om zich te verdiepen en te verliezen in de stad. Ons onderzoek, noemen ze het geleerd, ons onderzoek naar het wezen van deze stad aan zee.

De geschiedenis van Oostende is rijk en divers: de schrijvers Stephan Zweig en Joseph Roth verbleven er, de een rijk, de ander arm, en Koen en Koen brengen hun verhouding minutieus tot leven. Ook hedendaagse schrijvers kruisen hun pad, Charlotte Mutsaers bijvoorbeeld en Eric de Kuyper, die een paar decennia terug Oostende al onsterfelijk maakte in boeken als Met zicht op zee. Maar Oostende is niet alleen een stad van schrijvers, het is ook een stad van schilders, James Ensor natuurlijk en Leon Spilliaert, en Broucke en Peeters (de twee mannen noemen elkaar uitsluitend bij hun achternaam) spreken uitvoerig met mensen die hen hebben gekend, laten hen anekdotes ophalen, bezoeken de plaatsen waar ze hebben gewoond en gewerkt. Ook de geschiedenis komt langs, van het beleg van Oostende in 1601 tot en met de Tweede Wereldoorlog, maar alles op een lichte, onnadrukkelijke toon; topzwaar wordt het nooit. ‘We bladerden door de stad, alsof zij zichzelf in stapeltjes had neergelegd voor ons.’

En ondertussen zijn we getuige van de opbloeiende vriendschap tussen Peeters en Broucke, we worden deelgenoot van hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden, we zien wat er gebeurt als twee mannen hun autonomie zorgvuldig bewaken maar toch telkens weer naar elkaar toetrekken onder het mom van een gezamenlijk project dat nu eenmaal moet worden uitgevoerd.

Het boek bevat, in klein formaat maar toch, ook afbeeldingen van schilderijen van Oostende die Koen Broucke maakte, en daardoor is het project ook echt een tweemans onderneming geworden. Maar hoe suggestief de schilderijen ook zijn, het is toch vooral de stijl die Kamer in Oostende uittilt boven het niveau van een reisjournaal, zo’n journaal transformeert tot literatuur, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de manier waarop Peeters het licht van Oostende evoceert:

‘We hebben het over dat bijzondere licht van Oostende. Het avondlicht is hier anders. Je kunt hier nog het oude gaslicht herkennen in de straten. Ook het winterlicht in deze kleine mondaine stad, het diffuse Oostendse licht dat uit verlichte kamers naar buiten straalt, en de intieme weerspiegelingen van lampen en lampjes in grote kamerspiegels binnen in de huizen. Of als je ‘s avonds en ‘s nachts nog op het strand loopt, die wijde boog van licht als vulkanisch gemors, als van een ijzergieterij, parelend de lucht vervuilend. Ook het algemene teveel van straatverlichting, de neonreclames, het nerveus verdwaalde licht van auto’s, de rode flitslichten boven op de kranen overal in de stad.’

Dat licht is er, licht verzin je niet, dat roep je op en daardoor wordt het echter dan echt. Maar wat er verder allemaal waar is en wat niet? ‘Dat personages in een roman de naam dragen van echte mensen,’ zegt Peeters in het Nawoord, ‘mag niet betekenen dat ze dat ook zijn. Vaak lijken ze erop, maar het is veel ingewikkelder. Ik heb overdreven, soms flink gelogen. Ach, fictie.’

Hein-Anton van der Heijden

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Betoverende klassieker

Categorie: Boek van de week, Kinderboeken, Klassieker

De tovenaar van Oz – L. Frank Baum – hertaling Margaretha van Andel – illustraties Marieke Nelissen – Lemniscaat – 238 blz. Voordat ik aan het boek begon, las ik eerst het nawoord van respectievelijk…

Boek van de week archief

14-oktober-2019 | Lees verder | Reageer!