De snoeiharde waarheid

12-september-2020 | Categorie: Interview

Clyde R. Lo A Njoe werd in 1948 geboren op Aruba, maar woonde vanaf zijn tiende jaar in Nederland. Naast dichter en schrijver is hij ook beeldend kunstenaar, zaken die hij niet los van elkaar wil zien. Zo zijn de illustraties in zijn eerste dichtbundel (Dansen/Baliamentu – 1982) van hem zelf. Grote exposities heeft hij gehad in het Caribische gebied en op de Hannover Messe. Ook is zijn werk vaak te zien in het Tollenshuis te Rijswijk. Heel bekend werd hij als medeontwerper van het Orakelkunstuurwerk van Holland-Nagasaki Village in Nagasaki, Japan, waarvoor hij 42 schilderstukken vervaardigde.

Ook van het monument van de nieuwe basiliek van de Virgen de Guadalupe, in het centrum van Mexico City was hij medeontwerper en schilder van het astrolabium en het Aztekencalendarium. Zijn eerste roman Parelmoerpoeder, een terugblik op de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam verscheen in 2016, in 2018 gevolgd door Mallura, dat zijn onderzoek naar de dood van Edgar Allen Poe beschrijft. Het dossier van de drakendoder is zijn nieuwste roman.

 Je bent op Aruba geboren. Waarom heb je dat mooie eiland verlaten en ben je ‘wereldburger’ – zoals men je soms wel noemt – geworden?

Met mijn moeder, Hélène H.J. Brandon, een jonger zusje en een broertje (resp. 8 en 5 jaar) ben ik als tienjarige aan boord gestapt van de Duitse tanker, de ‘Elsa Essberger’ uit Hamburg, die ons van Aruba (destijds nog Ned. Antillen) naar Amsterdam bracht. Ik geniet nu dus ruim 62 jaar ‘gastvrijheid’ in Nederland, zoals ik het gewoonlijk noem. Ongetwijfeld vanwege het feit dat nog niet eens zolang geleden, hier in Nederland, sprake was van ‘gastarbeidersschap’. Mijn moeder had voor die tijd –en zeker voor Paramaribo, Suriname– een stevige opleiding: Ze was oorspronkelijk onderwijzeres. Op Aruba was ze kort na haar scheiding daarentegen werkzaam bij de ‘Commercial Bank of Aruba’. In Amsterdam vond ze spoedig een baan als ambtenaar bij de Publieke Werken, Amsterdam. Zo ging haar droomwens geleidelijk in vervulling: Haar kinderen konden een uitstekende opleiding volgen en de opvoeding genieten die zij voor hen, zeer pretentieus, altijd voor ogen had. Iedereen die zich verbeeldt dat hij een goede schrijver en/of kunstenaar is, of wil worden, hoort eigenlijk iets van die zogenaamde ‘wereldburger’ in zich te hebben. Het begrip op zich is uiterst relatief, aangezien men zonder ooit drie kilometers van huis te zijn geweest, grote reizen à la Gulliver ‘in de geest’ kan hebben afgelegd. Ik heb het geluk gekend dat ik inderdaad veel heb kunnen reizen.

Had ik drie schilderijen of tekeningen verkocht, dan zat ik al op de “Magic Bus” op weg naar Verweggistan. Onderweg regelmatig knokken, wilde je niet dat weinige aan verborgen geld en bagage kwijtraken. Dat maakte het alleen maar gezelliger. Pas naderhand –na de eerste grote opdrachten: Seoel (Zuid-Korea), Nagasaki-Holland Village (Japan) en de Virgen de Guadalupe (Mexico)– werd vliegen makkelijker en heb ik ook heel wat afstanden afgelegd, evenwel voortdurend aan het werk: afwasser, schoonmaker, schetsen, gouaches en tekeningen, maar ook poëzie én aantekeningen voor de romans die men nu leest.

Is daar iets van terug te vinden in je romans?

Uiteraard kan men in al mijn creatieve uitingen –onverwijld en zonder enig voorbehoud– kosmopolitische elementen terugvinden, die voor de geïnteresseerde zeker herkenbaar zijn. Het is een soort syncretisme, waarmee ik in de eerste plaats de wereld transformeer tot dat ‘grote dorp’, waar warempel van alles gebeuren kan.

Er zijn diverse dichtbundels van jou verschenen en pas in 2016 kwam je eerste roman uit. Kun je daar een toelichting op geven?

Dat is het gevolg van louter persoonlijke omstandigheden, waar ik liever niet over uitweid. Al in de periode dat ik als ‘freelance recensent’ voor de ‘Brabant Pers’ werkte en ’s nachts mijn recensies moest doorbellen naar het kantoor in Best, lagen enkele concepten al op me te wachten die van geen kanten deugden en dus om een fatsoenlijke uitwerking smeekten. (Stel je voor; destijds met twee vingers op die gammele typemachine.) Ik ben nu gepensioneerd en heb zodoende mijn handen vrij om het een en ander te realiseren. Niettemin blijf ik van mening dat de dichtkunst de ‘moeilijkste’ literaire discipline is, die het uiterste vergt van iemands ‘creatieve energie’.

Misschien belangrijker dan het schrijven, is je werk als schilder, tekenaar, ontwerper etc. Wil je wat vertellen over die kant van jou?

Het schilderen, tekenen en vormgeven zijn pertinent niet belangrijker dan het schrijven. Ik beschouw ze als gelijke én gelijkwaardige disciplines en ik zal niet de eerste zijn die in de loop van zijn loopbaan de synthese ontdekte, waarin deze disciplines konden samengaan: ‘versmolten’ als het ware tot één acceptabel geheel, zonder dat de criteria van kwaliteit en competentie hieronder leden. Bovendien, als ik terugblik, dan zie ik nog altijd hoe ik mijn journalistieke bezigheden bleef uitoefenen, met of zonder pseudoniem.

Las je zelf veel in je jeugd en had je daarna favoriete boeken en/of schrijvers?

Ik las altijd. Van de meest onmogelijke prullaria tot zwaar wetenschappelijk werk. Pas na 1970 ben ik me gaan interesseren voor de filosofie, aangezien ik –zoals je dat reeds constateerde– de psychologische factoren en actoren steeds essentiëler begon te vinden die in mijn werk een rol van enige importantie gingen vervullen.

Ik kende geen favorieten. Nu ook niet, hoewel ik –niet expliciet, maar impliciet– steeds meer moeite kreeg met de Existentialisten. Heerlijke jaren ’60–romantiek, maar dat geflikflooi met Mao, Ho Tschi Min en de Cubaanse rebellen brak me op, want ik was én ben een gelovig mens, weliswaar zonder dogma’s of soortgelijke wetmatigheden. Bovendien was het té uitzichtloos en het nihilisme is niet bepaald een opbeurend filosofisch concept, hoewel ik niet kan ontkennen dat optredens van Juliette Gréco een fascinerende weerslag hadden op mijn jeugdig gemoed. Evenzo het nostalgisch heroïsme dat rondom Albert Camus werd ‘gekweekt’ en aan wie ik zelfs een gedicht heb opgedragen. 

Een systematische selectie is me nooit bijgebracht, dus ik verorberde alles wat ik in mijn handen kreeg. Ik moet eerlijk bekennen dat ik toentertijd een gigantisch voordeel heb gekend om als een ‘literaire omnivoor’ door het leven te gaan. Pas toen ik bemerkte dat mijn omgeving zich ging ‘storen’ aan mijn betweterigheid, ben ik bescheidener en tegelijk ook selectiever geworden in mijn literaire keuzes.

De literatuur uit Suriname/Caribisch gebied lijkt aardig in de lift te zitten. Voel jij enige verwantschap met auteurs die daar vandaan komen?

Het sprak vanzelf dat ik de nodige aandacht besteedde aan de literatuur uit het Caraïbisch Bekken, zowel in het Nederlands, Papiamentu en het Srenang Tongo. Niettemin had ik daarnaast ook belangstelling in de betere werken die in het Engels werden uitgegeven. Ik ontdekte gaandeweg dat ook nominaties, en een enkele keer zelfs de Nobelprijs voor literatuur, werden toegekend. Een meesterwerk als ‘Mijn zuster de negerin’, van Colà Debrot had het in die jaren zeker verdiend om op deze wijze onderscheiden te worden. Voorts zijn er de gedichten van Luìs Henrique Daal, die men, uiteraard rekening houdend met de ‘Zeitgeist’, absoluut mag beschouwen als het summum superbum van de Antilliaanse dichtkunst.

Voor het overige heb ik weinig affiniteit met de contemporaine Caraïbische letterkunde. Hoe vreemd het ook klinken mag: Voor mij is het gevoelsmatig en ook rationeel, wat ik zou willen etiketteren als een ‘ver-van-mijn-bed-show’. Inhoudelijk kan ik me ternauwernood nog vereenzelvigen –dus identificeren– met sommige uitingsvormen hiervan. Feitelijk logisch, na ruim 62 jaar Europa en alle consequenties van dien.

“Het tolerante Nederland…”. Gezien de vele publicaties over ‘zwart-wit’ in de laatste jaren, kunnen we gerust zeggen dat dit niet de realiteit is. Ben jij in je persoonlijk leven met racisme geconfronteerd? En hoe heb je dat ervaren?

Racisme is ook in Nederland een ‘institutioneel fenomeen’ dat uiteraard historisch verklaarbaar is. Ik heb ook mijn portie gehad, wat dat betreft. Een belangrijk personage in de beoordelingscommissie Beeldende Kunsten in Amsterdam heeft het ooit gepresteerd om mijn werk te beoordelen als ‘on-Nederlands folkloristisch’, en dat het in ‘geen enkel opzicht een bijdrage betekende aan de Nederlandse cultuur en kunst’. Hij is inmiddels naar de Eeuwige Jachtvelden, wellicht dat hij daar zijn ongenoegen en rancune nog kan ventileren over mijn toenmalige artistieke prestaties. Nog onlangs bij mijn laatste dichtbundel, “Mijn lief, mijn leed” meende een recensente dat ik mijn werk maar moest gaan voorlezen aan mijn bejaarde Caraïbische landgenoten in buurthuizen, of die in bejaardenhuizen waren “ondergebracht”.

In al je romans zitten veel feiten zoals je me zei. Wil je daar iets meer over vertellen?

Feiten uit de eigen ervarings- en belevingswereld zijn én blijven het fundament voor een goed verhaal. Uiteindelijk kun je niet alles uit je grote duim zuigen en ontstaat er automatisch de behoefte om vanuit een bestaande realiteit te putten, hoe simpel die ook mag zijn. Uiteraard kan deze ‘herwonnen realiteit’ gecamoufleerd worden in tal van verschijningsvormen, zonder dat het verhaal of het gedicht op zich inboet aan geloofwaardigheid en/of literaire zeggingskracht. Overigens besteed ik ruimschoots aandacht aan onderzoek –op z’n goed Nederlands gezegd: de ‘research’ waar heden ten dage niemand meer aan ontkomt, tenzij men gewoonweg lulkoek wil schrijven.

De onderwerpen van de drie romans die tot nu toe zijn verschenen, hebben nogal gevarieerde onderwerpen. Hoe is die keuze tot stand gekomen en had je eigen voorkeur voor één ervan?

Die gevarieerdheid in thematiek is geen bewuste opzet. Ik heb er telkens voor gekozen om vanuit het concept een acceptabel verhaal te destilleren, dat compositorisch goed in elkaar steekt en voldoende spanningsvelden in de verscheidene gelaagdheden profileert. Alleen op die manier –dat weet ik inmiddels uit ervaring– is men als schrijver in staat om de lezer te boeien tot de laatste letter. Het is dus toeval, misschien ‘valt het binnen’, hoewel ik ervan overtuigd ben dat ik vooropgesteld de mens zoek en vind in al zijn zwakte en sterkte.

De mens is zondermeer de oorzaak en de reden van mijn schrijverschap. Uiteraard heb ik mijn eigen specifieke voorkeur als het om mijn eigen werk gaat. Dat houd ik liever voor mezelf. Niemand vertelt aan zijn eigen kinderen van wie hij het meeste houdt. Dit is een stereotype, weliswaar uitstekend principe om zo mogelijk kwaliteit te blijven leveren.

Je hoofdpersonen in Het dossier van de drakendoder hebben bijna allen een allochtone achtergrond. Hielden de Nederlanders zich toen nog niet zo met de drugshandel bezig?

De grootste boef in deze roman is niemand minder dan de witte conciërge van het hotel! Hij ‘gebruikt’ Mesut de Algerijn als loopjongen, zoals hij het eerder ook probeerde met Moncef de Tunesiër. Het is trouwens geen toeval dat het geboefte en gespuis stuk-voor-stuk uit allochtonen bestaat. In de grimmige realiteit van deze gebeurtenissen was het spijtig genoeg ook niet anders. Alleen heb ik bij sommige personages de afkomst en de nationaliteit moeten veranderen. Natuurlijk was Mesut geen Algerijn en geef ik je driemaal te raden wat hij wél was. Hetzelfde geldt voor zijn kompaan Moncef de Tunesiër. Eens temeer het bewijs dat onderzoek én heronderzoek geen zeldzaamheid zijn bij de totstandkoming van een dergelijk ‘verhaal’ dat zijn oorsprong kent in de keiharde realiteit: in zekere mate dus non-fictie. Ook hier was de realiteit het begin van de procedure. Ik was toeschouwer die morgen –als voorbijganger op de vroege morgen– die van een afstand zag, dat het personage Mesut het leven liet. Dat vergeet men nooit meer.

In mijn bespreking van je boek heb ik opgemerkt dat je van tegenstellingen gebruik maakt. Heb je daar bewust voor gekozen?

Ik veronderstel dat je zélf het antwoord kunt bedenken bij deze vraag. We volgen goed en kwaad tegenover elkaar; Westers tegenover Oosters; zwart tegenover wit; liefde tegenover haat; kortom, heel simplistisch wordt de wereld weergegeven, zoals die in werkelijkheid over het algemeen ook herkenbaar is. Neemt niet weg dat nuanceringen het psychologisch effect verscherpen, soms zelfs het analytisch element verschaffen, dat met geen woorden valt te beschrijven.

Daarnaast merk ik een overeenkomst op in de liefdevolle behandeling van Xiao Xie door Man Lei en Lin Fong en later door Liesbeth. Wordt Xioa Xie een beter mens door deze liefdevolle benadering?

Hij weet niet eens wat liefde is. De substantiële betekenis van dit menselijk fenomeen is hem nooit bijgebracht. In gronde genomen is het hem volkomen onbekend. De psychologische intensiteit wordt uiteraard bepaald door zijn persoonlijke inbreng. Hij heeft het niet makkelijk gehad. Tijdens het sterven van zijn jonge moeder, die veel voor hem betekent, wordt hij regelrecht afgeblaft met de woorden: ‘Ga weg. Laat me met rust…’ Ik geef iedereen ter overweging wat dit voor effect heeft op een kind van nog geen zes en welke consequenties dat op hem heeft op latere leeftijd.

Zijn “geliefde” Liesbeth in Amsterdam ziet kans om enigermate ‘iets’ in hem te veranderen. Bij mijn tweede ontmoeting met haar vertelde ze dat hij ‘langzamerhand begon te “smelten” als ze bij hem was. Dan leek het alsof het gif uit al die voorgaande jaren “geneutraliseerd” werd en zijn bevroren innerlijk dan eindelijk tot leven kwam. Een intelligente vrouw. Ze is vorig jaar overleden. Ik kan niet veel hierover vertellen, maar ze is uiteindelijk gelukkig geworden in een bijna-ideaal huwelijk, met twee dochters en drie kleinkinderen. Maar nogmaals, het gaat mij om de mens. Verzet hij daadwerkelijk bakens om een goed en wellicht zelfs beter mens te worden? Ziet hij kans om op zijn eigen wijze tenminste “iets” bij te dragen aan een betere wereld? Hoogdravend, tezelfdertijd pessimistisch misschien, hoewel ik het zoveel mogelijk vermijd om een moralistische toon aan te slaan, zeker wanneer ‘het boze’, de kwaadaardigheid duidelijk te registreren is in het verhaal. Ook wij zoeken geheel op eigen wijze elke keer opnieuw naar een weg, waardoor onze leefgemeenschap –misschien niet beter– wel verdraaglijker wordt. We prutsen net zolang totdat we ‘het goede’ of het meest ideale hebben gevonden.

Je beschrijft je personages met veel detail. Ben jij zelf geïnteresseerd in de psyche en achtergronden van de mens in relatie met zijn karakter en handelen?

Deze vraag is min of meer al beantwoord in het voorgaande. Hoe men het ook wendt of keert; de vraag die als laatste onbeantwoord overblijft, is altijd: ‘Waarom?’ Jij en ik weten dat die zowel een filosofische als psychologische geladenheid kent, die –dat geef ik toe– niet altijd op een rationeel logische manier te beantwoorden is. De ontstane leemte is te wijten aan het feit dat we wetenschappelijk nog lang niet zover zijn om exact –zowel doelgericht als doelbewust– te weten komen, waar we aan toe zijn als de buurman een moord heeft gepleegd, of zijn oude vader met huid en haar heeft opgepeuzeld.

Het gedetailleerd beschrijven van de karakterologische eigenschappen van de personages (zoals m.n. Dostojewski dat al deed) biedt de lezer de gelegenheid om een concreet beeld voor ogen te krijgen van de betrokkene. Zo werd Raskolnikov de bijlmoordenaar van de woekeraarsters fysiek en psychologisch bijna tastbaar. We leven in een merkwaardige, niettemin fascinerende wereld, maar dat hoef ik jou niet te vertellen, lijkt me.

[Pas op: spoiler] Hoe het met Xiao Xie afloopt weet eenieder die het boek heeft gelezen. Waarom heb je daarvoor gekozen en niet voor een ‘happy end’?

Ik zal dat ‘happy end’ voor je schrijven, zodra ik wat meer tijd heb. Helaas, helaas, Kees, maar de snoeiharde waarheid is datgene wat ik op papier heb gezet. Ik heb de pech dat slechts een enkel manuscript van mijn hand door de harmonie, gelukzaligheid van het leven en ultieme schoonheid in sprankelend licht wordt verhelderd. Nee, serieus, ik heb me ook hier zoveel mogelijk gehouden aan de non-fictieve waarheid die ik voorhanden had.

De omslag van het boek is ontworpen door CROLO Designs, zit je daar zelf achter?

CROLO Designs: Clyde-ROël-LO a njoe Designs. Dat is het hele eiereneten: EIeren-ETen, als je begrijpt wat ik bedoel (…Zou Olivier B. Bommel zeggen.) Neemt niet weg dat ik voor de meer ingewikkelde ontwerpen, zeker computertechnisch, mij laat bijstaan door twee experts, die hun weerga niet kennen: meesters in hun discipline maar die de voorkeur geven aan de anonimiteit.

Kunnen we op romangebied binnenkort nog iets van je verwachten?

Jazeker, ik ben niet klein te krijgen. Vanmorgen nog inventariseerde ik de ‘concepten’ die voorradig zijn en waar ontegenzeggelijk van alles mee moet gebeuren. Het volgende manuscript is reeds in bewerking en ik hoop deo volente eind dit najaar al een behoorlijk eind te zijn opgeschoten.

Vragen: Kees de Kievid

Foto auteur: collectie Clyde Lo A Njoe

Lees hier de recensie van Het dossier van de drakendoder

 

 

 

Pin It

Laat een reactie achter

Voordat je een reactie kunt plaatsen dien je de volgende vraag te beantwoorden: *

Boek van de Week

Meesterlijk verhaal

Categorie: Boek van de week, Literatuur, Roman

Het smartlappenkwartier – Philip Snijder – Atlas Contact – 223 blz. Bij het lezen van Het smartlappenkwartier duik je terug naar het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Schrijver Philip Snijder is…

Boek van de week archief

21-september-2020 | Lees verder | Reageer!