De wording van een genie

Leonardo da Vinci – Walter Isaacson – vertaling: Rob de Ridder – Uitgeverij Unieboek / Het Spectrum – 622 blz.

De Amerikaanse journalist Walter Isaacson heeft een patent op het schrijven van biografieën van bekende personen die het label ‘geniaal’ opgeplakt krijgen. Van zijn hand verschenen eerder al levensbeschrijvingen over Albert Einstein, Steve Jobs en Benjamin Franklin. Nu gaat hij enkele eeuwen verder terug in de tijd met zijn publicatie over hét genie van de Renaissance: Leonardo da Vinci.

Van deze ‘homo universalis’ zijn in het verleden al zeer goede biografieën gepubliceerd. Vooral in de betere boekhandel vind je diverse werken die verschillende aspecten van het leven en werk van da Vinci uitpluizen en analyseren. Isaacson heeft voor zijn boek de moeite gedaan om de diverse plaatsen (Windsor Castle, Madrid, Parijs,…) te bezoeken waar de codexen zich bevinden met de originele aantekenbladen van da Vinci. Zo heeft hij in Venetië het blad met de beroemde Vitruviusman in zijn handen gehouden. Toch is zijn biografie voor het overgrote deel gebaseerd op de talrijke secundaire bronnen die hij overigens regelmatig citeert (o.a. Kenneth Clark).

Wie enigszins vertrouwd is met het leven en werk van da Vinci zal dan ook weinig nieuwe feiten lezen met uitzondering van enkele recente vondsten. In 2017 bijvoorbeeld ontdekte professor Martin Kemp van de Universiteit van Oxford in archieven, documenten die verband hielden met Caterina, de moeder van Leonardo. Interessant is verder dat Isaacson zijn eigen accenten legt. Zo benadrukt hij zeer sterk dat de sleutel van genialiteit het vermogen is om verbanden te leggen tussen verschillende disciplines zoals kunst, natuurwetenschappen, menswetenschappen en technologie.

Da Vinci kreeg zijn genialiteit niet op een schoteltje aangeboden. Hij had overigens nauwelijks school gelopen o.m. omwille van het feit dat hij een onwettig kind was. Hij kende geen Latijn – in die tijd toch de taal bij uitstek van geleerden – en worstelde gans zijn leven met zijn gebrekkige kennis van wiskunde. Maar zijn observatievermogen, zijn fantasie en zijn nieuwsgierigheid gekoppeld aan zijn vermogen om verbanden te leggen vormden de basis van zijn uitvindingen en werken. Bij da Vinci was er een sterke koppeling tussen wetenschap en kunst. Isaacson geeft een frappant voorbeeld in het werk Sint-Jerome (Sint-Hiëronymus) in de wildernis. Da Vinci had oorspronkelijk in 1480 de spier die loopt van het sleutelbeen langs de hals naar de schedel als een enkele baan geschilderd. Door zijn anatomisch werk zal da Vinci 30 jaar later echter ontdekken dat deze spier uit twee delen bestaat en hij past zijn kunstwerk aan.

Da Vinci was een perfectionist. Volgens Isaacson is dit een van de redenen waarom hij zo weinig kunstwerken heeft afgewerkt. Zo nam hij de Mona Lisa tot op het einde van zijn leven overal mee om er aan te werken. In zijn ogen kon alles beter en een schilderij was nooit af. Bij da Vinci vormde het bedenken van een bepaalde compositie of oplossing van een probleem de grootste uitdaging. Het louter uitvoeren was niet prikkelend genoeg en genoot zijn interesse niet meer. Volgens tijdsgenoten en latere biografen was da Vinci best wel een charmante en aardige man. Maar de eigenschap om niet alles af te werken waar hij aan begon was een grote bron van ergernis voor zijn opdrachtgevers. Ook da Vinci zelf leed onder zijn ziekelijke neiging tot perfectie.

Dit is ook een van de verklaringen waarom zijn carrière als zelfstandig kunstenaar in Florence maar een kort leven beschoren was. Hij solliciteert voor een vaste baan bij de toenmalige hertog van de stadstaat Milaan, Ludovico Sforza. In zijn brief pocht hij met zijn geheime kennis over oorlogswapens iets wat de oorlogszuchtige Milanese heerser als muziek in de oren klonk. Uiteindelijk zal Leonardo honderden schetsen en tekeningen maken van oorlogsmachines: reusachtige kruisbogen, wagens met grote zeisen, tanks, bombarden, katapulten,… Met uitzondering van het radslot (een mechanisme voor een handvuurwapen waarmee het kruit ontsteekt) is hiervan nooit iets gerealiseerd. Overigens zal Leonardo zich aan het Milanese hof vooral bezighouden met theatervoorstellingen o.m. met aspecten die we nu zouden klasseren onder de noemer ‘special effects’. Uiteindelijk krijgt hij een vaste baan bij de Sforza’s en begint met veel enthousiasme aan een reusachtig ruiterstandbeeld… dat hij nooit zal realiseren. Maar dit keer is het buiten zijn wil om: een oorlog breekt uit en het brons voor het standbeeld wordt gebruikt voor het gieten van kanonnen.

Isaacson houdt in zijn boek een chronologische lijn aan. Hij geeft telkens zeer goed aan wanneer een bepaald onderwerp of thema begint op te duiken in de aantekenboeken en weidt vervolgens hierover uit. De auteur besteedt ook heel veel aandacht aan de beschrijving van de kunstwerken die worden toegeschreven aan Leonardo of waaraan hij heeft meegewerkt. Heel aangenaam en handig zijn de talrijke kleurenillustraties die de tekst vergezellen. Soms zijn ze wel te klein afgedrukt zeker als de auteur details van tekeningen of schilderijen bespreekt. Achterin vinden we ook nog heel wat extra’s: een lijst met noten, illustratieverantwoording, bibliografie en register. Bovendien geeft de auteur ons als toegift nog twintig wijze lessen die hij heeft getrokken uit het leven van da Vinci.

Onwettig kind, homoseksueel, vegetariër, nooit kunnen stilzitten, perfectionist. Indien da Vinci in onze tijd had geleefd, kreeg hij ongetwijfeld vele labels opgeplakt. Isaacson benadrukt in deze vlot geschreven biografie dat da Vinci op de eerste plaats een mens was die heel hard heeft moeten werken om zijn status van genie te verwerven.

Kris Muylle

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Levensfasen, Freud en jodenhaat

Categorie: Boek van de week, Literatuur, Roman

De Weense sigarenboer – Robert Seethaler – vertaling Liesbeth van Nes – De Bezige Bij – 255 blz. De 17-jarige Franz Huchel ontwikkelt zich van adolescentie tot volwassenheid, dus kunnen we dit boek (als we…

Boek van de week archief

15-juli-2018 | Lees verder | Reageer!