Een late debutant

28-juni-2014 | Categorie: Interview

Clemens2Clemens van Brunschot werd in 1954 geboren in Waalwijk, volgde daar gymnasium β, studeerde sociologie in Tilburg. Hij trouwde in 1981, kreeg drie kinderen en heeft intussen drie kleinkinderen. Tegenwoordig woont hij in Eindhoven. Naast zijn schrijfwerk doet hij voor een grote bank in Amsterdam onderzoek naar kredietrisico. Van hem verschenen de volgende boeken bij Zilverspoor: Uit de duisternis neergedaald (2012), Een vloek uit Kyrgyzstan (2013), Wie noemde haar zwak? (2014). Clemens heeft een eigen website en je kunt hem volgen op twitter.

Uit wat voor gezin kom je? Werd er veel gelezen en wat las je zelf als kind?

Mijn vader was een hardwerkende kruidenier, mijn moeder kwam uit een bloemistengezin. Mijn oudste broer en ik lazen het meest, maar niet razend veel. Mijn interesse in taal en lezen werd bewust gewekt door mijn moeder, die bij het voorlezen altijd aanwees waar ze was. Wij keken dan over haar schouder mee. Er was een tijd dat ik Wipneus en Pim eng vond. Ik heb heel erg genoten van Beekman en Beekman (Toon Kortooms).

Hoe oud was je toen je je eerste gedichtje of verhaal schreef en waar ging het over?

Toen ik tien was, een verhaal over een schaatsongeluk, met als hoofdpersoon iemand die als bijnaam Druipkaars had en altijd verkouden was. Toen ik vijftien was, mijn eerste roman, een heel slechte detective, ‘De rechter wijsvinger’.

Je bent tamelijk laat gedebuteerd. Waarom niet eerder?

Ik heb het in 1983 geprobeerd met mijn derde boek, maar had te weinig levenservaring en te weinig schrijfvaardigheid om een goed boek te schrijven. Had ik maar in een vroeg stadium een goede schrijfcursus gevolgd! Ik heb schrijven geleerd door boeken te schrijven en het commentaar daarop te verwerken. Pas mijn achtste manuscript zou mijn debuutroman worden. Tussen het derde en het vierde manuscript zat – schrik niet – 22 jaar, omdat ik toen met heel andere dingen bezig was. Pas in 2005 begon ik echt serieus te schrijven en een leercurve te bestijgen. De eerste drie manuscripten heb ik ooit weggegooid, helaas.

Schrijven is niet je hoofdberoep, wat doe je voor de kost?

Ik werk – na omzwervingen in allerlei sectoren – sinds 1997 bij een grote bank in Amsterdam en doe daar statistisch onderzoek naar kredietrisico. Ik maak bijvoorbeeld modellen om te voorspellen wie er eerder dan een ander in problemen komt met zijn hypotheek. Creatief werk, maar dan van een heel andere orde.

Je schrijft graag over bovennatuurlijke dingen, zoals Egyptische godinnen en vreemde dromen in ‘Een vloek uit Kyrgystan’, en een religieuze sekte met alles wat daarbij hoort in ‘Wie noemde haar zwak?’. Waar komt je interesse hiervoor vandaan?

In mijn studententijd heb ik nogal wat psychische problemen gehad, waardoor ik heel anders aankeek tegen wat ‘werkelijkheid’ voor iets is. Dat is – veel later – een behoorlijke bron van inspiratie gebleken. Het ongewone sijpelt steeds mijn romans binnen. Wat misschien niet altijd handig is, maar wel bij me past.

Beide boeken hebben religie als rode draad. Waarom?

Het is hooguit één van de rode draden in deze boeken, een diepere laag. Je kunt het zien als een verbijzondering van wat ik zojuist zei. Is de werkelijkheid niet meer dan wat de stroomstootjes uit onze zintuigen in die van ons hersenen teweegbrengen, of is er ook iets, los van die stroomstootjes?

Je schrijft in ‘Een vloek uit Kyrgystan’ en ‘Wie noemde haar zwak?’ vanuit het perspectief van een vrouw. Waarom heb je hiervoor gekozen?

Een vrouw laat zich meer dan een man leiden door hoe dingen aanvoelen. Waardoor zij de dingen intenser kan beleven. Dat stimuleert me als schrijver. Daardoor kan ik er meer in leggen.

Hoeveel research moet je doen om te kunnen schrijven over het oude Egypte en het religieuze Texas?

Ik vind dat ik maar weinig geschreven heb over ‘het oude Egypte’. In Texas, vooral San Antonio, heb ik uitgebreid rondgekeken toen ik daar in 2008 een week doorbracht. Voor de rest heb ik dingen ingevuld vanuit internet, voor schrijvers een geweldige aanwinst. Maar dat was allemaal veel minder research dan voor mijn vierde boek, een spannende roman waarin Saddam Hoessein opgespoord moet worden. Maar dan een heel andere versie van het verhaal dan bekend is geworden. Dat nam een jaar aan voorbereiding.

Waarom heb je er in ‘Wie noemde haar zwak’ voor gekozen om de eerste hoofdstukken afwisselend vanuit Paula’s en Pascals perspectief te schrijven, om vervolgens alleen verder te gaan met Pascal? Waarom niet gelijk alleen vanuit hoofdpersoon Pascal?

Die laatste optie was de oorspronkelijk keuze. Pas in de latere versie heb ik het perspectief van Paula toegevoegd om de lezers beter duidelijk te kunnen maken waarom Paula bepaalde keuzes maakt. Op een gegeven moment valt Paula’s perspectief dan plotseling weg om de lezer volledig mee te kunnen nemen in de onzekerheid van de eigenlijk hoofdpersoon. In het allerlaatste hoofdstuk komt Paula’s perspectief terug om de eindjes bijeen te laten komen.

Hoe ga je te werk als schrijver? Heb je vaste werktijden? Plan je een boek van a tot z of blijft er ruimte voor spontane invallen?

Ik heb tot nu toe veel geschreven in de trein. Thuis ook veel ’s nachts. Het eerste wordt minder omdat ik vaker thuis kan werken, het tweede wordt minder omdat het roofbouw op je lichaam en slaapritme is. Nu is het vooral wachten tot zich een geschikt schrijfmoment aandient en intussen alvast aantekeningen maken. Ik ben nogal analytisch van aard en werk wel met een uitgedacht stramien. Maar ik stel me heel graag open voor spontane invallen, die desnoods de dingen behoorlijk om mogen gooien. Dat is het leukste aan schrijven: als het verhaal de schrijver meeneemt naar waar het wil gaan.

Wil je hier vijf titels noemen van boeken die indruk op je gemaakt hebben, met een kort uitleg.

Het zwarte licht van Harry Mulisch, omdat dit het eerste boek was dat me de diepte in trok. Ik moest het boek lezen op middelbare school.
Dzjamilja van Tsjingiz Ajtmatov omdat het net als mijn tweede boek in Kyrgyzstan speelt en zo’n beladen liefdesgeschiedenis is, gezien vanuit iemand die nauwelijks deelneemt aan het verhaal maar wel hevig betrokken is.
Over de liefde en andere duivels van Gabriel García Márquez omdat het zo’n rijkdom aan taal en beelden heeft.
De Meester van de Neerdaling van Hella Haasse om zijn ingehouden eenvoud en omdat het je in diepgaande verwarring achterlaat.
The tremor of forgery van Patricia Highsmith omdat de schrijfster je zó kan meeslepen in een boek met zo weinig plot.

Is er nog iets dat je graag kwijt wilt?

Schrijven is jezelf afhankelijk maken van grote uitslagen van je emotionele leven. Bij het schrijven, bij perikelen rond een uitgever, bij recensies, bij het al dan niet slagen van promotionele activiteiten. Verder is het zo dat het schrijven voor iemand met een gezinsleven, een volledige baan, het lezen, de research, de promotie enzovoort veel inspanning en tijd vraagt. Dat kost allemaal zoveel energie dat je die zorgvuldig moet kunnen onderhouden om niet ten onder te gaan. Beginnende schrijvers moeten dat niet onderschatten. Misschien is het maar goed dat ze dat wél doen, anders zouden er minder bevlogen boeken geschreven worden.

Vragen: Felice Beekhuis en Pieter Feller

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Zeemeerminnen in het achttiende-eeuwse London

Categorie: Boek van de week, Historische roman, Literatuur, Roman

De meermin en de courtisane – Imogen Hermes Gowan – vertaling: Carla Hazewindus en Anne Jongeling – Atlas Contact – 575 blz. Bij de eerste blik op de omslagillustratie, moest ik meteen denken aan het…

Boek van de week archief

9-februari-2019 | Lees verder | Reageer!