Griezelen en lachen om de familie Grafzerk

9-september-2017 | Categorie: Interview

Henk Hardeman is geboren op 22 oktober 1961 in Utrecht. Al vanaf heel jong verzint hij graag verhalen. “Verhalen bedenken is één ding, maar ze opschrijven is weer iets heel anders. Vaak is het moeilijk om een verhaal zo op papier te krijgen dat het leuk is om te lezen. En tegelijk is dat ook het spannende van schrijven. Want zodra je een verhaal begint op te schrijven, gaat het soms een heel andere kant op dan je van plan was. Zo kun je als schrijver zelf ook verrast worden door je boek. Als een verhaal je goed te pakken heeft, laat het je pas los als het klaar is.”

Zijn allereerste boek, Het zwarte vuur, verscheen in 1998. Henk houdt van spannende verhalen met humor, domme schurken, malle koningen en eigenzinnige helden. Die helden kunnen prinsessen zijn, maar ook scheepsjongens, stuntels, studiehoofden of doodgewone kinderen. Omdat hij niet van het schrijven kan leven, werkt hij ook voor een aantal uitgeverijen als redacteur. Dit doe hij al sinds hij Nederlands heeft gestudeerd in Utrecht. Hij is getrouwd met Nicki Bullinga, die ook jeugdboeken schrijft en heel mooie kunstwerkjes maakt. Samen hebben ze twee kinderen. En ook nog een rode kater, Coco, die hun huis bewaakt.

Je bent enig kind. Wat voor jeugd had je? Was je een buitenspeelkind of meer een boekenwurm?

Ik speelde veel buiten en was meestal degene die aangaf wat we gingen doen. Behalve wanneer er (oudere) meisjes bij waren, want die namen dan vaak de leiding over. Daarnaast kon ik me ook heel goed alleen vermaken. Ik maakte van alles van klei (plasticine heet dat geloof ik) , van poppetjes tot auto’s tot huizen, waarmee ik eigen verhalen bedacht of dingen naspeelde die ik gelezen had of gezien had op tv. Een boekenwurm was ik toen zeker niet: ik las vooral strips.

Het kan haast niet anders of je hield in je jeugd van lezen. Welke boeken en schrijvers waren favoriet?

Als kind las ik, afgezien van strips, de destijds (jaren zestig/zeventig) gebruikelijke dingen: Pinkeltje, de Kameleon, Pietje Bell, Tom Poes en dergelijke. Grote indruk maakte op mij Het geheimzinnige kasteel (Mary Fitt), een uit het Engels vertaald spannend verhaal over twee jongens die sprekend op elkaar lijken en gedwongen met elkaar van plaats wisselen. Geen literair hoogstandje, maar voor mij is dit echt een oerboek, en waarschijnlijk het begin van mijn levenslange fascinatie voor tweelingen en verwisselingen (zie bijvoorbeeld De prinses van Ploenk). Het enige ‘moderne’ boek wat ik als vroege tiener gelezen heb, was De koning van Katoren (Jan Terlouw). Jarenlang een grote favoriet, tot ik er veel later achter kwam dat het feitelijk het partijprogramma van D66 was en bovendien bol stond van oubollig taalgebruik. Dit laatste merkte ik pas toen ik het probeerde voor te lezen aan mijn zoon. Klassiekers van Paul Biegel, Tonke Dragt en anderen ben ik pas gaan lezen toen ik ruimschoots volwassen was.

Op de middelbare school moest je voor je lijst lezen. Deed je dat graag of moest je je soms door sommige boeken heen worstelen? Welke boeken zijn je uit die tijd bijgebleven?

Het is erg, maar ik kan me totaal niet meer herinneren wat ik voor mijn lijst heb gelezen, afgezien van Het bittere kruid (Marga Minco). Ik heb toen ook wel een beetje gesmokkeld, moet ik bekennen. Internet bestond toen (tweede helft jaren zeventig) nog lang niet, maar je had wel diverse uittrekselboeken. Wel ben ik in mijn middelbareschooltijd, toen ik niet meer zo veel omging met leeftijdgenoten, heel veel buiten de lijst om gaan lezen: Dickens, Tolkien, Agatha Christie, Reve, Campert, Hermans, Toonder. Kortom, van alles door elkaar. Ik had het geluk dat mijn ouders een zeer goed gevulde boekenkast hadden, wat overigens niet garandeert dat je kinderen grote lezers worden. De avonden (Gerard Reve) vind ik nog altijd een meesterwerk. Destijds moest ik er vooral erg om lachen, maar bij herlezing jaren later vielen me vooral de treurigheid en de verveling op. The Catcher in the Rye (Salinger), ook zo’n boek dat je later met heel andere ogen beziet. Nooit meer slapen, misschien wel het mooiste boek van Hermans. En nog veel meer, wat me nu niet te binnen wil schieten.

Tegenwoordig worden er minder eisen gesteld aan de boekenlijst dan vroeger. Vind je dat terecht?

Ik vind het jammer, omdat het voor veel kinderen de enige manier is om in contact te komen met de klassiekers, zij het dan ook tegen hun zin. Je moet een bepaalde culturele, literaire bodem hebben, waar je al dan niet op voort kunt bouwen. Aan de andere kant is het de vraag of kinderen in de puberleeftijd erg ontvankelijk zijn hiervoor en of een verplichte lijst (en verplicht bezoek aan theater e.d.) niet meer kwaads aanricht dan goeds. Ik denk dat ouders wat dit betreft een grotere invloed hebben dan de school, als ik denk aan het theater- en museumbezoek in mijn jeugd met mijn vader en moeder dat later zeker heeft doorgewerkt. Overigens kent elke generatie grote lezers, ongeacht de kwaliteit van het genoten onderwijs, en ze zullen altijd een minderheid blijven vormen. Zeker nu er zoveel meer is wat afleiding biedt. Wat dat betreft heb ik ook mijn twijfels over het nut van schrijversbezoeken aan scholen en bibliotheken. Dat ontaardt toch steeds meer in vermaak.

Waarom ben je Nederlands gaan studeren? Wilde je destijds al schrijver had je worden of heel andere plannen?

Omdat ik hield van lezen, waar de studie trouwens nauwelijks iets mee te maken bleek te hebben. Nederlands wilde toen heel erg bewijzen een serieuze studie te zijn en aapte exacte studies na, wat natuurlijk gedoemd was te mislukken. En ik wilde inderdaad schrijver worden (al vanaf mijn 12de), zoals bijna iedereen die Nederlands studeerde. Vrijwel niemand die ik toen heb leren kennen, is uiteindelijk schrijver geworden. Al zijn er wel een heleboel redacteur geworden bij grote uitgeverijen.

Vind je dat kinderschrijvers worden ondergewaardeerd? Schrijvers van boeken voor volwassenen kijken vaak neer op het vak, maar toch kunnen velen geen goed kinderboek schrijven. Is het schrijven van kinderboeken dus eigenlijk een vak apart?

Ik vind inderdaad wel dat ze worden ondergewaardeerd, uitgezonderd misschien de meer succesvolle collega’s. Als je alleen al ziet hoe je als jeugdboekenschrijver vaak wordt ontvangen (en betaald), dan verschilt dat enorm van de manier waarop romanschrijvers worden behandeld. Het idee is toch een beetje dat je zelf wel kinderlijk zult zijn als je kinderboeken schrijft. Wat flauwekul is, want veel jeugdboekenschrijvers, waaronder ikzelf, zijn helemaal niet van die grote kinderfans. Ik schrijf dit soort boeken omdat ik het leuk vind, punt uit. Het is een apart vak, dat zeker, en dat blijkt ook uit de pogingen van bekende Nederlanders en romanschrijvers die er ‘even’ een kinderboek naast doen. Zelden of nooit levert dat iets gedenkwaardigs op.

Je bent ook redacteur bij uitgeverijen, krijg je bij het lezen van al die manuscripten zelf niet ontzettend veel zin om meteen te gaan schrijven?

Nee, want mijn werk betreft meestal sciencefiction, fantasy of misdaadromans, en de laatste tijd vooral non-fictie. Niet echt genres waarvoor ik zelf enige ambitie koester. Wel word ik soms ongeduldig tijdens het vertalen of redigeren van andermans werk, omdat ik dan zelf graag weer aan de slag wil gaan.

Je echtgenote Nicki Bullinga is ook schrijfster van jeugdboeken. Lezen jullie als eerste elkaars werk? Trekken jullie de kritiek van elkaar aan?

Ik lees doorgaans wel Nicki’s werk en geef daar commentaar op. Als redacteur denk ik dat ik vrij goed andere genres kan beoordelen en redigeren, ook al verschillen die soms enorm van hoe ik iets zou doen. Nicki trekt zich wel iets van mijn op- en aanmerkingen aan als ze er iets in ziet. Meestal laat ik haar niet mijn eigen werk lezen. Ik laat niemand mijn werk lezen, uit vrees voor beïnvloeding en ook wel omdat ik eigenwijs ben waar het mijn eigen werk betreft. Eigenlijk luister ik alleen naar kritiek van mijn redacteur bij de uitgeverij.

Is De familie Grafzerk speciaal geschreven voor de Kinderboekenweek of stond een griezelboek al langer in de planning? Was het meteen de bedoeling dat het een serie zou gaan worden?

De familie Grafzerk was allang klaar toen het thema bekend werd. Martine Schaap, mijn uitgeefster, vroeg nog of ik de CPNB had ingestraald. Het was inderdaad meteen de bedoeling dat het een serie zou worden, zo heb ik het vanaf het begin opgezet en gepitcht. Er is stof voor een aantal delen. Dit in tegenstelling tot de vervolgen op De prinses van Ploenk, die kwamen pas veel later met soms jaren ertussen. Commercieel gezien niet zo handig.

Op je website sta je op de foto naast een grafhuisje. Kom je veel op kerkhoven en zijn ze een inspiratiebron voor De Familie Grafzerk?

Of ze een directe inspiratiebron waren, weet ik eigenlijk niet. Als kind bezocht ik met mijn ouders weleens kerkhoven in het buitenland. Ik was dan gefascineerd door de vervaagde fotootjes die vaak op de graven bevestigd waren, met name als het kinderportretjes waren. Dat zag je destijds zelden op Nederlandse begraafplaatsen, tegenwoordig iets meer. De foto dateert overigens uit 2015, toen ik met mijn ouders zo’n anderhalf uur heb rondgedwaald over Père-Lachaise, de grootste begraafplaats van Parijs, waar veel beroemdheden liggen. Boeiend al dat verval, en zelfs na je dood stopt het niet: ingevallen grafhuisjes, verbleekte linten en verkleurde plastic kransen. Het roept ook een fijn soort melancholie op, waarvoor ik als kind al gevoelig was.

De familie Grafzerk is duidelijk anders dan andere griezelboeken voor kinderen. De levende doden zijn eerder sympathiek dan eng, en het verhaal is niet luguber, zoals je wel zou kunnen verwachten bij zombieachtige wezens. Heb je daar bewust voor gekozen of kwam dat gaandeweg in je op?

Daar heb ik bewust voor gekozen. Mijn vorige boek, Spookschrijvers (gekozen als kerntitel voor deze Kinderboekenweek), was wel geschreven als rechttoe rechtaan griezelverhaal. De familie Grafzerk moest daarentegen een griezelverhaal worden waar je veel om kon lachen, hoewel er ook (voor de oplettende lezertjes) een verdrietige ondertoon in zit. Doden zijn ook maar mensen.

Is een thema benoemen voor de Kinderboekenweek wel zo goed? Elke keer krijg je een hausse aan boeken in het thema, waaronder veel matige boeken.

Dat vind ik inderdaad een bedenkelijk neveneffect. Anderzijds is het wel goed om een kapstok te hebben waar je zo’n week aan op kunt hangen, zodat elke Kinderboekenweek een eigen smoel heeft. Wat dat betreft vond ik dit thema geslaagder dan thema’s van voorgaande jaren: elk kind houdt van griezelen.

Hier mag je nog iets zeggen wat je graag kwijt wilt.

Ik word een beetje moe van de eeuwige discussie over ‘literaire’ versus ‘populaire’ kinderboeken. Laat iedereen vooral maken wat hij of zij zelf leuk vindt, zolang boeken maar niet louter en alleen gemaakt worden omdat er een markt voor zou zijn. Dat levert pas echte pulp op. Verder vind ik originaliteit belangrijk, maar niet ten koste van alles. Kunst om de kunst is aan mij niet besteed. Je moet er wel om kunnen lachen of huilen. Of allebei.

Vragen: Corine Gorter en Pieter Feller

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Klein literair juweel

Categorie: Boek van de week, Literatuur, Novelle

De zondagen van Jean Dézert – Jean de la Ville de Mirmont – Vertaling Mirjam de Veth – Uitgeverij Oevers -122 blz. De zondagen van Jean Dézert is een bijzondere novelle. Het verhaal is al…

Boek van de week archief

10-augustus-2020 | Lees verder | Reageer!