“Ik had een krokodil als huisdier”

5-oktober-2013 | Categorie: Interview

marlies-006Marlies Slegers (1965) is op een zolderkamertje in Breda geboren. Als kind al knipte, plakte en schreef ze eigen tijdschriften. Op haar achtste vertrok ze naar Indonesië met haar gezin, naar de stad Surabaya. Daar ging ze naar de Surabaya International School en zo ontstond haar interesse in andere culturen. De school hield echter op na de tenth grade en met nog twee jaar te gaan, mocht ze kiezen: internaat in Nederland of een gastgezin in Jakarta, op een uur vliegen van Surabaya. Op haar zestiende verhuisde ze van Surabaya naar Jakarta, waar ze na wat omzwervingen bij een gastgezin kwam te wonen.

In 1983 kwam ze terug naar Nederland, waar ze eerst nog een internationale school in Oegstgeest bezocht en daarna het vwo afmaakte in Breda. Na het behalen van haar diploma, met nog geen idee welke richting ze op wilde, schreef ze zich in voor een studie commerciële economie aan de HEAO Breda. Na het behalen van dat diploma, werkte ze in diverse marketingfuncties. In de avonduren schreef ze verhalen en zond deze in voor wedstrijden bij bladen als Cosmopolitan, Viva en Flair. Na het winnen van meerdere wedstrijden , schreef ze zich in bij Script+ in Amsterdam, om haar droom na te kunnen jagen: verhalen en boeken schrijven. Na vier jaar debuteerde ze met een kort verhaal in de bundel ‘De Berg’. Nadat bij haar oudste zoon, destijds zeven jaar, diabetes werd gediagnosticeerd, stortte ze zich op kinderboeken, met een enkel uitstapje naar volwassenen. Ze schrijft maandelijks columns en artikelen voor het blad Diabetes & Leven en blogt, twittert, Facebookt en Tumblrt dat het een lieve lust is. O ja, en ze schrijft nog steeds kinderboeken en doet heel af en toe nog mee aan verhalenwedstrijden.

Je woonde van je achtste tot je achttiende op Java. Wat deden je ouders daar? Ging je naar een internationale school?

Mijn vader werkte voor een Nederlands bedrijf en was al eerder uitgezonden. Vanaf mijn vierde was hij vaak maandenlang afwezig, en toen ik acht was, moest hij er voor een heel jaar heen. Wij zijn toen als gezin daarheen gegaan, aanvankelijk dus voor een jaar, maar dat werden er bijna tien. Mijn moeder was een typische expatvrouw, in die tijd werkte vaak maar een van beide partners in het buitenland, wat ook te maken heeft met werkvergunningen.
Ik ging in de eerste instantie naar een Nederlandse school. Daar was ik de enige in klas vier en ik deelde een lokaal met klas vijf (twee kinderen) en klas zes (één kind). De school was te klein, de sociale contacten te minimaal en uiteindelijk mocht ik, na een jaar, naar de internationale school, waar zo’n tweehonderdestig kinderen op zaten. Heerlijk, eindelijk weer grotere klassen met leeftijdsgenoten. Ik sprak geen woord Engels, de voertaal, maar dat kwam snel genoeg.

Werd er thuis veel gelezen en waren er genoeg boeken voor je voorhanden?

Mijn ouders lazen veel, vooral mijn moeder. Konsalik, Toon Kortooms, MacClean, le Carré, dat zijn namen die ik me herinner. We hadden in Indonesië een beperkte hoeveelheid boeken thuis, wat er was, was met een boot verscheept vanuit Nederland samen met onze andere spullen. Omdat er geen televisie was – althans, er was slechts één kanaal en dat zond vooral staatspropaganda uit – lazen we veel. Op de Internationale School hadden we gelukkig een (beperkte) Engelstalige bibliotheek, en ik las alles wat los en vast zat. Voorbij de kinderboeken (die ik al snel uit had) naar de biografieën en de volwassen literatuur als 1984 en Brave New World, die ik al rond mijn twaalfde allemaal gelezen had. Er was een Engelstalige boekhandel, en onderling leenden we veel boeken op school.

Verwerk je de dingen die je in jeugd meemaakte in je eigen verhalen?

Niet alles. Expat zijn is lastig, mooi en wonderlijk tegelijk. Het is lastig uitleggen aan mensen die niet weten hoe het is om in een ander land op te groeien – er is een term voor kinderen die opgroeien in het buitenland die alles wel dekt: third culture kids (TCK). Je hebt als het ware een derde cultuur die een unieke mix is van het land waar je geboren bent en alle landen waar je gewoond hebt. Al die culturen bepalen je wereldbeeld, je denkwijze. TCK begrijpen elkaar vrijwel direct, maar ondervinden in hun geboorteland vaak onbegrip over hoe ze leven/wonen/denken etc. Dat onbegrip ervoer ik vroeger al heel erg, het was moeilijk uitleggen aan mijn vriendinnen hier, dat we een chauffeur hadden en dat we overdag geholpen werden door kindermeisjes etc. Ik ben wel ooit van plan er een boek over te schrijven – de wereld is kleiner (of juist breder?) geworden door de komst van sociale media, waardoor er meer zicht is op andere landen en leefculturen. Dat maakt dat zo’n boek een keer voor de hand gaat liggen. Had ik het eerder geschreven, dan was het wellicht in de categorie “Indië boeken” gevallen, en dat zou het juist niet zijn.

Je eerste boek gaat over een kind met diabetes, gebaseerd op eigen ervaring. Kon je het makkelijk bij een uitgever onderbrengen?

Toen ik dat boek aan het schrijven was, en research deed, ontdekte ik dat er veel kinderen in Nederland diabetes hebben, en dat er weinig informatie voor ze was. Die informatie werd wel aan ouders gegeven, maar nauwelijks overgebracht via boeken aan de kinderen. Het was mijn eigen behoefte om voor mijn zoon inzichtelijk te maken wat die hele ingewikkelde ziekte nu precies behelsde. En als hij er gebaat bij zou zijn, dan misschien ook al die andere kinderen. Ik stapte met het idee voor dit boek niet naar een uitgever, maar naar de farmaceut die de insuline op de markt brengt. Dat was een hele goede stap, ze waren direct enthousiast. Het boek vindt daardoor ook direct zijn weg naar de kinderen, doordat het via de poliklinieken en de diabetesverpleegkundigen aan kinderen gegeven wordt wanneer ze de diagnose diabetes krijgen.

De Liv-serie gaat over een heerlijke puber. Heeft jouw eigen dochter model gestaan voor Liv?

Haha, ja! En al haar vriendinnen en klasgenoten. Ze zitten in een ongelooflijke dynamische fase van hun leven, maken van alles mee dat enorm uitvergroot wordt, zijn continu met elkaar verbonden via mobieltjes en sociale media en dat maakt ze tot een erg dankbare groep om over te mogen schrijven. Liv is een van mijn favoriete personages, ik herken veel in haar van meiden uit mijn omgeving.

Wat was er eerder, het hockey van de kinderen of je boeken over hockey?

Het hockey. En daarna ook weer door dezelfde observatie die ik bij Liv gebruik, de ideeën voor de boeken.

Heb je zelf gehockeyd?

Nee. In Indonesië bestond die sport eenvoudigweg niet. Nu heb ik drie kinderen die op hockey zitten en er fanatiek in zijn. Ikzelf zwom veel, voetbalde, basketbalde en volleyde, allemaal sporten die door de school werden georganiseerd na schooltijd.

Je hebt de handtekeningen van ons Nationale hockeyteam mogen ontvangen voor je boek. Hoe speciaal voelde dat als auteur en mochten de kinderen er bij zijn?

Helaas is dat minder spectaculair dan het lijkt. De uitgever had dat geregeld, ik heb het team zelf nooit ontmoet. Ik vind het wel bijzonder dat ze erin staan, en zeker ook het voorwoord van Maartje Paumen. Dat maakt dat het een boek is met net wat extra, zeker toen ze goud wonnen op de Olympisch Spelen!

Je hebt drie katten. Doen die op de een of andere manier ook mee in je verhalen?

Nee, die spelen niet echt een rol, ik heb wel als kind een krokodil gehad, daar moet ik nog eens over schrijven, want dat was wonderlijk. Een overtollige krokodil uit de dierentuin in Surabaya, die ons allemaal de stuipen op het lijf joeg.

Schrijf je, naast kinderverhalen, ook voor volwassenen?

Ik begon ooit met schrijven voor volwassenen. Voor kinderen schrijven kwam nooit in me op. De achternicht van mijn man is kinderboekenschrijfster, Geertje Gort. Dat fascineerde me wel, maar ik dacht altijd dat ik gewoon zou schrijven voor volwassenen. Dat konden trouwens ook filmscenario’s zijn, dat leek me ook wel wat. Als kind – toen ik zo’n beetje alles gelezen had – schreef ik al voor volwassenen (althans, dat dacht ik graag). Gedichten, thrillers, zelfs erotische verhaaltjes. Dat schrijven startte toen ik naar Indonesië verhuisde met een dagboek. Al die jaren, heb ik dagboeken geschreven en er later fictie aan toegevoegd. Zes jaar nadat ik terug was in Nederland, zag ik een wedstrijd verhalen schrijven van het blad Cosmopolitan. Waarom niet, dacht ik en ik schreef een verhaal, dat gepubliceerd werd. Het jaar daarop weer en het daarop volgende jaar won ik er zelfs de hoofdprijs mee, een reis naar San Francisco. In diezelfde maand (hoogzwanger) won ik ook de eerste prijs bij het blad Viva met een kort erotisch verhaal. Allemaal niet echt voor kinderen dus. Vier jaar lang ging ik daarna naar Script+, waar ik masterclasses thrillers schrijven en verhalen schrijven volgde. Na vier jaar was ik, zoals de docente zei ‘klaar voor het schrijfwerk. Jij komt er wel.’ Ik schreef een roman, en nog voordat ik deze naar een uitgever kon sturen, kreeg mijn oudste opeens diabetes en stond alles op zijn kop. De rest is geschiedenis: ik schreef twee kinderboeken over diabetes, besloot dat ik me voorlopig op kinderen zou richten zou richten en stuurde een kort mailtje met een kleine synopsis naar alle uitgevers die ik kon vinden. Binnen een week belde Kluitman en was het beklonken dat ik kinderboeken zou schrijven. Inmiddels schrijf ik ook voor Moon Uitgevers. Ik heb wel vorig jaar nog een uitstap naar volwassenen gemaakt met Soci@l Kids – een boek over wat kinderen allemaal op sociale media doen en hoe je ze als ouder kunt begeleiden. En ja, in de toekomst hoop ik weer een keer terug te keren bij waar het ooit begon: schrijven voor volwassenen, maar vooralsnog vind ik het jeugdboek geweldig om te mogen schrijven. En ben ik daar hoop ik, nog lang niet klaar mee.

Heb je vaste werktijden waarbij je niet gestoord wilt worden of schrijf je tussen de bedrijven door?

Ja, ik heb door ervaring geleerd dat ik gestructureerd moet zijn. Iedereen het huis uit, naar school en werk en dan kan ik schrijven. Dat moet ook iedere dag vanaf tien uur, anders zit mijn hoofd alweer te vol met andere, dagelijkse zaken om nog volledig in het verhaal op te kunnen. Dus eerst even koffie drinken bij een vriendin, dat gaat niet als ik echt wil schrijven en dat snapt niet iedereen .

Wat zijn je favoriete boeken?

Zonder twijfel Extreem Luid en Ongelooflijk Dichtbij van Safran Foer, op de eerste plaats. De hele gebeurtenis 9/11 maakte een onwaarschijnlijke indruk op me. Dat zoiets kon gebeuren, dat er mensen waren die dit konden bedenken en plannen. De beelden van mensen die in hun wanhoop uit de torens sprongen, de wetenschap dat er in die torens een kantoor zat van een goede vriend uit Indonesië, de angst van de mensen die in de vliegtuigen hebben gezeten – ik kon er niet van los komen. Het boek van Foer vond ik moedig. Het jongetje dat op zoek gaat naar antwoorden, dat probeert te verwerken wat er die dag gebeurd is, dat niet kan en wil praten over hoe hij zijn vaders laatste woorden op een antwoordapparaat hoorde. Ik heb echt gehuild, bij dat boek. En dan de onwaarschijnlijk mooie layout, binnen in. De wirwar in het hoofd van het jongetje werd zo goed verbeeld. Prachtig boek!

2. De Stad Der Blinden van Saramago. Wat een prachtig verhaal, rauw en gevoelig, over het dunne laagje beschaving dat over mensen ligt. Lange zinnen, weinig interpunctie, echt een boek waar je als lezer moeite voor moet doen met een fantastisch gegeven: wat als iedereen opeens blind zou worden?

3. Room van Emma Donoghue. Ook weer zo’n onwezenlijk mooi verhaal, ik vind het bijzonder knap hoe Donoghue in het hoofd van een klein jongetje kruipt dat zijn leven lang opgesloten heeft gezeten. Dit soort verhalen bestaan echt, dat maakt ze nog heftiger, dat je weet dat er overal in de wereld ‘rooms’ zijn, waar kinderen in opgroeien, die in gevangenschap wonen. Zeer knap hoe je in de huid van zo’n jongetje kunt kruipen als auteur.

4. Alles van Roald Dahl. Wat een heerlijke fantasie, met personages die ook fijne valse trekjes hebben. Een boek met vooral alleen ‘good guys’ is echt te saai, maar soms onvermijdelijk. De antagonisten van Dahl zijn, denk ik, voor kinderen ook heerlijk om hun eigen vijanden op te kunnen projecteren.

5. Ruimte voor vrouwen van Marilyn French. Ik was geloof ik negentien toen ik het las, net terug in Nederland. Wat een boek! Het opende mijn ogen over de positie van de vrouw in de westerse wereld, waar ik tot dat moment nooit echt over had nagedacht. Sinds haar boeken ben ik feller, heb ik het feminisme ontdekt, want ondanks het beeld dat mensen hebben van islamitische landen en de vrouwpositie daar, vond ik juist hier in het westen dat er minder gelijkheid was. In Aziatische landen (Pakistan, Filippijnen) waren al lang vrouwen aan de toppositie, voordat we dat hier hadden. French stelt de (on)gelijkheid van vrouwen erg goed aan de kaak. Ik hoop dat mijn dochter Ruimte voor vrouwen een keer zelf gaat lezen!

6. Een kleine geschiedenis van bijna alles – van Bill Bryson: ik vind het knap hoe je, vanuit je eigen nieuwsgierigheid, de wereld wil trachten te verklaren en daar nog een flinke dosis droge humor over heen kunt strooien. Bryson maakte een hoop duidelijk, ik ben zelf ook erg nieuwsgierig en vond zijn boek zo bijzonder dat ik het in drie uitgaven kocht: een kindereditie voor mijn oudste zoon en een geïllustreerde editie voor mijn man. De Engelse versie had ik zelf al. Ik lees veel in het Engels, zo hou ik de taal ook een beetje bij.

Vragen van Kirstin Rozema en Pieter Feller

Marlies heeft uiteraard een eigen website, ze twittert en was ook al op de televisie.

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Nederlands grootste vissersdorp gefileerd

Categorie: Boek van de week, Mens & Maatschappij, Non-fictie, Religie

De ontdekking van Urk – Matthias M.R. Declercq – Podium – 326 blz. Bij de naam “Urk” zal iedere Nederlander wel denken aan vis, kotters, gelovig, kerken en een aantal zal wellicht ook denken aan…

Boek van de week archief

25-november-2020 | Lees verder | Reageer!