“Het enige dat de honger tot vermaak stilt, is meer vermaak”

24-januari-2015 | Categorie: Interview

Lodewijk van Oord (Madrid, 1977) woont al het grootste deel van zijn leven in het buitenland. Na zijn studies in Leiden en Utrecht doceerde hij in een twaalfde-eeuws kasteel op de kliffen van Wales. Hij debuteerde met gedichten in De Revisor en publiceerde verhalen, essays en opiniestukken in dagbladen en literaire tijdschriften. Zijn bijdragen werden meermaals genomineerd voor literaire prijzen. Voor het verhaal Thesmophoria won hij de Nieuw Proza Prijs 2011. In 2010 verruilde Van Oord het kasteel in Wales voor de heuvels van Swaziland, waar hij onderwijsdirecteur werd aan de Waterford Kamhlaba school. Sinds 2014 woont en werkt hij in het Italiaanse dorpje Duino, nabij Triëst. Zijn debuutroman is Albrecht en wij over een dierentuin in Amsterdam en Albrecht, een van de laatste neushoorns.

Wat zijn jouw drijfveren om te schrijven?

Wat ik de afgelopen jaren al schrijvende ontdekt heb, en voor mij was dat een echte openbaring, is dat fictie het mogelijk maakt onze neiging te oordelen lange tijd uit te stellen, zelfs op te schorten. We kunnen door middel van het verhaal gesprekken voeren die we anders nooit zouden voeren, ons gedetailleerd inleven in mensen en wereldbeelden die anders op afstand blijven. Fictie staat ons toe de tijd te nemen alle dimensies van een wereldbeeld te verkennen, tijd die we in het dagelijks leven vaak niet bereid zijn te nemen. Literatuur is daarmee niet alleen een kunstvorm, maar ook een manier om in te breken in het publieke domein. We kunnen de tijd stilzetten en honderden pagina’s lang onszelf analyseren, aan de hand van fictieve personages die alleen in het verhaal bestaan.

Welke schrijvers zijn je grote voorbeelden?

In de lage landen is Lucebert de grootste, hij is de neushoorn van de moderne Nederlandse literatuur. Verder zijn er erg veel schrijvers die ik graag en veel lees maar waarvan ik niet weet of en hoe het voorbeelden zijn: Joyce en Beckett, Jose Saramago, Italo Calvino, J. M. Coetzee, Flannery O’Connor.

Je romandebuut, Albrecht en wij, gaat over een dierentuin – in dit geval de Amsterdamse – die probeert meer bezoekers te trekken door hen veel sterker dan voorheen een ‘experience’ aan te bieden. Wat heeft je doen besluiten dit thema te kiezen, is het iets wat je al langer bezighoudt?

De dierentuin leek me een mooie arena om personages in rond te laten lopen. Het is het ideale podium waarop vragen over echt en onecht, cultuur en natuur, mens en dier goed kunnen worden uitgespeeld. Het idee dat elke actie of handeling een ervaring of belevenis moet worden, die alle zintuigen en emoties beroert, is echt een kenmerk van onze tijd, waarvan ik de reikwijdte graag eens wilde onderzoeken. Aan de hand van een uitstervend dier kon ik dat thema in de dierentuin uitwerken. De andere thema’s, zoals het vermarkten van de natuur en de alomtegenwoordigheid van de media, zijn al schrijvend ontstaan.

Je woont al lange tijd niet meer in Nederland. Waarom heb je toch voor een Nederlandse setting gekozen? Was een andere setting – London, Parijs – niet commercieel aantrekkelijker geweest – i.v.m. eventuele vertalingen?

Dat laatste lijkt me een misvatting. Literatuur wordt vertaald als het een zeggingskracht blijkt te hebben die ook buiten het eigen taalgebied begrepen en gewaardeerd kan worden. Dat soort universaliteit heeft met de setting of locatie van het verhaal weinig te maken. De in het buitenland meest succesvolle Nederlandstalige romans zijn in heel veel opzichten vaak oer-Hollands. Maar deze argumenten speelden in mijn overwegingen echt geen enkele rol. Ik wist toen ik Albrecht en wij schreef niet eens of het wel in Nederland uitgegeven zou worden, de luxe om me al met commerciële strategieën vanwege eventuele vertalingen bezit te houden had ik dus niet. Ik denk ook niet dat ik ooit zo te werk zal gaan.
Het idee voor Albrecht en wij kreeg ik tijdens een bezoek aan Central Park Zoo, dus in eerste instantie dacht ik dat het zich in New York zou afspelen. Maar dat duurde niet lang, zodra ik begon te schrijven verhuisde ik de personages naar Nederland. Het boek gaat tenslotte ook over taal en verschillende vormen van taalgebruik, en dat verhaal kon ik het beste in Nederland situeren, met personages die het Nederlands op verschillende manieren gebruiken. De openingszin van het boek was ook de eerste zin die ik schreef – en daar bevinden we ons al in de Amsterdamse dierentuin.

De drie hoofdpersonen in het boek – de directeur, de biologe en de voorzitter van het bestuur – vertolken ieder een standpunt met betrekking tot de rol van een dierentuin. De directeur is een man met een missie, hij wil vanuit de inhoud commercie bedrijven. De biologe probeert daar grenzen aan te stellen. De voorzitter probeert (tevergeefs) te polderen. Heb je over de zin van een dierentuin een uitgesproken mening en zo ja, welke?

Ik heb altijd met plezier in dierentuinen rondgewandeld, vooral in die oude stadsdierentuinen, maar begrijp tegelijkertijd goed waarom ze langzaam onderwerp van discussie worden. De argumenten vóór dierentuinen zijn niet zo sterk, de argumenten tégen vaak iets te fanatiek. Mijn eigen opvatting fluctueert, zoals bij de meeste onderwerpen. Er zijn niet veel onderwerpen waarover ik hele scherpe, onveranderlijke opvattingen heb. Mijn eigen mening gaat me al snel vervelen. Het schipperen van voorzitter Frank Rida is zo gek nog niet, en voor een schrijver wellicht de enige optie.

De titel van het laatste hoofdstuk is ‘Brood en spelen’. Die term wordt vaak gehanteerd in de betekenis van ‘Geef het volk wat het wil’. Is dat nodig of juist niet?

Het is een uitspraak die al bij de Romeinen een sarcastische betekenis kende. De dichter Juvenalis gebruikte de frase om aan te geven dat machthebbers, in zijn tijd waren dat de Keizers, hun gang kunnen gaan zolang ze het volk maar voeden en vermaken. In Albrecht en wij is die macht in handen van de markt, de commercie en de media. Wat mij interesseert is dat de grenzen van het populaire vermaak steeds verder worden opgerekt, en ook steeds effectiever te gelde kunnen worden gemaakt. Het verlangen vermaakt te worden werkt verslavend. Het enige dat de honger tot vermaak stilt, is meer vermaak.

De neushoorn Albrecht wordt in het boek op spectaculaire wijze ingevlogen in Amsterdam, ondersteboven aan een helikopter hangend. Die scène deed mij denken aan Fellini’s film La Dolce Vita, waarin een reusachtig Jezusbeeld op dezelfde wijze over Rome naar het Vaticaan wordt gevlogen. In de film heeft die scène een duidelijke betekenis. Is dat beeld een bewuste ontlening en heeft het voor het boek een bepaalde betekenis?

De helikopterscènes zijn in eerste instantie gebaseerd op de échte beelden van een neushoorn onder een helikopter, die ik in Zuid-Afrika op televisie zag. Dit soort beelden zijn zo iconisch en grotesk dat het bijna onmogelijk is ze niet als metafoor of parabel te duiden. In cinema wordt de betekenis van een symbool vaak vrij expliciet uitgelegd, terwijl het in een roman mogelijk is meerdere interpretaties naast elkaar te laten bestaan. Maar het vliegende Christusbeeld van Fellini kende ik, en de associatie met mijn roman lijkt mij evident. Albrecht en wij draait tenslotte om een offer, en Albrecht is de gehangene.

Je hebt eerder gedichten en korte verhalen geschreven. Albrecht en wij is je eerste werk van langere adem. Hoe heb je het werken aan deze roman ervaren? Hoe ben je te werk gegaan?

Vanaf het moment dat ik een jaar of vijftien geleden begon te schrijven heb ik ook aan langere stukken gewerkt, maar de kortere bijdragen kreeg ik gemakkelijker gepubliceerd in verschillende literaire tijdschriften. Met een aantal ingrediënten voor Albrecht en wij loop ik al een jaar of tien rond. Het schrijven duurde ruim twee jaar, elke avond op de bank of in de hangmat in Swaziland, waar ik destijds woonde. Van alle literaire vormen vind ik de roman op dit moment het boeiendst, omdat het kansen biedt een onderwerp meerstemmig en diepgravend te benaderen. Met toneel kan dat ook, terwijl dat in korte verhalen of met gedichten veel moeilijker is. Voor het soort verhalen dat ik graag wil vertellen, heb ik dan ook de lange baan nodig.

Heb je al plannen voor een volgende roman? Kun je er iets over loslaten?

Voorlopig even geen neushoorns meer, dat beloof ik. Het volgende verhaal draait om de vraag hoe we zaken waar geen economische vraag naar is toch op waarde kunnen schatten. In dit geval gaat het om cultureel erfgoed en de grensvervaging tussen origineel en kopie. Het speelt zich af aan de Leidse grachten en in de kroegen en bibliotheken waar ik zelf mijn studententijd doorbracht.

Welke boeken neem je sowieso mee als je naar een onbewoond eiland wordt verbannen? Waarom deze?

Ik zou kiezen voor een stapel klassieke toneelwerken: de verzamelde Shakespeare, de scheppingstrilogie van Vondel, tragedies van Sofokles. Daarmee heb ik alle thema’s uit de wereldliteratuur bij de hand. In plaats van die werken te lezen zou ik op mijn eiland een klein podium bouwen en de teksten uit mijn hoofd leren en naspelen. Ik ben geen acteur, maar als niemand het ziet is dat niet erg. Zo is die gedwongen ballingschap wel een jaartje vol te houden. Daarna ga ik me vast vervelen, en zal ik amnestie aanvragen om terug te keren naar de bewoonde wereld.

Vragen: Peter van der Ploeg en Pieter Feller

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Nederlands grootste vissersdorp gefileerd

Categorie: Boek van de week, Mens & Maatschappij, Non-fictie, Religie

De ontdekking van Urk – Matthias M.R. Declercq – Podium – 326 blz. Bij de naam “Urk” zal iedere Nederlander wel denken aan vis, kotters, gelovig, kerken en een aantal zal wellicht ook denken aan…

Boek van de week archief

25-november-2020 | Lees verder | Reageer!