Hoe krijgt een thriller meerwaarde?

3-maart-2019 | Categorie: Interview

Kom je net terug van een tripje naar Berlijn, zie je dat bij Aspekt het vierde deel, Geest & beest, in de reeks Berlijnse thrillers van Marianne Vogel is verschenen. In het boek vond ik veel terug van wat ik pas had gezien. Maar ook de rest van het boek intrigeerde mij enorm. Ik bleef zitten met dingen waar ik meer van wilde weten. Ook van de schrijfster zelf. Als je antwoorden zoekt, moet je vragen stellen. Marianne Vogel was van harte bereid ze te beantwoorden.                                          

Marianne Vogel (Rotterdam, 1958) schrijft literaire thrillers die in Berlijn spelen. Naast haar auteurschap coacht ze mensen bij stress en burn-out. Marianne was na haar studies Duits en filosofie leider van het lectoraat Nederlands in Freiburg, literair vertaler, essayist, tijdschriftredacteur en docent Duitslandstudies in Groningen. Van haar hand verschenen tot nu toe: Gedeelde stad, geheelde stad (2012), In de schaduw van Marlène Dietrich (2014), Communistengoud en kerstengelen (2016) en Geest & beest (2018).

Je voorliefde voor detectives of thrillers, die je vroeger veel las, en steden is bekend. Maar dat geldt voor meer mensen die er niet toe gekomen zijn ze zelf te schrijven. Waarom jij wel?

Grappig genoeg stamt het idee om thrillers te gaan schrijven niet van mijzelf. Het woord “detectives” gebruik ik trouwens alleen maar omdat veel mensen bij “thrillers” nog steeds denken aan bloederige scènes en figuren die je met een bijl achterna zitten. Dus niet omdat ik van ouderwetse detectives à la Christie houd.
Het kwam allemaal doordat ik in 2003 met mijn man en onze beste vriend op vakantie was in Praag. Mijn toenmalige baan stagneerde vanwege allerlei bezuinigingen, dus als tegenhanger zocht ik een nieuwe impuls. Die twee zeiden toen: waarom ga je geen literaire thrillers schrijven? Je leest ze, je bekijkt ze op de tv, je hebt er altijd commentaar op… Eerst vond ik het een absurd idee. Dat kan ik niet, dacht ik. Maar toch begon er iets te werken in mijn brein. En toen we uit Praag vertrokken was mijn eerste plot rond.

Maar je eerste literaire thriller is pas in 2012 gepubliceerd. Waarom?

Tja, ik had leerjaren nodig. Er wordt vaak gezegd dat je na tienduizend werkuren ergens bekwaam in bent. Dat klopt in mijn geval. Als vingeroefening heb ik twee complete thrillers geschreven, waarvoor ik feedback aan schrijvers en journalisten heb gevraagd. Zo heb ik gaandeweg mijn eigen stijl ontwikkeld. Mijn tweede thriller had ik al aan alle Nederlandstalige uitgeverijen gestuurd die qua fonds in aanmerking kwamen, maar niemand wilde hem hebben. Mijn derde thriller, die weer een stuk beter was, stuurde ik opnieuw rond en die is toen vrij snel door uitgeverij Aspekt aangenomen. Dat was “Gedeelde stad, geheelde stad”. De uitgever zag mijn Berlijnthrillers helemaal zitten, waar ik natuurlijk enorm gelukkig mee was. Ik word ook heel fijn door de redactie en de vormgevers begeleid.

Je noemt jouw boeken “veellagig”. Wat bedoel je daar precies mee?

Veel thrillers zijn een whodonit, waarbij wel de psychologie van de personages een mooie rol speelt, maar het weinig uitmaakt waar of in welke tijd de plot is gesitueerd. Dat vind ik een gemiste kans. In mijn ogen krijgen thrillers een echte meerwaarde als de plot ingebed is in een cultuur en specifieke problemen daarvan. Dat maakt het geheel rijker, waardoor je het boek op meerdere niveaus tegelijk kunt lezen. Zelf lees ik ook het liefst zulke thrillers.

Noem eens een paar voorbeelden.

De boeken van Dan Brown bijvoorbeeld. Veel mensen vinden zijn plots onwaarschijnlijk, maar dat stoort mij absoluut niet, ik vind het fantastisch hoe Brown met zoveel verve oude Italiaanse kunst en cultuur verwerkt. Of Donna Leon, die meeslepend schrijft over de typische couleur locale van Venetië en de problemen van die stad. Ik houd ook erg van Martin Walker. Vooral in zijn vroege boeken heeft Walker subtiel uitgewerkte plots waarin de cultuur van de Périgord – truffels, druivenstokken, prehistorische rotstekeningen – perfect tot leven komt. En het Franse eten en de wijn, niet te vergeten, Walker heeft een commissaris gecreëerd die van koken houdt. Prachtig vind ik zoiets. Ook bijvoorbeeld “Nachtvlucht” van Anita Terpstra vind ik enorm geslaagd, omdat zij in die thriller het Friese platteland en allerlei dorpse gewoontes verbeeldt. Schijnbaar eenvoudig, maar heel indringend.

Waarom heb jij Berlijn als zwaartepunt gekozen?

Ik leerde Berlijn kennen toen ik er na mijn schooltijd een half jaar als au-pair werkte. Dat was midden in de Koude Oorlog. Die sfeer en het contrast tussen West- en Oost-Berlijn sloegen bij mij in als een bom. Tussen mijn werk door, in een ongelofelijk leuk gezin trouwens, heb ik alle hoeken van de stad afgelopen. Ook de geschiedenis van Duitsland, waar de gedeelde stad uit voortgevloeid is, fascineerde me. Die is dramatisch, vol heftige ups en downs – heel anders dan de Nederlandse. Berlijn was voor mij de Europese geschiedenis in een notendop, en dat heeft me nooit meer losgelaten.
Daardoor zijn die stad en de Duitse cultuur zoveel jaren later mijn “niche” geworden – als thrillerauteur moet ik daarover schrijven. Bij Parijs heb ik die drang niet, al was ik daar zelfs anderhalf jaar au-pair voordat ik naar Berlijn ging. Ik kom nog altijd graag in Parijs, maar ik ben er nooit zo intens door geraakt als door Berlijn.

Geest & beest is een prachtige en intrigerende roman die de bezienswaardigheden, geluiden en sfeer van Berlijn en specifiek de Joodse wijk levend heeft gemaakt voor mij. Wat trok je naar die plek in die periode?

Eigenlijk vond ik het onderwerp Tweede Wereldoorlog altijd nogal uitgekauwd. Maar toen ik na drie Berlijnthrillers nadacht over mijn vierde, zei mijn buikgevoel me dat die over de oorlog moest gaan. Soms is de tijd ineens rijp voor iets. Toen ben ik in de Joodse wijk gaan kijken, me afvragend wat voor personages hier zouden kunnen wonen en wat zij met de oorlog te maken zouden kunnen hebben.
Ik wilde deze thriller net als mijn eerdere boeken in het heden laten spelen, maar de plot heeft zijn wortels in het verleden. In dit geval moesten die in de Tweede Wereldoorlog liggen. En toen zag ik een huisdeur in het midden van de Sophienstrasse, met een rozenstok ernaast, en ik wist dat daar mijn hoofdpersoon achter woonde. Sigrid, de dochter van een SS-officier.

Dus er zijn specifieke plaatsen of gebeurtenissen die jou inspireren?

Ja, het is een combinatie. Al mijn Berlijnthrillers hebben een eigen plek in de stad. Gedeelde stad, geheelde stad bijvoorbeeld kan voor mij nergens anders spelen dan in de wijk Prenzlauer Berg. Dat boek gaat over de Oost-Duitsers als de verliezers van de hereniging, en waarom dat tot op heden een trauma is. Prenzlauer Berg is dè wijk waar de ossi’s verdrongen zijn door de wessi’s. Dus toen ik daar liep, zag ik al gauw waar mijn hoofdpersonen wilden wonen of werken. Zij geven dat als het ware zelf aan.
Bij Geest & beest moest het de Joodse wijk zijn – het Scheunenviertel, zoals de Berlijners zeggen. Daar wonen Sigrid en haar twee broers, omdat ze alle drie vastzitten aan het oorlogsverleden van hun vader, of ze hem nu verdedigen of afkeuren. Ik was bijvoorbeeld ook gefascineerd door het monument Das verlassene Zimmer. Een stuk parketvloer, met daarop een tafel en twee lege stoelen, allemaal in brons gegoten. Eén van die stoelen is omgevallen, alsof de bewoners zojuist weggerukt zijn uit die kamer. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden – die plek moest in mijn boek.

Hoe zit het met mensen? Zijn ze meestal gebaseerd op echte mensen, zoals Hans Schneider/Schwerte, die je ontdekt hebt tijdens je onderzoek?

Mijn hoofdpersonages vaak wel, ja. Niet één op één, maar iets in hun ervaringen gebruik ik. SS-officier Hans Schneider, die na de oorlog zijn identiteit en levensloop veranderde in Hans Schwerte, was inderdaad zo iemand. Hij was een doorgewinterde nazi die zich daarna transformeerde tot een progressieve germanist. In openbare debatten pleitte hij ervoor dat Duitsland schuld moest bekennen en de verantwoordelijkheid voor de miljoenen vermoorde mensen op zich moest nemen. Maar tegelijkertijd heeft hij altijd geheimgehouden dat hij zelf bij de SS had gezeten – tot nota bene ons eigen Brandpunt dat in 1995 onthulde. Nou, voer voor psychologen dus.

In je verantwoording geef je onder meer aan op welke personen je verhaalfiguren zijn gebaseerd. Waarom gebruik je niet echte namen in je boek?

Ik wil de vrijheid hebben om een bestaande persoon in te passen in mijn plot en thematiek. Sommige kanten van Schneider/Schwerte heb ik vereenvoudigd, omdat de rest er niet toe deed. Soms maak ik personen ook zwarter dan ze wellicht zijn. In Communistengoud en kerstengelen bijvoorbeeld is politicus Jens Jonderko een ontzettend foute man. Dat is hij in werkelijkheid ook, vermoed ik, maar als ik hem had opgevoerd onder zijn echte naam had ik een proces aan mijn broek kunnen krijgen, want hij is tevens advocaat en staat erom bekend dat hij overal bovenop springt.
Toch gebruik ik niet altijd andere namen. Bij In de schaduw van Marlene Dietrich heb ik gewoon Dietrichs naam aangehouden. Dietrich heeft zo’n geweldige allure dat ik het niet over mijn hart kon verkrijgen haar te verstoppen onder een onbekende noemer.

Had Geest & beest ook zomaar een non-fictionele biografie van Hans Schneider/Schwerte geworden kunnen zijn (eventueel aangevuld met vergelijkbare gevallen)?

Nee, zeker niet. Wat ik juist zo spannend vind is het ontwikkelen van een plot. In dit geval vroeg ik me af hoe de drie kinderen van Schneider/Schwerte tegen hun gestorven vader aankijken, hoe hij hun leven heeft beïnvloed en wat ze daardoor gaan doen in tijden van crisis. En hoe andere mensen dan weer op deze nakomelingen van een dader reageren. Een dergelijke problematiek kennen we ook in Nederland, denk aan de kinderen en kleinkinderen van NSB’ers. Het zorgt nog altijd voor veel vooroordelen en veel makkelijke verontwaardiging over deze groep. Ik ken kleinkinderen van NSB’ers die zich gedwongen voelen dat feit te verheimelijken, zelfs voor goede vrienden, omdat ze de ervaring hebben dat zo’n vriendschap anders ten einde is. Dat is tragisch.

Bedoel je dat je je ook in actuele debatten wilt mengen?

Ja, al mijn boeken hebben een actuele component. In Geest & beest wilde ik daarom niet over oorlogsslachtoffers schrijven. Met slachtoffers kun je heerlijk meeleven, dat vraagt geen reflectie van jou als lezer. Maar daders zijn in principe geen sympathieke personages, ze roepen onbehagen op, verontrusting. Ik wilde mijn lezers beroeren door de vraag of zo iemand echt anders is dan jijzelf, of dat je er meer op lijkt dan je wellicht zou willen. Mijns inziens is het afkeuren van daders en hun nakomelingen vaak een afweermechanisme. Het dient ertoe om je niet af te hoeven vragen hoe het jouzelf in zo’n geval vergaan zou zijn, en of je eigen ouders in bepaalde omstandigheden niet ook zo’n keus gemaakt zouden kunnen hebben.

Er is duidelijk een schat aan onderzoek dat Geest & beest onderbouwt, waardoor je roman zeer authentiek aanvoelt, kun je ons iets vertellen over de soorten onderzoek die je deed?

Hetzelfde als voor mijn eerdere thrillers. Voor ik ga schrijven lees ik veel, ik haal hele stapels boeken uit de universiteitsbibliotheek. Omdat ik vroeger germanist was, weet ik al redelijk wat, en op basis daarvan lees ik verder. Ik maak aantekeningen en zet aparte bestanden op voor bepaalde personen en subthema’s. Natuurlijk gebruik ik ook het internet. Voor mijn thema’s vind je daar lang niet alles, maar in Duitse kranten en artikelen vind ik wel vaak spannende aanzetten.
Verder praat ik veel met mensen, ik ga naar Berlijn om ter plekke allerlei straten en situaties te checken en te fotograferen. Ik kijk naar Berlijners, hoe ze zijn, wat ze zeggen. En ik fiets er rond, net als mijn particulier onderzoekers Sofie Bank en Frits Arends. Vaak doe ik dat met mijn man, dan timen we bijvoorbeeld hoe lang het duurt om van de Kurfürstendamm naar de Sophienstrasse te komen.

Proberen jullie soms ook scènes uit?

Inderdaad. Bijvoorbeeld bij de Hackesche Höfe, de bekendste groep binnenplaatsen van Berlijn, wilde ik weten of je makkelijk over een achtermuur kon klimmen, omdat ik dat een personage wilde laten doen. Dus mijn man heeft dat uitgeprobeerd terwijl ik hem fotografeerde. Toen zag ik wel een paar mensen raar kijken. Zo’n foto laat ik tijdens lezingen zien als ik een vrolijk moment nodig heb, omdat de oorlog een zwaar thema is. Het hele publiek zit dan te lachen.

Bij jouw manier van onderzoek doen krijg je enorm veel gegevens. Hoe maak je keuzes?

Enerzijds zoek ik schrijftechnisch naar dingen om een mooie plot aan op te hangen. En anderzijds kijk ik wat mijn verbeelding op gang brengt. Wat prikkelt me, wat maakt me nieuwsgierig? Waar word ik zo enthousiast van dat ik er per se twee jaar mee bezig wil zijn? Als ik dat heb gevonden, weet ik dat ik goed zit.

Heb je tijdens je onderzoek voor Geest & beest iets gevonden dat je echt verraste?

Oei, lastige vraag, er is altijd veel dat me verrast. Maar in dit geval misschien de enorme diepgang die ik bij Volkhard Knigge vond, de directeur van Gedenkplaats Buchenwald. Het is ontzaglijk moeilijk om genuanceerd te praten over het daderschap van je eigen volk. Wat kun je daarover zeggen dat niet als een platitude klinkt? Maar ik heb de prachtigste interviews met hem gelezen waarin hij facetten aanboort waar ik niet aan had gedacht. Echt geweldig. Knigge is natuurlijk niet voor niets zowel historicus als psychoanalyticus. In mijn boek heeft hij een plaats gekregen in de vorm van directeur Vera Knecht.
Iets anders wat me erg verraste was dat ook Nederlandse slachtoffers en hun nakomelingen mijn aandacht gingen trekken, hoewel ik niet over hen had willen schrijven. Maar stukje bij beetje wandelden ze toch mijn plot binnen, onder meer omdat ik een indrukwekkend Buchenwald-verslag van Nico Pols las. En zo bleken hun wegen die van de daders en hun kinderen te moeten kruisen.

Het Berlijn dat je tevoorschijn tovert, is een levendige en opwindende plek, maar vol licht en schaduw. Was die spanning iets dat je doelbewust wilde beschrijven?

Absoluut. Als ik bijvoorbeeld ’s avonds door de Oranienburger Strasse loop en ik zie dat er direct na de Joodse synagoge een tippelzone begint, dan wil ik dat een plaats in mijn thriller geven. Eerst word je getroffen door een schitterend gebouw dat al het schokkende van de Tweede Wereldoorlog symboliseert, en meteen erna sta je in het hedendaagse nachtleven van Berlijn. Voor mij is er geen andere stad die zoveel Europese geschiedenis in zich samenbalt en die tegelijk zo bruisend en modern is.

Waarom speelt Buchenwald zo’n grote rol, het wordt zelfs genoemd in de ondertitel. Sachsenhausen en Ravenbrück liggen immers dichter bij Berlijn?

Op de een of andere manier kon ik daar als schrijver niet warm voor lopen, er sloeg geen vonk over. Dat gebeurde wel bij Buchenwald en Weimar. Het zijn twee plekken die nog geen tien kilometer van elkaar liggen. Weimar is de cultuurstad van Duitsland bij uitstek, het heeft een enorme faam vanwege Goethe, Schiller en andere grootheden. En vlak daarnaast ligt Buchenwald, één van de bekendste en grootste concentratiekampen. Hoe kan dat? Over die vraag wilde ik schrijven. Eigenlijk vat die Januskop mijn thema samen: hoe dicht kunnen goed en slecht naast elkaar liggen, hoe verweven zijn ze misschien zelfs wel?

Zijn er autobiografische elementen in je boek aanwezig, bijvoorbeeld in Sofie Bank?

Ik ben zelf niet in Berlijn geboren, zoals je weet, maar in Rotterdam. Net als Sofies vriend Frits Arends. Ik heb dan ook niet het gespleten verleden dat Sofie heeft doordat ze als puber met haar ouders naar Nederland verhuisde. Maar een controlefreak en workaholic ben ik wel. Of liever was, want door mijn therapeutische opleidingen en mijn werk als coach is een deel van die ballast weggeschaafd.
Dus je zou kunnen zeggen dat Sofie is zoals ik vroeger was. Maar door haar andere afkomst heeft ze het moeilijker in het leven heeft dan ik. En qua beroep doet zij wat ik nooit zou durven en kunnen. Door haar, en door Frits trouwens ook, leid ik een leven dat ik anders nooit had leren kennen. In die zin zijn ze mijn alter ego’s.

Er zijn inmiddels vier Berlijnse thrillers verschenen. Heb je zelf enige voorkeur voor één van de boeken?

Niet echt. Ik houd enorm van Communistengoud en kerstengelen, omdat het een echte actionthriller geworden is. Dat was me in de vorige delen nog niet gelukt. Maar ik ben ook dol op In de schaduw van Marlene Dietrich, omdat de jaren twintig er voor mijn gevoel zo mooi in uitkomen. En bij mijn nieuwe boek Geest & beest heeft de thematiek me speciaal geraakt. Wat is een mens? Dat denkt Sofie aan het eind als ze bij haar beste vriendin Alice zit, die kanker heeft. Die vraag gaat over leven en dood en over alles wat het menszijn uiteindelijk uitmaakt. In een oorlog en bij de nawerkingen ervan gaat het daar ook om. Je balanceert dan op het scherp van de snede.
Misschien heb ik ergens wel het grootste zwak voor mijn eerste thriller. Gedeelde stad, geheelde stad heeft qua psychologie nog niet zoveel diepgang, en het loopt nog niet zo soepel, hier en daar botsen stukken tekst op elkaar. Maar het heeft een eigen spontaniteit en humor die in mijn latere thrillers minder aanwezig is.

Als ik het goed begrepen heb komen er nog drie boeken bij. Kun je daar al iets over vertellen?

Dat klopt, momenteel schrijf ik aan deel vijf. Je kunt alle delen prima los van elkaar lezen, maar omdat ik het zelf het interessantst vind om over hoofdpersonen te lezen die in een aantal boeken terugkeren en zich ontwikkelen, doe ik datzelfde met Sofie en Frits. Deze nieuwe thriller speelt weer deels in de jaren twintig, rond de theaterwereld en Die Dreigroschenoper van Brecht. Prachtig. Ik heb ook al voor ogen waar mijn zevende en laatste thriller over gaat. Dat onderwerp had ik in een proefthriller verwerkt, dus in één van de twee die nooit uitgegeven is. Het boek zelf was niet goed genoeg, maar het gegeven wel: de Monte Verità in het Ascona van rond 1900. Deze Berg der Waarheid was een alternatieve commune waar onder meer Hermann Hesse heeft gezeten. Een zeer intrigerende plek, die ik fantastisch kan verbinden met Berlijn.

Vragen: Kees de Kievid
Foto auteur: Aspekt

Lees hier de recensie van Geest & Beest

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Succes en sappelen in de middenstand

Categorie: Boek van de week, Familiegeschiedenis, Mens & Maatschappij, Non-fictie

Hoeden en petten en dameskorsetten – Frank Bokern – Van Oorschot – 257 blz. De wortels van Frank Bokern en zijn familie liggen in Westfalen. Beroemde namen als Dreesman, Peek, Cloppenburg, Voss en Kreijmborg stammen…

Boek van de week archief

18-juli-2019 | Lees verder | Reageer!