“Ik klom in de boekenkast van m’n vader”

17-september-2016 | Categorie: Interview

matthijs-kleyn-auteursfoto-bmhMatthijs Kleyn (Leiden, 24 juni 1979) is zowel voor als achter de camera actief als televisiemaker. Zo werkte hij voor programma’s als Hart van Nederland, In de hoofdrol, RTL Boulevard, de De Wereld Draait Door en De week van Filemon. Hij was jarenlang Jakhals in De Wereld Draait Door. In 2011 verschijnt Kleyns debuutroman Vita een deels autobiografische roman die handelt over depressie en zelfmoord. Vita is, zoals de titel al aangeeft, ook een boek over het vieren van het leven. Op 8 juni 2011 is Vita de hoogste binnenkomer in De Bestseller 60 van het CPNB. In 2016 verschijnt zijn tweede roman Ik zie je, gaat net als Vita over een liefde die intens en gepassioneerd begint, maar fataal eindigt . Kort na het verschijnen van Ik zie je, worden Kleyn’s columns in Famme en Ouders van Nu gebundeld in het boek Cesar. Hierin wordt het eerste levensjaar van zijn te vroeg geboren zoon beschreven. Kleyn laat de mooie, maar ook de moeilijke kanten van het ouderschap zien.

Uit wat voor gezin kom je?

M’n vader was journalist en m’n moeder was verpleegster, waardoor m’n anderhalf jaar oudere zus en ik elke zondag onder zijn zorg vielen. Hij kon heel goed verhaaltjes voorlezen, maar hij kon niet koken. Elke zondag gingen we dus met hem uit eten. Hij overleed aan kanker toen ik zeven jaar was. M’n moeder ging veel minder werken om voor ons te kunnen zorgen, als we uit school kwamen zat ze ons op te wachten met thee en koekjes. Er waren vaak vriendinnen van m’n moeder over de vloer, waardoor het meestal druk en gezellig was thuis. Ik zeg altijd dat ik daardoor niet zo’n mannelijke man ben, maar dat was ik sowieso niet geworden, denk ik. M’n vader hield niet van voetbal en had twee linkerhanden. Doordat ik de enige man thuis was, vond ik dat ik voor m’n moeder en zusje moest zorgen, dat deed ik door schoon te maken en het gezellig te maken thuis. Dat verzorgende heb ik nog steeds: elke dag steek ik kaarsen aan voor m’n vriendin. Alle goede dingen heb ik van m’n moeder overgenomen, de cynische zwartgalligheid heb ik van m’n vader. Hij schijnt dat ook te hebben gehad.

Wat wilde je als kind worden?

Ik wilde altijd m’n vader worden. Alle verhalen van m’n moeder verzamelde ik in m’n hoofd, daardoor weet ik niet of ik op hem lijk of dat ik hem gewoon heb gekopieerd. Nu ik zelf vader ben, begin ik steeds meer te ontdekken wat ik zelf wil en wat ik zelf belangrijk vind. Ik hoef niet tot diep in de nacht in de kroeg te hangen omdat mijn vader als journalist dat ook deed. Ik vind het veel leuker om ‘s morgens om zes uur fris op te staan zodat ik met m’n zoontje kan spelen. Net als m’n vader ben ik journalist geworden, al vind ik die term niet van toepassing op mezelf. Net als hij heb ik schrijvers en politici geïnterviewd en verhalen over hen gemaakt, maar vooral interviewde ik filmsterren. Want behalve m’n vader wilde ik ook René Mioch worden, al ben ik nooit zo’n filmfenomeen geworden als hij. Maar ik heb wel al m’n filmidolen geïnterviewd en kreeg op een gegeven moment m’n eigen filmprogramma: Veronica Film. Dat was het voormalige programma van René Mioch.

Was je een leeskind of was je veel buiten te vinden?

Toen ik jong was heel veel buiten, totdat m’n vriendjes gingen voetballen en dat kon ik niet. Ik klom daarom in de boekenkast van m’n vader. Op m’n tiende las ik al Jan Wolkers, Remco Campert en W.F. Hermans, al snapte ik hun boeken toen nog niet helemaal. Toen m’n moeder me voor het eerst meenam naar een videotheek was ik verkocht. Ik denk dat ik elke film uit de jaren tachtig en negentig heb gezien. Ik kijk ze nu opnieuw, want door de kwaliteit van blu-ray zie ik een hoop dingen die me toen nog niet opvielen.

Heb je de school voor de journalistiek gevolgd?

Ik was te laat met inloten, dus heb ik een omweg gedaan. Ik ging Culturele en Maatschappelijke Vorming studeren, een onzinstudie. Je kon er sociaal werker mee worden, maar ook organisator van popfestivals. Heel vaag. Waar het mij om te doen was dat je door die studie ook als als producer bij de TV zou kunnen gaan werken. Toen ik na twee jaar eindelijk stage mocht lopen, schreef ik een brief van vijf kantjes naar de hoofdredacteur van Hart van Nederland. Ik zei dat ik geen productie wilde doen, maar dat ik een stage op de redactie wilde. Hij vond m’n brief goed en nam me aan. De Hogeschool van Amsterdam keurde het af, maar omdat de studie ook een sociaalpedagogische tak had, gooide ik het op het sociale thema van Hart van Nederland, het programma focust zich immers op zielige mensen. De school ging er uiteindelijk mee akkoord, zo rolde ik de televisiewereld in.

Je werkt zowel voor als achter de schermen bij de televisie. Is dat een inspirerende omgeving voor een schrijver?

Het heeft me geleerd om verhalen te vertellen. En dat er altijd meer kanten aan een verhaal zitten. Niks in het leven is rechttoe-rechtaan, er zijn altijd vertakkingen en andere perspectieven. Het werken in een omgeving die naar de wereld kijkt en die vertaalt naar beeld, heeft me ongetwijfeld getraind om die ook te vertalen naar papier. Bovendien heb ik door het werken bij de televisie geleerd om kort en bondig een verhaal te vertellen. Over het algemeen is daar weinig tijd voor, maar wil je toch veel vertellen op een prikkelende manier. Bij mijn eerste roman merkte ik dat veel kon vertellen in weinig woorden. Ik hou niet van opsmuk of mooischrijverij, ik wil gewoon een mooi verhaal vertellen, het liefst met meerde verhalen daarin verwerkt.

Hoe ga je bij het schrijven van een boek te werk? Maak je een schema of schrijf je organisch?

Als ik begin, weet ik wie de hoofdpersonages zijn, wat ze meemaken, wat ze daarbij voelen en ik weet al hoe het afloopt. Alles wat daartussenin gebeurt, ontstaat tijdens het schrijven. De beste dagen zijn dagen waarop je het gevoel hebt dat je droomde achter je bureau. Dat je het bedenkt terwijl je de letters intypt. Soms heb ik geen idee waar het vandaan kwam als ik het teruglees, zoals je ook geen idee hebt hoe de meeste dromen ontstaan.

Werk je op vaste tijden op een vaste plek, of zoals het toevallig uitkomt?

Ik schrijf drieduizend woorden per dag, soms minder, heel soms meer. Het maakt niet uit of ik om negen uur ‘s morgens begin of om twee uur ‘s middags, want na die drieduizend woorden ben ik leeg. Bij mijn appartement in Amsterdam hoort een zolder, daar kom ik via een andere voordeur met een andere sleutel en dan moet ik drie trappen op. Al m’n buren gebruiken het als opslag voor hun troep, ik heb er een vloerkleed neergelegd, er staan een bureau en een koffiezetapparaat. Als ik ga zitten, steek ik een kaars aan (ook als buiten de zon schijnt). Om me heen staat al het speelgoed wat van m’n vriendin niet in de woonkamer mag staan: poppen van Psycho en Elvis, de Cadillac van Scarface, posters van Star Wars aan de muur. Ik drink er koffie en cola, het laatste uur (als ik voel dat ik bijna leeg ben), schenk ik een wijntje in. Daarna ga ik de trappen weer af en ben ik thuis, de volgende dag lees ik terug wat ik geschreven heb.

Wie zijn je grote voorbeelden?

Heb ik niet echt. Ik ken m’n klassiekers, maar ik hoop dat ik m’n eigen stijl heb en behoud. Mijn voorbeelden zijn de doorzetters. Walt Disney die voor zichzelf begon nadat hij door een krantje ontslagen werd, The Beatles die werden afgewezen bij een auditie en toch moed hielden, Steven Spielberg die met een kapotte haai te maken had tijdens de opnames van Jaws en dus besloot om de haai pas tegen het einde van de film te laten zien. De filmstudio was woest, maar Spielberg bleef in zijn film geloven. Als ik in een onzekere bui ben, denk ik aan dat soort mensen. Dan hoop ik een glimpje van hun zelfvertrouwen te krijgen.

Wat gaf jou inspiratie voor Ik zie je?

M’n vriendin zegt vaak dat ik teveel in het verleden leef. Ik kijk veel oude films en luister naar oude muziek, de makers ervan zijn vaak al dood. Ik wil dan alles over hen weten, hoe hun leven eruit zag en hoe er een eind aan kwam. Het zijn voltooide levens met een kop en een staart: alle kansen die er waren, zijn gepakt of gemist. Toen m’n vriendin voor de zoveelste keer zei dat ik teveel met de doden bezig was, bedacht ik een verhaal waarin hoofdpersoon Fender het leven niet van de dood kan onderscheiden. Zijn vader heeft alzheimer, op zijn sterfbed zegt de vader dat hij al jaren dood is, maar dat zijn zoon dat niet wilde inzien. Fender werkt in een videotheek die op sterven na dood is en gelooft dat Elvis nog leeft. Als de relatie van Fender voorbij gaat, vlucht hij in al die zaken: zijn videotheek, bewijs zoeken dat Elvis nog leeft en mijmeren over zijn dode vader. Totdat hij een heel leuk meisje tegenkomt, Lisa, die middenin het leven staat. Fender besluit zich volledig aan haar over te geven en niet meer bezig te zijn met de dood. Totdat het noodlot toeslaat. Het karakter van Lisa heb ik gebaseerd op alles wat me tegenstaat aan Amsterdam: het schreeuwerige gedrag van de millennials die denken dat de wereld van hen is. Ze feesten en gebruiken drugs alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ik heb nooit drugs gebruikt, maar was er elk weekend onderdeel van toen ik vrijgezel was en uitging. Op feestjes was ik de enige die bier dronk, de rest dronk water en zat aan de pillen of de coke. Het stomste eraan vond ik dat ik degene was die zich moest verantwoorden. Ik verzette me tegen het gevoel, maar toch voelde ik me buitengesloten. Want als je er niet aan meedeed, deed je er niet toe. Het was iets om mee te spelen in m’n boek: als je niet meedoet aan het leven, leef je dan wel? En als je niet leeft, ben je dan niet gewoon dood?

In het boek gaat hoofdpersoon Fender diep in op complottheorieën rondom de dood van Elvis. Ben je hier zelf ook in geïnteresseerd? Of vond je een complotdenker interessant als hoofdpersonage?

Doordat ik veel lees over de popcultuur van de jaren zestig en zeventig – het is een periode die ik zelf mee had willen maken – belandde ik een paar jaar geleden op een website over Elvis Presley. Ik klikte iets aan wat ik nooit aan had moeten klikken, want ik raakte er volledig van in de ban: de theorieën waarom Elvis niet is overleden op 16 augustus 1977, maar in het getuigenbeschermingsprogramma van de FBI belandde. Voor veel mensen klinkt dat al als iets belachelijks, maar die mensen weten niet dat Elvis daadwerkelijk voor de FBI werkte. Hij hielp Nixon bij zijn War on drugs en getuigde in de rechtbank tegen maffiosi. Het leven van Elvis werd bedreigd, er werden zelfs dreigbriefjes gevonden op de kinderkamer van Lisa Marie, zijn dochtertje. Normaliter krijgt zo iemand een nieuwe identiteit en mag elders opnieuw beginnen, maar hoe doe je dat als het de beroemdste persoon op aarde betreft? De wereld moest dus denken dat Elvis dood is. Geen complottheorie is zo hardnekkig als die rond Elvis Presley, ik denk dat hij daar zelf een grote rol in heeft gespeeld door steeds signalen af te geven. Hij liet puzzels achter (de cijfers van zijn sterfdatum) en dook op als figurant in films. Ik weet niet of Elvis nog steeds leeft, hij zou nu 81 zijn, maar ik weet vrijwel zeker dat hij in 1977 niet overleden is. De dood van Elvis is een rode draad in Ik zie je, omdat Lisa geboren is op de sterfdag van Elvis. Haar vader is een enorme Elvis-fan, die wist niet of hij huilde omdat Elvis dood was of omdat zijn dochter geboren was. Hij noemde haar Lisa Marie en brandt elk jaar een kaars op haar verjaardag voor Elvis. Lisa wil dat haar geboortedag geen sterfdag meer is, Fender belooft dat hij zal bewijzen dat Elvis toen niet overleden is. Het was een fantastisch complot om in een romanverhaal te verwerken.

Ik zie je heeft qua seks en thematiek iets weg van Turks Fruit. Wat vind je zelf van deze vergelijking?

Het is nu de derde keer dat ik dat hoor, maar ik heb dat niet bewust gedaan. Het boek beschrijft hoe een liefdesrelatie ontstaat, daar hoort nu eenmaal seks bij. Als je net verkering hebt, zijn er dagen dat je drie keer per dag seks hebt, toch? In m’n eerste boek Vita was het allemaal heel lieflijk en schattig, ik wilde dat het ditmaal wat rauwer en realistischer was. Bovendien wilde ik Fender een scherp randje geven: hij gebruikt geen drugs, drinkt amper, kijkt vooral films, heeft een hekel aan porno en gelooft niet in seks zonder liefde. Totdat hij een meisje tegenkomt die zuipt, snuift, porno kijkt en elke dag de deur uitgaat. Zij trekt hem haar leven en haar gevoelswereld in, op den duur raakt hij verslaafd aan haar. Hij vreest lange tijd dat zij verslaafd is aan van alles en nog wat, totdat hij merkt dat hij degene is die een verslaving heeft. Dat begint met de seks die hij met haar heeft.

Je nieuwste boek Cesar gaat over je zoontje. Waarom moeten mensen dit boek aanschaffen en hoe anders is het dan de vele boeken van ouders over hun kind?

Ik was net klaar met het schrijven van Ik zie je toen Cesar geboren werd. Een paar dagen na de bevalling kreeg ik het verzoek om een wekelijkse column over het vaderschap te schrijven. Het was voor een online magazine dat ik niet kende, Famme, en m’n moeder had net tegen me gezegd dat ik alles op moest schrijven wat we meemaakten. De laatste maanden van de zwangerschap waren behoorlijk zwaar: er werd ontdekt dat ons kindje een holte in zijn hersenen miste. In die holte worden je hormoonhuishouding en je oogzenuwen aangemaakt, dus het ziekenhuis zei dat we met het ergste rekening moesten houden. Dat varieerde van een vroege dood na de bevalling tot een zwaar gehandicapt kind, terwijl er ook een kleine kans was dat hij helemaal oké zou zijn omdat zijn hersenen heel misschien iets op het mankement hadden bedacht, waardoor hij toch een normaal jongetje kon worden. Het was zo’n surrealistische achtbaan, het enige wat we konden doen is naïef zijn en roepen dat alle artsen het mis hadden: dat Cesar er als een hartstikke leuk kerngezond jongetje uit zou komen. Toen hij vijf weken te vroeg werd geboren, leek dat ook zo: hij was het allermooiste dat ik ooit heb gezien. Ik besloot die column te schrijven, omdat ik merkte dat ik al dingen aan het verdringen was. En ik wilde het hem wel na kunnen vertellen. Dat het voor een website was waar ik nog nooit van gehoord had, vond ik perfect: zo had ik een stok achter de deur om elke week te schrijven zonder dat iemand het las. Na een paar maanden bleek de column een enorm succes te zijn, m’n vriendin en zoontje werden herkend in de Hema en de supermarkt, vrouwen begonnen zelfs te huilen als ze Cesar zagen. Op dat moment besloot ik te gaan stoppen, Meulenhoff wilde de columns als boek uitbrengen dus stopte ik toen Cesar één was. Hij bleek uiteindelijk een hartstikke leuk kerngezond jongetje te zijn, al heeft hij een blind oog. Later kan hij het zelf allemaal teruglezen in zijn eigen boek en weet hij wat hij voor me betekend heeft en hoeveel ik van hem hou. Want ik hou er rekening mee dat ik dan al dood kan zijn, ik blijf nu eenmaal teveel met de dood bezig. Dus dit boek is mijn voorzorgsmaatregel: ik wil dat hij weet hoe perfect hij is, ook als ik het hem zelf niet meer kan vertellen.

Vragen: Felice Beekhuis en Pieter Feller

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Nederlands grootste vissersdorp gefileerd

Categorie: Boek van de week, Mens & Maatschappij, Non-fictie, Religie

De ontdekking van Urk – Matthias M.R. Declercq – Podium – 326 blz. Bij de naam “Urk” zal iedere Nederlander wel denken aan vis, kotters, gelovig, kerken en een aantal zal wellicht ook denken aan…

Boek van de week archief

25-november-2020 | Lees verder | Reageer!