“Ik schrijf zoals ik spreek, met weinig woorden”

28-november-2015 | Categorie: Interview

Derk VisserDerk Visser(20 november 1959) is geboren in Friesland, waar hij nog steeds woont. Hij begon na zijn studie communicatie aan de HEAO een opleiding audiovisueel aan de Vrije Academie. Hij was enige tijd zelfstandig filmer en is nu al jaren werkzaam in de jeugdhulpverlening. Hij schrijft voornamelijk kinder- en jeugdboeken. Hij vindt het interessant om te zien hoe kinderen naar het leven kijken. Deze kennis probeert hij vervolgens te verwerken in zijn boeken. Zijn jeugdromans spelen zich af aan de rand van de samenleving. Zijn hoofdfiguren groeien op in een kansloos milieu, en zijn niet in staat zich daaraan te onttrekken. Rauw en realistisch worden zijn verhalen genoemd. In 2005 debuteerde hij met Patchouli, een jeugdroman over de 15-jarige Luuk, die verliefd wordt op Patricia. Omdat zijn moeder aan kanker lijdt en op sterven ligt, wordt hij heen en weer geslingerd tussen het verdriet om zijn moeder en zijn gevoelens voor Patricia. In 2012 kreeg hij het Charlotte Köhler Stipendium, een prijs die toegekend wordt aan een beginnend auteur.

Uit wat voor gezin kom je? Werd er vroeger veel gelezen?

Ik had een vader en een moeder en heb een jongere broer en zus. Lezen stond in onze vroege jeugd niet bovenaan het lijstje. Ik herinner mij De drie Paardjes van Piet Worm. Een nogal oubollig, langwerpig boek.

Las je als kind veel? Wat zijn de titels die indruk op je gemaakt hebben?

Ik las nauwelijks. Drie Kameleons en een Commissaris Achterberg. Dat was het zo’n beetje. Ik speelde veel buiten, bouwde met vriendjes ondergrondse hutten of ving salamanders in de sloot voor ons huis. Rond mijn twaalfde maakte ik een enorme sprong voorwaarts toen ik de leesplank van mijn vader ontdekte: Turks Fruit, Het Kapitaal, Ik Jan Cremer en Het leven is vurrukkulluk.

Herinner je je het eerste verhaaltje of gedichtje nog dat je schreef? Waar ging het over? Op welke leeftijd kwam het in je op dat je later zelf boeken wilde gaan schrijven?

Ik schreef vooral dictees. Op school. Na het overlijden van mijn moeder vond ik in het ouderlijk huis brieven die ik rond mijn tiende aan mijn oma had geschreven. In één daarvan stond dat ik later schrijver wilde worden. Waar dat vandaan moet zijn gekomen, geen idee. Ik kan niets terughalen dat in die richting wees.

Hoe ziet een schrijfdag voor jou eruit? Heb je vaste tijden en een vaste werkplek?

Ik begin om 8.30 uur en werk door tot 12.30 uur. Daarna ga ik in de tuin aan de slag. Wij hebben een behoorlijk grote tuin. Als ik schrijf zit ik aan een bureau op onze overloop. Ik heb uitzicht op een posterwand met film- en muziekaffiches. The Beatles, Paris Texas, Ramones en Cria Cuervos.

Je boeken vallen op door twee zaken: je onderwerpen en je taalgebruik. Waarom kies je voor milieus ‘aan de rafelranden’, zoals ik het ergens zag staan?

Uit sociale betrokkenheid. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot mensen die het minder hebben dan ik. De kinderen in mijn boeken proberen van het leven te houden, ook al houdt het leven niet altijd van hen. Toch zijn ze dapper en komen op voor zichzelf. Ze bieden elkaar troost en liefde. Mijn vorige boek Lente speelde zich trouwens af aan een andere rafelrand, daar waar het geld niet op kan. Ook daar moeten kinderen soms hun best doen om te overleven.

Je onderwerpen zijn niet alledaags, zoals in je laatste boek waarin de hoofdpersoon een getraumatiseerde vader heeft nadat hij in een oorlog meevocht. Hoe kom je op zo’n onderwerp? Hoe verdiep je je erin?

Mijn boeken beginnen vaak met de dialogen, daaromheen ontstaat een verhaal. Ik houd van maatschappelijke onderwerpen, hoe kinderen proberen te overleven in een grotemensenwereld. Ik doe geen onderzoek, maar kijk graag naar films als die van Jean-Pierre en Luc Dardenne. Een krantenartikel vestigde mijn aandacht op het oorlogstrauma.

Je taalgebruik is zeer sober. Schrijf je meteen zo of ga je na het schrijven erg veel schrappen?

Ik schrijf zoals ik spreek, met weinig woorden. Na een eerste versie ga ik schrappen en maak het nog kaler dan het al was. Daar ben ik steeds beter in geworden. Ik mijn jonge jaren was ik fan van de cineast Robert Bresson. In zijn sobere films was alle franje weggelaten. Zo drong hij door tot de kern van wat hij wilde zeggen. Dat probeer ik ook.

Je schrijft voornamelijk boeken voor 12+; Lente was het eerste uitstapje naar iets jongere kinderen. Is dat goed bevallen? Kunnen we daar meer van verwachten?

Mijn volgende boek is ook voor lezers vanaf 10. Het gaat over de relatie tussen een twaalfjarig meisje en haar opa. Ik heb nu het idee dat ik dat meisje even blijf volgen en dat je haar in het boek daarna op vijftienjarige leeftijd terugziet.

Krijg je veel reacties van de leeftijdsgroep waarvoor je schrijft? Wat voor soort reacties zijn dat?

Laatst kwam een meisje langs voor een interview, twee of drie keer per jaar bezoek ik een school. Soms krijg ik een mail met vragen voor een spreekbeurt. De meeste kinderen zijn geïnteresseerd en ze reageren vaak enthousiast.

Wat wil je graag doorgeven met je boeken?

Ik kom uit een tijd waarin idealisme richtinggevend was voor je handelen. Ik hoop op een betere wereld, net als mijn personages. Ze proberen wat van het leven te maken, vaak tegen de stroom in. Het zijn doorzetters.

Vragen: Hanneke de Jong en Pieter Feller

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Nederlands grootste vissersdorp gefileerd

Categorie: Boek van de week, Mens & Maatschappij, Non-fictie, Religie

De ontdekking van Urk – Matthias M.R. Declercq – Podium – 326 blz. Bij de naam “Urk” zal iedere Nederlander wel denken aan vis, kotters, gelovig, kerken en een aantal zal wellicht ook denken aan…

Boek van de week archief

25-november-2020 | Lees verder | Reageer!