Ik zou graag elke dag het stof van de hoed van Gombrowicz willen vegen

24-augustus-2013 | Categorie: Interview

Mira FeticuZe is geboren (1973) in Breaza, Roemenië, een stadje dat geroemd wordt om de kwaliteit van zijn lucht, die vergelijkbaar zou zijn met die van het Zwitserse Davos. Daar schreef ze al op heel jonge leeftijd haar eerste gedichten. Haar officiële debuut met een poëziebundel (1993) volgde al snel, maar gaandeweg is ze zich gaan toeleggen op het schrijven van verhalen. Na haar studies Roemeense en Franse letteren en Vergelijkende literatuurwetenschap in Boekarest, werkte ze als radiomaker en publicist.

Als een van de weinigen besteedde ze aandacht aan Herta Müller, toen eigenlijk nog nauwelijks iemand in de latere Nobelprijswinnares was geïnteresseerd. Aandacht voor nog ondergewaardeerde of juist al in de vergetelheid geraakte auteurs heeft ze altijd behouden, ook toen ze later als onderzoeker deel uitmaakte van het redactionele collectief van het grote Woordenboek van de Roemeense Literatuur en toen ze, nog niet eens zo lang geleden, een proefschrift schreef over de Roemeense dichteres Gabriela Negreanu (2010).
Daarnaast bleef ze zelf verhalend proza schrijven, hetgeen leidde tot onder meer de publicatie van Femei cu veverițe (Vrouwen met eekhoorntjes) en Povestea Penelopei (Het verhaal van Penelope), waarvan de eerstgenoemde diverse nominaties ontving. Voor de liefde is ze naar Nederland gekomen. Nu schrijft ze haar proza in het Nederlands. In 2012 verscheen Lief kind van mij en in het voorjaar van 2013 kwam De ziekte van Kortjakje uit. Intussen is ze zich aan het voorbereiden op haar derde Nederlandse boek
.

Je groeide op in Roemenië. Uit wat voor gezin kom je? Werd er veel gelezen?

Ik kom uit een arbeidersgezin, maar wat mijn vader, automonteur, betreft, zat Lenin er flink naast toen hij, voortbordurend op de ideeën van Karl Marx, stelde dat religie de opium voor het volk is. Mijn vader behoorde tot het volk, maar zijn opium was vooral: lezen. En zijn droom (die nooit is uitgekomen): studeren. Mijn vader las werkelijk van alles, fictie en non-fictie, ik geloof niet dat hij onderscheid maakte tussen beide genres. En niet dat hij zoveel tijd had om te lezen, want hij werkte, net als mijn moeder, in ploegendienst. Maar herinnert u zich wat de Drie zussen van Tsjechov constant droomden? “Naar Moskou, naar Moskou!” Een dergelijke obsessie had mijn vader ook, maar dan voor studeren. En gelukkig heeft hij dat doorgegeven aan mij, van jongs af aan: ik was 9 toen we samen het eerste Roemeense woordenboek van A tot Z – als een gewoon boek – hebben gelezen.

Waren er destijds boeken voor kinderen beschikbaar?

Ja, we hadden wel kinderboeken, weliswaar niet in mijn dorp, dat vandaag de dag nog steeds geen bibliotheek heeft, maar verderop, in de stad. Maar de onderwijzers op school, geweldige docenten, leenden ook boeken uit hun eigen boekenkast uit aan de leerlingen. Dus, daar, in mijn geboortedorp, heb ik in het Frans Le petit Prince gelezen, veel eerder dan het boek nu door kinderen gelezen wordt. Als kind las ik ook Hector Malot en Jules Verne, maar ook boeken voor volwassenen. Ik herinner me eigenlijk geen enkel boek met plaatjes, een prentenboek, maar wel heb ik veel Roemeense kinder- en jeugd boeken gelezen.

Wat heeft lezen voor je betekend?

Lezen was mijn redding. Ik ging, als ik geen school had, tijdens de vakantie, elke dag, van huis: om 10 uur ’s ochtends vertrok ik met een tas vol boeken, en ’s avonds kwam ik terug, vaak met hoofdpijn en een enorme honger. Dan ging ik naar een tuin niet zo ver van ons eigen huis, waar ooit iemand een fundering had gegraven, maar verder dan de fundering was het nooit gekomen. Er was nooit een huis gebouwd, maar daar, in dat enorme gat dat de kelder had moeten worden sprong ik met mijn boeken en daar bleef ik dan de hele dag, als het niet had geregend tenminste en het gat vol water stond. Een van de eerste boeken die ik daar las was Het verhaal van San Michele van Axel Munthe. Dat boek heeft mijn leven veranderd. Ik herlees het nog regelmatig en kijk uit naar het moment dat mijn dochter het wil lezen. Ook heb ik in die periode veel Roemeense literatuur gelezen. Maar ook andere dingen, eigenlijk net als mijn vader: alles wat ik kon vinden – boeken zonder kaft, waarbij je dus geen idee had wat je nu eigenlijk las. Later heb ik begrepen dat ik zo Winnetou heb gelezen en Headless Horseman.
Ik las ook de stukjes krant die je bij elke Roemeen toen op de WC kon vinden, want in die tijd bestond er geen toiletpapier in mijn dorp. Wel waren we min of meer verplicht om geabonneerd te zijn op het communistische krantje. Het idee van 1 + 1 = 2 was dus snel geboren en ook mijn vader gaf het communistische papier de best mogelijke bestemming: je kont ermee afvegen. Ik las dus, als een verslaafde, eerst alle odes aan dictator Ceausescu en pas daarna veegde ik mijn kont ermee af.

Wat wilde je worden?

Wat ik wou worden, durfde ik niet eens uit te spreken, want niemand in mijn omgeving daar werd juffrouw, lerares of schrijfster. Kinderen werden als hun vaders en moeders: hardwerkende arbeiders in de bloeiende industrie van een verhongerd volk. Daarom heb ik mijn dromen altijd geheim gehouden, in mijn ziel. Later, toen ik programmamaker en presentator bij de Roemeense Radio1 werd, met eigen live-programma’s en columns in kranten, was mijn grootste voldoening dat die mensen ook naar mijn programma’s luisterden en wisten nog dat ik nog steeds een van hen was. Nog steeds ben ik een van hen.

Bestond er ook een vertelcultuur in Roemenië?

Zeker. Na 19.00 uur sneed Ceausescu de elektriciteit af. Geen radio, geen muziek, geen televisie, geen licht. Dag na dag. Om niet gek te worden, kon je twee dingen doen: zingen of verhalen vertellen.
Mijn vader moedigde mij vooral aan om te zingen, hij zelf had, en heeft nog steeds, een prachtige stem. Ik zong, maar luisterde ook naar de verhalen van mijn oma: ze was, zoals het personage van Llosa, een “verteller”. Sommige dingen – trauma’s – bleef ze obsessief vertellen en nu vertel ik ze op mijn beurt door, ik heb haar obsessies meegenomen in mijn boeken. Zij zal altijd mijn favoriete personage blijven in mijn eerste twee boeken in het Nederlands. Op haar tachtigste kon ze uitstekend lange gedichten declameren, uit het hoofd, en dat deed zij dan, op het bordes voor haar huisje, voor wie haar happening maar wilde bijwonen.
Maar, wat verhalen betreft ben ik een vampier: ik zuig en sluit alle verhalen die ik hoor in mijn geheugen, verhalen van iedereen die iets te vertellen heeft; als er een verhalen-SOA zou bestaan, was ik al lang dood geweest.

Je debuteerde in Roemenië in 1993 met een dichtbundel. Je was twintig. Hoe kijk je nu naar dat werk?

Ik denk dat ik geen exemplaar van die gedichten meer heb, maar ik herinner me dat ze wild, vol seks en duister waren en dat niemand kon begrijpen hoe zo’n lief meisje zulke heftige gedichten kon schrijven. Dat meisje van toen houd ik nog altijd dicht bij me, ze was een vechter en je weet maar nooit wanneer je haar nodig hebt.

In hoeverre moeten we De ziekte van Kortjakje opvatten als autobiografisch?

Alles is autobiografisch. Maar natuurlijk is De ziekte van Kortjakje een boek en ga jij, als persoon, verder met je leven en kijk je later anders (of altijd hetzelfde?) naar wat je destijds geschreven hebt.
Maar ook ik, als auteur van De ziekte van kortjakje, weet niet wie er doodgaat aan het eind van het boek. Wel zou ik alle drie moorden (zelfmoord is immers ook een moord) hebben kunnen plegen.
Door dat boek heb ik veel over mezelf geleerd, veel van mezelf begrepen. Toen ik de recensie van Marja Pruis over Kortjakje in “De Groene Amsterdammer” las, had ik het gevoel dat iemand krijgt die een fles met een boodschap in de oceaan gegooid heeft, wanneer die fles gevonden en de boodschap ontcijferd wordt. Een grotere voldoening kun je als schrijver niet hebben.

In De ziekte van Kortjakjeheeft hoofdpersoon Mira moeite met de Nederlandse taal. Waarom heb je dan toch besloten om boeken te schrijven in deze taal? Je had er ook voor kunnen kiezen in het Roemeens te schrijven en het te laten vertalen.

Vertalen is, voor mij, als seks via telefoon. Geen sprake van dus. Als je het direct kan doen, doe het dan! Om de metafoor te bewaren: ik heb niet altijd de perfecte erectie, want ik schrijf niet gemakkelijk in de nieuwe taal, maar het lukt me wel. En ik word er steeds beter in! Uiteindelijk zal de Nederlandse taal van mij worden!

In De ziekte van Kortjakje staan regelmatig verwijzingen naar het communisme in thuisland Roemenië. Hoe heb je dat beleefd? En heeft dat door middel van het schrijven nu een plekje gekregen?

Het communisme heeft het leven van miljoenen mensen verwoest. Niet te geloven dat idiote dromen van zieke mensen zo’n omvang kunnen krijgen! Niet te geloven dat het uitkomen van een zieke wensdroom generaties slachtoffers kan opleveren!
Ik ben wel dankbaar dat ik niet mijn hele leven onder een dictatuur hoef te leven, dat ik hier steeds nieuwe paden ontdek en het leven leef zoals ik zelf wil, in vrijheid, zonder honger, en, belangrijker dan alles: het land van mijn dochter is een vrij land, kinderen krijgen hier genoeg te eten, iedereen mag studeren en zijn dromen vervullen. Zij hoeft niet haar leven lang haar energie gebruiken om te vechten tegen een systeem!
Door te schrijven over de dictatuur heb ik begrepen wie ik ben, wat ik toen gemist heb, maar ook hoe gelukkig ik ben dat ik daarover kan schrijven, een betere verwerking kon ik me niet wensen.
Door te schrijven heb ik ook een stem gegeven aan anderen die onder communisme geleden hebben. Dat zij via mijn boeken hun eigen verhaal konden vertellen; mensen die niet meer in leven zijn of zigeuners, een altijd gereprimeerd volk, dat doet me goed.

Heb je nog plannen voor het (zelf) vertalen van je in het Roemeens geschreven werk?

Nee, constant schrijven in het Nederlands compenseert een hier onbekend werk van mij. Ik ben ook iemand anders geworden, ik schrijf anders dan toen en hoewel ik daar ook een roman geschreven heb, denk ik dat ik pas hier een romanschrijver geworden ben.
Mijn Roemeense boeken zijn slechts enkele van de vele huiden waarmee het leven zich in de loop der tijd bekleedt en waarvan het zich vervolgens, als een slang, ontdoet en die het achterlaat.

Ben je nu met een boek bezig en kun je een tipje van de sluier oplichten?

Ja, ik schrijf een nieuwe roman, waarvoor ik een beurs gekregen heb van het Letterenfonds. (Deze zomer is voor mij een fantastische zomer!) Waarover? O, zoals een vrouw niet in het openbaar vertelt over alle charmes die ze bezit, houd ik de spanning voor de lezer er graag nog in.
Ik ben dus begonnen met mijn derde boek in het Nederlands, maar u weet, soms ben je bezig met een soufflé en wordt het uiteindelijk een goulash! Misschien wordt dit een Boeuf Bourguignon!

Ben je trouwens gedichten blijven schrijven?

Nee, gedichten schrijf ik niet meer. Dat maakte me altijd veel te kwetsbaar! Sowieso zie ik dingen die voor een ander niet bestaan en voel ik altijd enorm veel! Van binnen blijf ik een dichter, van buiten een proza schrijver!
Als dichter geef ik mezelf veel te bloot aan de lezer, vind ik, als een Jezus Christus; als romanschrijver heb je altijd een masker op en een personage als intermediair. Jij bent hem, maar ook iemand anders. Maar misschien heb ik nog een te romantisch idee van wat een dichter is. Ik bewonder dichters enorm en als ik maar drie dingen naar een onbewoond eiland mocht meenemen, zou ik zeker ook een dichter meenemen, maar zelf kan ik beter romanschrijver blijven.

We willen graag weten welke boeken/schrijver je bewondert en je eventueel beïnvloed hebben.

Ik zou graag elke dag het stof van de hoed van Gombrowicz willen vegen, de keuken van Yourcenar opruimen en voorlezen (wow!) voor Borges. En ook zijn schoenen klaarzetten.
Yourcenar lees ik voor elk belangrijk moment in mijn leven. Op vakantie neem ik altijd Edward Said mee, op mijn nachtkasje ligt constant een L’Anti-Oedipe van Deleuze en Guattari, maar eigenlijk zou ik moeten beginnen met Homerus. Ik kijk uit naar het Paradijs (of de hel); Homerus is de eerste die ik zou bezoeken!
Dus Homerus, Yourcenar, Borges, Gombro, Said, Dante, K. Mansfield, Flaubert, om het kort te houden. Beinvloed door wie? Door alles wat ik lees.
Soms praat ik tegen mezelf met een bepaalde stem, in een bepaald stijl en vraag ik mezelf: wie is dit? ‘Even denken, dit is Diderot.’ Jacques le Fataliste, antwoord ik mezelf. Of ik praat als de jongen in Een perfecte dag voor de bananenvis van Salinger.
Literatuur is, wanneer je eenmaal verslaafd bent, als een tsunami die over je heen spoelt. Je wordt nooit meer de oude. Emma Bovary, Hans Castorp, Quichot, Hadrianus, Hector of Didona zullen altijd door je hoofd blijven wandelen.

Hier kun je nog iets zeggen wat je kwijt wilt.

Ik herinner me nog altijd de eerste zin van het eerste boek waarmee mijn verslaafd-aan-literatuur-leven begon: over een hertje, dat de jager niet durfde te doden. Mijn vader zou om 12 uur ’s nachts van zijn werk komen, mijn moeder wedde met mij, het was al na tienen, we zaten bij kaarslicht en konden niet slapen: “Wedden dat je boek het niet uit hebt als papa komt?”
Ik was zes jaar oud, het boek was niet bepaald het dunste, maar die weddenschap heb ik wel gewonnen.
Je kunt Mira Feticu ook volgen op Twitter.

Vragen gesteld door Felice Beekhuis en Pieter Feller

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Monument voor een tante

Categorie: Biografie & Autobiografie, Boek van de week, Columns & Korte verhalen, Non-fictie

Tante Jo – Sander Donkers – Lebowski – 160 blz. Sander Donkers (1967) is journalist, schrijver en columnist voor de Volkskrant. Hij schreef eerder een biografie over de zanger van The Golden Earring, Barry Hay,…

Boek van de week archief

13-november-2020 | Lees verder | Reageer!