“Er is in dit enorm rijke land heel veel mogelijk”

31-januari-2015 | Categorie: Interview

Marco KunstMarco Kunst is in 1966 in Vlissingen geboren. Lekker dicht bij het strand en de zee. Toen hij een kleine jongen was speelde hij graag buiten. Het liefste ging hij op ontdekkingsreis. Dan ging hij zoeken naar fossielen. Hij wilde graag weten hoe de wereld in elkaar zat. Hij vroeg zich af waar we met z’n allen vandaag komen. En hoe zat dat met die fossielen en het ontstaan van de aarde? Hij was ook erg geïnteresseerd in ruimtereizen. Steeds maar weer stelde hij zichzelf daarover vragen. En dan ging hij ook weer op zoek naar het antwoord.

Toen hij ouder werd wilde hij van al dat gedenk zijn werk maken. Hij ging op de universiteit filosofie studeren. Als snel kwam Marco erachter dat hij eigenlijk geen filosoof wilde worden. Hij wilde veel liever kunstenaars helpen met nadenken over de kunstwerken die ze maken! Toen Marco dat een tijdje deed, bedacht hij dat hij zelf ook kunst wilde gaan maken. Hij probeerde het een tijdje maar kwam erachter dat hij eigenlijk helemaal niet zo goed was in het maken van kunst. Hij was veel beter in schrijven!

Floortje Zwigtman schreef een soort literaire zelfmoordbrief, omdat ze vindt dat de jeugdliteratuur te weinig aandacht krijgt in de media. Vind je dat ook en denk je dat meer aandacht voor kinder- en jeugdboeken ook meer lezers zal opleveren of bereikt die aandacht via kranten en andere media alleen de groep die toch al leest?

Het is goed dat Floortje hier de aandacht op gevestigd heeft. Er is inderdaad een probleem. Maar ik denk dat gebrek aan aandacht voor jeugdboeken in de media een symptoom is van iets wat dieper zit.
In de kern komt het erop neer dat veel volwassenen weinig echte aandacht hebben voor kinderen. En de volwassenen beheren nu eenmaal de media. Ik moet denken aan van die acties van Jamie Oliver, de kok, die de aandacht wilde vestigen op de rommel die kinderen (m.n. in Engeland en Amerika) op scholen te eten krijgen, en de ongezonde troep die hen via reclame opgedrongen wordt. Even weet hij wel de aandacht te trekken, en even spreekt iedereen er schande van dat we onze kinderen vergiftigen, maar al snel gaat men over tot de orde van de dag – je kunt toch immers de vrijheid niet inperken of het bedrijfsleven beperkingen op gaan leggen?! En vervolgens blijft men verzuchten dat kinderen dikker worden en zulke slechte eetgewoontes hebben.

Volwassenen hebben vooral aandacht voor boeken die voor hen geschreven zijn, boeken die direct raken aan hun ervaring en leefwereld. Kinderboeken hebben net even een andere focus, kinderen hebben nu eenmaal een andere positie en andere vragen dan volwassenen, en dat is voor veel volwassenen al snel een ver-van-hun-bed-show; net zoals men weinig interesse heeft voor de Paraguyaanse sjoelbakcompetitie. Als je werkelijke aandacht hebt voor kinderen en geïnteresseerd in ze bent, zal je als vanzelf ook geïnteresseerd zijn in de boeken die voor hen geschreven worden.

Ach ja, Guus Kuijer schreef het allemaal al in 1980, scherper en helderder dan ik nu hier, in Het geminachte kind, een bundel essays die helaas nog steeds actueel is. Kennelijk is bijna iedereen vergeten dat hij ooit, niet eens zo lang geleden, kind was – dat die periode hem bovendien vormde tot wie hij nu is. En dat het fijn en wijs is om daarmee in verbinding te blijven. Kennelijk is bijna iedereen vergeten dat hij als kind ook liefde kende en angst, verlangen, nieuwsgierigheid, frustratie, onmacht, plezier, verdriet, etc. en dat goede boeken daarover – die je als kind helpen om je eigen verhaal, je eigen identiteit vorm te geven – aandacht verdienen.
Kinderen zijn de toekomst, maar de verhalen die we ze meegeven vormen mede die toekomst.

Uit onderzoeken blijkt dat Nederland sneller ontleest dan andere West-Europese landen. Heb je een idee hoe dat kan, en of en hoe dit nog te keren is?

In Nederland overheerst geld ieder debat. Cultuur- en opvoedingsidealen leven hier nauwelijks – in ieder geval minder dan bijvoorbeeld in Duitsland of Frankrijk. Uiteindelijk komt het er in zorg, wetenschap en cultuur altijd op neer of er ergens nog iets te bezuinigen is; of de efficiency omhoog kan. Dat is het enige argument dat telt. En dan gaat het om geld op de korte termijn. Om alles in geld uit te kunnen drukken, moet je alles meetbaar maken… Daarom ook worden onze schoolkinderen doodgegooid met toetsen en testen, met CITO en AVI; terwijl we diep in ons hart allemaal weten dat de kwaliteiten waar het werkelijk om draait in het leven nauwelijks te meten zijn.

Een hooggeletterde bevolking (met kritische, mondige burgers) is een lange-termijnideaal: je moet niet alleen technisch leren lezen, maar je moet ook léren genieten van verhalen in boekvorm. Tv kijken of spelen met je mobiel of je tablet is nu eenmaal gemakkelijker dan het lezen van een boek. Je zult kilometers moeten maken in ‘vrij’ lezen wil je ervan gaan genieten – dat gaat het makkelijkst met de hulp van iemand die je in de wereld van verhalen binnenvoert, die je met zijn eigen enthousiasme meesleept. Te kunnen genieten van het lezen geeft aan dat je werkelijk met het verhaal in verbinding staat, dat het voor je tot leven komt en dat je je erdoor kunt laten raken. Door geraakt te worden, ontroerd én vermaakt, leer je. Maar het kost tijd en levert niet direct meetbare resultaten op.

Daar komt bij dat Nederland altijd erg graag mee wil doen met alles wat maar modern en nieuw is – gadgets, modes en de nieuwste pedagogisch-didactische inzichten – waardoor steeds maar alles weer anders moet. We zijn immers progressief! Geen moment vraagt men zich af wat er verloren gaat (lezen zorgt bijvoorbeeld voor een grotere aandachtsspanne, de vaardigheid om complexere structuren te overzien, voor afstand, rust en reflectie en daarmee voor versteviging van onze identiteit).
Beleidsmakers hollen achter het nieuwe aan, ze moeten nu eenmaal beleid máken, daar zijn ze voor aangenomen – eenvoudig behouden wat goed is, is beneden hun stand. Ze willen scoren, vaak met weinig aandacht voor geschiedenis en traditie – als je immers waarde hecht aan bepaalde tradities bevoorrecht je één ideaal, en dat is taboe in ons nivellerende, relativistische landje waarin alles altijd leuk en gemakkelijk moet zijn en niets méér waard mag zijn dan iets anders.
Het kind wordt met het badwater weggegooid.

Het tij is alleen te keren als we er volledig van doordrongen raken dat verhalen de basis vormen van onze identiteit. Zowel ieders individualiteit als onze maatschappelijke identiteit bestaat uit een verzameling verhalen: waar komen we vandaan, wat hebben we meegemaakt, wat verlangen, dromen, hopen we, waar zijn we trots op, waar schamen we ons voor, waar rouwen we om… De verhalen die we elkaar daarover vertellen vormen onze maatschappij, onze cultuur en onze kinderen, en geven ons een zee aan verhalen waarin we kunnen zwemmen, waaraan we ons kunnen laven, waarmee we onszelf kunnen vormen, waartegen we ons kunnen afzetten…
Zolang de politiek kissebist en jeremieert over tienden van procenten koopkrachtverbetering of –verslechtering, verandert er niets ten goede: culturen en mensenlevens draaien niet om de hoeveelheid spulletjes die je kunt kopen, maar om de verhalen waarnaar we willen leven.

Sinds 2010 ben je fulltime schrijver. Niet veel schrijvers kunnen van het schrijven leven. Wat moet je er allemaal voor doen en is het makkelijk om van het schrijverschap rond te komen?

In antwoord op de eerste twee vragen was ik negatief over Nederland. Hier wil ik dat nuanceren en zelfs omdraaien: er is in dit enorm rijke land heel veel mogelijk en er bestaan prachtige instituten zoals het Letterenfonds en de Stichting Schrijver School Samenleving. Je hebt hier al snel een dak boven je hoofd en voldoende te eten, dus in principe kan iedereen het zich veroorloven om te gaan schrijven, of het in ieder geval eens een jaartje te proberen.
Als je niet heel veel waarde hecht aan grote luxe of rijkdom, dan is het goed te doen om van het schrijven te leven; zeker als je, zoals ik, af en toe met een beurs gesteund wordt door het Letterenfonds. Het is geweldig dat dat bestaat: ik kan prima in een paar maanden tijd een eenvoudig verhaal schrijven dat in boekvorm aardig verkoopt (en ik doe dat ook regelmatig, en met veel plezier), maar wil ik iets bijzonders schrijven, een boek dat er hopelijk echt toe doet, dan heb ik veel meer tijd nodig.
Bovendien word ik de laatste jaren steeds vaker uitgenodigd door scholen en bibliotheken om te komen vertellen over mijn boeken. Het is heel fijn dat ook daar altijd een aardige vergoeding tegenover staat. Zulke bezoeken inspireren, maar ik zou het me niet kunnen veroorloven om dat gratis te doen.

Welke schrijvers zijn een voorbeeld voor je of hebben je geïnspireerd?

Umberto Eco, Paul Biegel, Ludwig Wittgenstein, Tonke Dragt, Philip Roth, Otfried Preussler, Sigmund Freud, Paul Auster, Annie M. G. Schmidt, Dan Brown, Friedrich Nietzsche, Jeanette Winterson, Charles Darwin, Toni Morrison, Gabriel García Marquéz, Joseph Campbell, Tolkien, Roald Dahl, Haruki Murakami, Jules Verne en nog velen meer… Een heerlijk ratjetoe.

Had je bij je nieuwste boek Kroonsz. van tevoren het idee dat je een verhaal wilde schrijven dat zich grotendeels afspeelde in de 17de eeuw of had je eerst het idee van de uitvinding en later pas het tijdsbeeld erbij?

De eerste versie van het verhaal speelde nog in een onduidelijke tijd op een vage plek op de hei. Er was een gat in de werkelijkheid, en er waren kinderen die daaraan werden voorgeleid. Maar ik had geen flauw idee waar dat gat vandaan kwam, wat het betekende of wie de personages eromheen waren. Pas toen ik ervoor koos om het verhaal in Amsterdam te situeren en het bovendien in de Gouden eeuw liet beginnen, kreeg het vleugels. De vorm of plek die je kiest voor een verhaal voegt veel toe.

Zoals je vertelt in je verantwoording, zijn de belangrijkste personen in het boek verzonnen, maar er zijn er een paar die echt hebben bestaan; Baruch Spinoza, Christiaan en Constantijn Huygens, Coenraad van Beuningen en Jan Swammerdam. Waarom heb je gekozen om ook echt bestaande figuren in je verhaal te verwerken? Veel tijd zal in de research voor Kroonsz. naar het leven in de gouden eeuw hebben gezeten. In hoeverre was het voor jou belangrijk om een goed tijdsbeeld neer te zetten en wat heb je allemaal onderzocht?

Toen ik eenmaal besloten had het verhaal in de 17e eeuw te laten beginnen, ging ik lezen over die tijd, want ik wilde natuurlijk wel een geloofwaardige en enigszins adequate Gouden Eeuw schetsen. De wereld waarin een verhaal speelt is voor mij altijd belangrijk, zo’n wereld maakt bepaalde gebeurtenissen en gedachten mogelijk, maar sluit andere dingen uit – zo krijg je houvast.
Eerst dacht ik dat het vooral om een decor zou gaan, de zeventiende eeuw als achtergrond bij mijn verhaal. Ik had nu eenmaal een periode van een paar eeuwen nodig, en zo kwam ik haast als vanzelf in de Gouden eeuw terecht. Dat tijdperk is nu eenmaal een soort ijkpunt voor Nederland – de oorsprong van ons land en waar we een legendarisch beeld van hebben.
Toen ik ging lezen, bleek bovendien dat de thema’s van tijdelijkheid en eeuwigheid en het thema van de doodsangst juist toen actueel waren. Wetenschappers begonnen voor het eerst modern onderzoek te doen: zo objectief mogelijk naar de natuur kijken, optekenen wat je ziet en dan pas conclusies proberen te trekken. Men rekende erop dat alles wat in de Bijbel stond, bevestigd zou worden: dat was immers Gods woord. Angst en verwarring ontstonden toen men op feiten stuitte die niet in overeenstemming waren met de leerstellingen van de Kerk.
Dát was interessant, en de wetenschappers die leden onder die onzekerheid en verwarring pasten prima in mijn verhaal over leven en dood en hel en verdoemenis. Vandaar dat ik Huygens, Spinoza en vooral Swammerdam graag gebruikte: de historische achtergrond werd zo veel meer dan een decor.

Op een gegeven moment komt Wessel tot het besef dat hij zijn eigen mening mag hebben en niet zijn vader hoeft te volgen als hij dat niet zou willen. Toch blijft hij lang worstelen om los te komen van zijn vader. Voor de loop van het verhaal is dit wel nodig. Was het lastig hier een duidelijk keerpunt te vinden?

Ik heb ervoor gekozen om Wessel langzaam maar zeker in te laten zien dat hij zich los moet maken van zijn vader en diens denkbeelden – maar heel lang is hij er niet toe in staat om ook daadwerkelijk in opstand te komen. Daar heeft hij Pink voor nodig, die hem nogmaals met zijn neus op de feiten drukt. Omdat hij juist aan háár woorden belang hecht, lukt het hem om te veranderen, en dat moment, tegen het einde van het boek, vormt het keerpunt. Omdat Wessels opstand tegen Zacharias deel uitmaakt van de plot, was het noodzakelijk om dit pas laat te laten gebeuren.

De overgang van heden naar verleden en andersom was voor mij zeer duidelijk en goed gevonden. Het verhaal blijft goed lopen ook in spanningsopbouw. De hoofdstukken vermelden bij de titel het jaar waarin het zich afspeelt indien er een tijdswisseling is. Toch hoor ik hier en daar om me heen dat lezers het verwarrend vinden. Hoe kijk je tegen die kritiek aan?

Ieder boek, hoeveel er ook van verkocht worden, is geschreven voor een beperkte doelgroep. Tot nu toe zijn er een heleboel lezers die het verhaal glashelder, duidelijk en helemaal rond vinden: kennelijk komt bij velen wél over wat ik wilde vertellen. Als iemand me zou aanwijzen wáár het verhaal niet klopt, dan zou dat kritiek zijn waar ik iets mee kan. Ik zou kunnen uitleggen waarom het wel klopt, of ik zou het in een volgende druk kunnen verbeteren. De vage verzuchting dat het moeilijk of verwarrend is, raakt me niet echt. Jammer is het natuurlijk wel.

Pink is het populairste meisje van de school en Bor de eenzame jongen. Twee uitersten in karakter die toch meer op elkaar lijken dan ze toe willen geven. Had je gelijk een beeld voor ogen hoe de karakters moesten zijn of zijn ze gegroeid met je verhaal?

Pink stond me meteen helder voor ogen, maar Bor was in eerste instantie bedoeld als de komische noot. In vroege versies van het verhaal was hij een jaar of vier jonger dan Pink en was hij onverstoorbaar opgewekt en hoopvol. Langzaam werd hij echter grimmiger en in plaats van de komische tegenpool de morele tegenpool van Pink. Hiermee ging helaas wel de laatste kans op wat humor in het boek verloren… Dat was kennelijk onvermijdelijk, want Bor werd op deze manier wel een veel interessanter personage.

Vragen: Conny Schelvis en Pieter Feller

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Monument voor een tante

Categorie: Biografie & Autobiografie, Boek van de week, Columns & Korte verhalen, Non-fictie

Tante Jo – Sander Donkers – Lebowski – 160 blz. Sander Donkers (1967) is journalist, schrijver en columnist voor de Volkskrant. Hij schreef eerder een biografie over de zanger van The Golden Earring, Barry Hay,…

Boek van de week archief

13-november-2020 | Lees verder | Reageer!