Maarten ’t Hart zoekt huurmoordenaar als biograaf aanbelt

21-juni-2014 | Categorie: Interview

Maarten ‘t Hart werd in 1944 geboren in Maassluis. Hij studeerde biologie aan de Rijksuniversiteit Leiden en promoveerde in 1978 op gedragspatronen bij de stekelbaars (three-spined stickleback). Zijn literaire debuut, de roman Stenen voor een ransuil, verscheen in 1971 onder het pseudo-pseudoniem Martin Hart. In de jaren daarna verschenen de roman Ik had een wapenbroeder(1973) en de verhalenbundel Het vrome volk(1974). Hij brak in 1978 door bij het grote publiek met Een vlucht regenwulpen.
Sindsdien heeft ’t Hart een omvangrijk oeuvre bij elkaar geschreven, dat bestaat uit romans, verhalen, essays en autobiografische teksten. Zijn jeugd in het christelijke Maassluis is een terugkerend thema in zijn boeken. Zijn vader was een gereformeerde grafdelver. ‘t Hart is een liefhebber én kenner van klassieke muziek, hij publiceerde essaybundels over Mozart en Bach.

Sinds enkele jaren houdt ’t Hart zich ook bezig met de manier waarop wij ons voedsel verbouwen, ons eetgedrag en de opvattingen – of liever: misvattingen – over een gezond gewicht. Het dovemansorendieet(2007) en De groene overmacht(2012) zijn twee boeken die daaruit zijn voortgekomen. Wie wil meemaken hoe ’t Hart in de vette klei zijn groenten probeert te verbouwen kan nu terecht bij Maartens Moestuin, een televisieserie van de VPRO. Behalve schrijver is ’t Hart een hartstochtelijk lezer. Er zullen weinig mensen in Nederland rondlopen die in hun leven zoveel hebben gelezen. Bundelingen als De som van misverstanden (1978) of Het gebergte. De tweeënvijftig romans van S. Vestdijk(met Hugo Brandt Corstius, 1996) bevatten heldere en enthousiasmerende artikelen over schrijvers en hun boeken.

U staat bekend als een hartstochtelijk lezer. In De som van misverstanden. Het lezen van boeken(1978), beschrijft u uw ontwikkeling als lezer. Daaruit wordt duidelijk dat u het boeken gunt een rol te spelen in uw vorming, of zelfs dat u bewust boeken zocht die dat effect teweeg konden brengen. Is dit nu nog steeds zo, of is hierin iets gewijzigd?

Ja, ik ben nog steeds een hartstochtelijk lezer, maar ik heb er een rare handicap bij gekregen, die ik overigens van mijn moeder geërfd lijk te hebben. Mijn moeder klaagde ongeveer vanaf haar vijfenzestigste dat ze niet goed meer kon lezen omdat ze er zere ogen van kreeg. Welnu, die zere ogen krijg ik helaas ook als ik lang lees (ik ben ervoor naar de oogarts geweest, er wordt te weinig traanvocht aangemaakt, dat zorgt voor de schrijnende pijn, er is weinig tegen te doen), dus ik lees toch minder dan vroeger. Ik haal nog maar zelden de 200 pagina’s per dag die vroeger heel gewoon waren.

Op 22 december 1989 stond er op de voorpagina van het CS van NRC Handelsblad een artikel met de titel ‘De plezierfactor van 1989’. De auteur ervan, Felix Eijgenraam, hield een pleidooi voor het gebruik van een boekenschrift. De overweldigende hoeveelheid reacties op dat artikel leidde tot de uitgave van een boekje, De plezierfactor. Nut en genot van het boekenschrift. In dit boekje staat een foto van u waarin u een handvol leesschriften toont. Houdt u nog steeds een leesschrift bij?

Het boekenschrift houd ik uiteraard nog steeds bij, dat heb ik gedaan vanaf 1 januari 1960, dus nog zes jaar lezen, dan heb ik er zestig jaar lezen opzitten. Het is jammer dat ik niet vanaf mijn eerste boek meteen al een boekenschrift ben gaan bijhouden, want daardoor weet ik helaas niet hoeveel ik vanaf 1950 tot 1960 gelezen heb, maar ik schat dat ik toen toch per jaar ongeveer evenveel las als in 1960, dus zo’n 300 boeken per jaar. Dus ik denk dat ik in mijn leven tot nu toe ongeveer 18.000 boeken gelezen heb. Dat is eigenlijk vrij weinig als je bedenkt dat een beetje behoorlijke bibliotheek al gauw 50,000 boeken bevat

In de jaren 1976-1978 hebt u veel recensies en andere opiniërende stukken geschreven voor onder andere NRC Handelsblad, de Haagse Post, Maatstaf en De Gids. In 1976 zeventig artikelen, in 1977 maar liefst 125. Bij zulke aantallen kan het haast niet anders dan dat de noodzaak op tijd te leveren dwingt tot een ijzeren lees- en bespreekdiscipline. Hoe organiseerde u dat?

Hoe ik dat in 1976 en 1977 voor elkaar heb gekregen, daar begrijp ik achteraf totaal niets meer van. Ik was toen ook met mijn proefschrift bezig, ik gaf onderwijs, ik deed onderzoek, dus waar haalde ik de tijd vandaan om nog zoveel te lezen en zelfs nog daarover te schrijven. Niet te bevatten is het, dat zou nu echt niet meer kunnen.

Tegenwoordig bespreekt u regelmatig boeken voor boekhandel De Kler, die vestigingen heeft in Leiden en omgeving. Dat zijn mondelinge besprekingen, vaak opgenomen in een huisje in uw tuin. De filmpjes duren enkele minuten. U komt daarin heel ontspannen over en schuwt ook stevige uitspraken, positieve én negatieve – ‘dit boek kan zo op de composthoop’ – niet. De filmpjes zijn te zien op internet. Hebt u enig idee van het bereik ervan, krijg u er reacties op?

Ik heb geen flauw idee van het bereik van die filmpjes. Ze staan ook op You Tube, maar of ernaar gekeken wordt, ik weet het niet. Ik krijg zelden een reactie. Alleen toen ik mij kwaad had gemaakt op hofpredikant Ter Linden kreeg ik nogal wat boze uitvallen te verduren. Hetgeen mij zeer vrolijk stemde.

Er wordt vaak gezegd dat lezers, en dan vooral mannen, omstreeks hun veertigste fictie minder gaan waarderen en dan overstappen op non-fictie. Vooral op biografieën. Herkent u dat?

Ik heb altijd al heel graag biografieën gelezen, dat verlangen is na mijn veertigste niet nog groter geworden, en ik heb ook altijd al geweten dat je niet teveel fictie achter elkaar moet lezen. Dan treedt een verschijnsel op dat ik fictie-frictie heb genoemd. Dan gaat alle fictie je de keel uithangen. Fictie-frictie treedt vooral op bij jury’s van fictie prijzen, zoals de Libris prijs. En daarom worden vrijwel altijd de verkeerde auteurs tot winnaars gekozen. Het is al heel slecht voor een mens om twintig romans achter elkaar te lezen, dus laat staan de tweehonderd die voor zo’n prijs worden ingezonden.

De biografie is in Nederland de laatste jaren weer een geliefd en veelgelezen genre. In een geestig stuk in Dienstreizen van een thuisblijver(2011) beschrijft u uw eerste schreden, omstreeks 1981, als biograaf van Simon Vestdijk. Een project waaraan u uiteindelijk niet bent begonnen. U schrijft daarin ook: ‘Zolang ik nog leef, zal ik mij beijveren om het een eventuele toekomstige biograaf zo moeilijk mogelijk te maken. Blijf in godsnaam van mijn leven af.’ Om vervolgens te schetsen hoe saai uw dagen verlopen. Heeft er al een biograaf bij u aangebeld? En wanneer dat gebeurt, laat u die binnen?

Er heeft hier nog geen biograaf aangebeld. Zou er een aanbellen, dan wordt hij (of zij) niet binnengelaten. Wel zou ik zijn naam en adres noteren en vervolgens zou ik contact opnemen met een huurmoordenaar.

Is voor een schrijver het lezen van boeken wel goed te scheiden van het dagelijkse schrijfproces? Wanneer u zelf midden in het schrijven van een boek zit, leest u dan minder, of anders?

Schrijven en lezen zijn heel goed van elkaar te scheiden. Ik heb er nooit een probleem mee gehad dat ik rustig bleef doorlezen, ook als ik aan een roman werkte. Het enige wat je kan overkomen is dat je zo ontmoedigd raakt door de kwaliteit van iets wat je leest dat je ophoudt met schrijven omdat je denkt: dat niveau haal ik toch nooit. Dus geen Buddenbrooks herlezen als je aan een roman bezig bent.

Kunt u een schrijver noemen die ten onrechte ondergewaardeerd is en wiens boeken u graag zou promoten?

Er zijn zoveel schrijvers die ondergewaardeerd worden, en daar sprong ik vroeger dan voor in de bres, maar nu denk ik: ach, laat maar, ik kan op mijn eentje toch niks doen. Er zijn ook veel schrijvers die op het belachelijke af overgewaardeerd worden zoals Tom Lanoye en Joke van Leeuwen. Vroeger zou ik op de barricades zijn gesprongen om te roepen dat het een schande is, maar daar heb ik ook niet meer de neiging toe. Uiteindelijk wordt iedereen vergeten. Wie leest nog Arthur van Schendel, J. van Oudshoorn, Simon Vestdijk?

Leest u wel eens luisterboeken?

Nee, luisterboeken, daar heb ik helemaal totaal niets mee. Ik heb nog nooit een luisterboek beluisterd, maar ja, het kan zijn dat de toestand van mijn ogen mij ertoe zal dwingen toch naar de luisterboeken te grijpen. Maar ik zou dat wel jammer vinden, want in de tijd die het neemt om een luisterboek aan te horen kun je vijf andere boeken lezen.

Wat vindt u van de stelling dat een luisterboek, mits goed voorgelezen, de verbeterde versie van het leesboek kan zijn?

Luisterboek verbeterde versie van het leesboek ? Dat vind ik een tamelijk absurde gedachte. Daar kan ik me niks bij voorstellen.

U mag een boek kiezen dat door de schrijver zelf wordt voorgelezen. Welk boek zou dat zijn?

Ik zou David Copperfield wel willen horen voorlezen door Dickens, maar dan vooral om de stem van Dickens eens te horen. En Effi Briest van Fontane voor de stem van Fontane. Maar zelfs dan zou ik geloof ik niet in staat zijn het hele boek aan te horen. Het is meer dat ik de stemmen van de twee auteurs die ik boven alle anderen vereer graag eens zou willen horen. Maar liever nog zou ik de stem van Bach eens horen.

Vragen: Peter van der Ploeg Foto: Merlin Daleman

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Nederlands grootste vissersdorp gefileerd

Categorie: Boek van de week, Mens & Maatschappij, Non-fictie, Religie

De ontdekking van Urk – Matthias M.R. Declercq – Podium – 326 blz. Bij de naam “Urk” zal iedere Nederlander wel denken aan vis, kotters, gelovig, kerken en een aantal zal wellicht ook denken aan…

Boek van de week archief

25-november-2020 | Lees verder | Reageer!