Meesterlijk verhaal

21-september-2020 | Categorie: Boek van de week, Literatuur, Roman

Het smartlappenkwartier – Philip Snijder – Atlas Contact – 223 blz.

Bij het lezen van Het smartlappenkwartier duik je terug naar het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Schrijver Philip Snijder is van 1956 en de hoofdpersoon met wie hij grotendeels samenvalt is net zestien geworden. Hij heeft een Puch met een hoog stuur en afgezaagde uitlaat, lang haar en een leren jasje met franjes aan de mouwen, een puber-imitatie van Dennis Hopper uit de film Easy Rider (1969). Op een zondagmiddag is zijn moeder zomaar verdwenen, weggelopen en niemand weet waar ze is, echtgenoot, zoon van zestien en dochter Francien van negen in verwarring achterlatend.

“Aan het eind van de ochtend was ze na het afwassen en stofzuigen vertrokken, vertelde hij. [vader] Ze hadden haar niet eens de deur uit zien gaan. Vanuit de gang had ze geroepen: ‘Ben effe weg…’ Op zich niet zo opmerkelijk, want vrijwel iedere zaterdag en zondag riep ze dat als ze weer een paar uur ging rondhangen in de minuscule krotwoning van haar ouders. Daar verzamelden zich dagelijks de vrouwen van onze Bickerseilandfamilie om te roken, roddelen en bekvechten. Maar meestal om groepsgewijs de tijd in apathische, slaperige verveling voorbij te laten glijden…”

We kennen dit stukje van Amsterdam dat Snijder in 2007 beroemd maakte met zijn debuut Zondagsgeld. Vader, een Groninger die helemaal buiten de ordinaire Bickerseilandfamilie valt, gaat met Francien informeren of moeder Beppie bij haar familie is, maar daar is ze niet geweest. Later krijgt hij te horen dat ze heeft gebeld, maar verder niets heeft losgelaten. Vader vervalt in lethargie en weet niets beters te doen dan grote hoeveelheden sherry te drinken. De volgende dag gaat hij opnieuw met lood in zijn schoenen naar opa en oma om te informeren of Beppie weer heeft gebeld. Dat heeft ze niet. Hij vertrekt onverrichterzake. De zoon stelt voor om naar opa en oma te gaan om een telefoontje af te wachten.

“’Ik ga wel even naar het eiland. Laat mij dan maar op mama wachten bij die telefoon.’”

Moeder belt, maar als haar zoon, omgeven door alle ooms en tantes, aan de lijn krijgt verbreekt ze de verbinding. Wat later krijgt hij toch het telefoonnummer op een briefje van zijn tante Mijntje. Hij moet zijn moeder bellen.

Philip Snijder heeft de roman zo opgebouwd dat we afwisselend lezen over de zoektocht naar de verdwenen moeder en stukjes over het verleden waarin de moeder een hoofdrol speelt. Moeder is een ruwe, laagopgeleide, niet al te slimme vrouw die haar hele leven amper van Bickerseiland is geweest. Het gezin woont nu weliswaar vlak buiten het wijkje op ongeveer vijftig meter afstand in de Buiten Oranjestraat, maar het liefst is ze bij haar familie. Na de lagere school groeit de zoon uit boven zijn moeder, letterlijk en figuurlijk. Hij gaat naar het gymnasium en de emotie die bij hem overheerst is schaamte.

“Zodra mijn moeder en ik samen ook maar even buiten de broeierige, ons van al het vreemde afschermende cocon rond het Bickerseiland moesten zijn, schaamde ik me voor haar. Of misschien schaamde ik me voor mezelf, voor het feit dat ik het kind was met deze moeder.”

Op de dag dat de zoon zijn moeder zal gaan bellen, spijbelt hij van school en gaat op zijn Puch de stad in. Hij stelt het bellen steeds maar uit en beleeft allerlei kleine avonturen. Hij komt in een straatje waar hij ooit een hoer heeft gezien in een souterrain. De vrouw zat er met haar benen wijd, zodat langslopende mannen een goed zicht hadden op haar harige kruis. Die ochtend zit ze er weer en de nieuwsgierige hoofdpersoon loopt langzaam langs haar raam en gaat op haar uitnodiging naar binnen. Hij heeft maar tien gulden, maar zij vindt dat voor deze keer genoeg.

Ook als hij op het Leidseplein in een telefooncel eindelijk met zijn moeder heeft gebeld, stelt hij het bezoek aan haar nog uit, bang als hij is wat hij zal aantreffen. Hij rookt er hasj met een wannabe hippie en treft op zijn tocht door de stad, als hij staat te schuilen voor de regen, een man met wie hij tijdens een vakantiebaantje heeft samengewerkt bij de stadsreiniging. Ook aan deze man, De la Chambre, zit weer een verhaal vast. Hij dronk elke morgen koffie bij ‘een adresje’. Daar woonde een weduwe met haar dochter met het syndroom van Down. De la Chambre geilde op het meisje.

“Het meisje had haar twee globes van billen op de leuning van zijn stoel en hing tegen hem aan.”

De hoofdpersoon passeert het oude Ajaxcomplex dat ook weer de nodige herinneringen oproept. Maar uiteindelijk bereikt hij dan toch het adres dat zijn moeder heeft opgegeven. Snijder laat de lezer lang in het ongewisse wat er nu precies met moeder aan de hand is en dat dwingt je om verder te lezen, als ware het een thriller waarvan je de plot helemaal wilt doorgronden. Snijder heeft in zijn eigen nauwgezette en duidelijke stijl weer een juweel toegevoegd aan zijn oeuvre. Een oeuvre dat ik aan iedereen kan aanraden. Lees alles van Snijder en geniet met volle teugen!

Pieter Feller

 

Pin It

Laat een reactie achter

Voordat je een reactie kunt plaatsen dien je de volgende vraag te beantwoorden: *

Boek van de Week

Ieder voor zich en God voor ons allen

Categorie: Boek van de week, Mens & Maatschappij

Strafkind – Wieke Hart & Maria Genova – Just Publishers – 249 blz. ‘Ze drukt het pakketje een moment stevig tegen zich aan en licht de putdeksel op. ‘Dag dappere Gaby,’ fluistert ze en drukt…

Boek van de week archief

14-oktober-2020 | Lees verder | 1 reactie