“Mijn vader had Alzheimer”

23-november-2013 | Categorie: Interview

Hebrina Blok1Als enig kind in een schoolmeestersgezin in Zeeuws Vlaanderen had Hebrina Blok het best wel eens moeilijk. Dolgraag had ze een broertje of een zusje gewild. Misschien was de bibliotheek, toen ze eenmaal lezen kon, daarom wel zo’n heerlijke plek voor haar. In boeken vond ze de wereld die ze thuis miste. Dat ze iets met boeken zou gaan doen was van het begin af aan duidelijk. In een bibliotheek werken had ze ook wel leuk gevonden. Maar het werd een studie Nederlands, in Utrecht. Na Zeeuws Vlaanderen was dat nogal een verandering.
Haar hoofdvak was Middelnederlands, de Middeleeuwen. Die periode boeit haar nog steeds, de prachtige manuscripten met alle versieringen en ontroerende, ingekleurde tekeningen kunnen haar nog steeds doen wegdromen naar die vervlogen tijd.

Utrecht bracht haar niet alleen haar studie, maar ook de ontmoeting met haar toekomstige man Willem. Samen kregen ze twee kinderen. Na een aantal jaren kwamen ze vanwege Willems werk in Twente terecht. Toen ze gevraagd werd voor werkzaamheden in het Zoutmuseum in Delden heeft ze dat met beide handen aangenomen. Het ging om teksten schrijven bij tentoonstellingen, brochures, kortom; schrijven. Het gaf haar de gelegenheid toch met haar vak bezig te zijn, al was het dan niet met boeken. Het was vrijwilligerswerk, maar bleek al gauw een bijna volledige baan te zijn met verantwoordelijkheden. In 2008 is ze met dat werk gestopt. Toen kon ze eindelijk gaan doen wat ze diep in haar hart altijd had gewild: schrijven. Met de verschijning van De Leugenboom ging een hartenwens in vervulling. Vanwege alle steun die haar man Willem haar bij het schrijven gaf en geeft, heeft ze De Leugenboom aan hem opgedragen.

Was je een echt leeskind?

Ja, ik kon me helemaal verliezen in boeken. De bibliotheek was voor mij een domein waar ik bijna niet weg kon komen. Je mocht toen maar twee boeken mee naar huis nemen. Dan is een keuze maken uit zo’n geweldige hoeveelheid een onmogelijke opdracht, en dat elke week. Ik mocht er van mijn ouders maar een keer per week heen. De bibliotheek is overigens nog steeds een favoriete plek voor mij en ik heb hem vlak om de hoek. Is dat even boffen!

Wat wilde je als meisje later worden?

Schrijfster worden was mijn ideaal. Als ik dat tegen mijn ouders zei, voelde ik dat ze er een beetje meewarig om glimlachten: typisch de droom van een kind. Daarna was het een droom die ik voor mezelf hield. Ik schreef verhaaltjes in schriftjes en hield dagboeken bij, die ik jammer genoeg ben kwijtgeraakt. Er zijn alleen nog een paar opstellen van school bewaard gebleven. Ik ging Nederlands studeren en werd lerares. Daarmee was ik voor mijn gevoel ver van mijn ideaal verwijderd, maar bleef het wel koesteren. Ik trouwde, kreeg kinderen en werd heel druk met mijn museumwerk. Daar paste schrijven niet bij. Schrijven kan ik alleen in afzondering. Gelijk met het idee voor de Leugenboom brak er een rustiger periode aan. Die kans heb ik gegrepen. Het was nu of nooit. Ik ben overigens nog steeds gek op schriftjes, schrijfmappen en pennen, maar dat zal ook wel bij het juf-zijn horen.

Welke boeken en schrijvers kun je je uit die tijd nog herinneren?

Betty van der Plaats, haar serie boeken over Dorientje. A.D. Hildebrand, Mikkie de hond van de witte bergen. An Rutgers van der Loef, Rossy dat krantenkind. De boeken van Annie M.G. Schmidt. Studieboeken over bijzondere personen, zoals over Madame Curie, Albert Schweitzer, koning Arthur.

De roman De leugenboom is je debuut. Hoe kwam je op het idee om het boek te schrijven?

Mijn vader had Alzheimer. Ik zag dat hij een gevaar vormde voor zijn omgeving als hij achter het stuur van zijn auto zat. Het CBR kreeg meldingen van de neuroloog en de huisarts en van mij, maar deed daar aanvankelijk niets mee en bleek een moeilijke instantie om mee om te gaan. Dat verhaal wilde ik beschrijven, eigenlijk vanuit een machteloze poging iets aan dit soort procedures te kunnen veranderen. Eigenlijk begon ik mijn verhaal dan vanuit een verkeerd uitgangspunt. Dat merkte ik in de beginfase van het schrijven heel goed. Maar toen begon het verhaal een eigen leven te leiden en kreeg me in zijn greep. Ik kon dat verkeerde begin loslaten. Het werd echt een verhaal. En als je dan zo ver bent ga je verder. Het werd uiteindelijk het verhaal zoals het nu in De Leugenboom staat.

Is je boek een literaire roman of zou je het anders betitelen?

De Leugenboom is door de vorm en de manier van schrijven een literaire roman te noemen. Uit de reacties die ik op De Leugenboom kreeg, met name van boekfanaten, maak ik op dat dat zo is.

Je hebt Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd. Is dat een voor- of een nadeel als je een boek gaat schrijven?

Als je Nederlands hebt gestudeerd heb je in ieder geval veel gelezen en dan blijf je dat ook
doen. Maar ik denk dat het weinig uitmaakt. Het gaat erom dat je het in je hebt op je eigen manier een verhaal te vertellen. Een goed verhaal moet van binnenuit komen en dan komt ook de vorm wel. Je kunt nooit puur technisch een verhaal schrijven. Het kan wel, maar niemand leest dat.

Heb je ook lesgegeven?

Ja, maar dat is al een tijd geleden. En eerlijk gezegd was het niet zo leuk als ik dacht dat het zou zijn. Het idealisme van het begin was snel verdwenen. De beste herinnering die ik aan het lesgeven heb is een poëzieles aan een brugklas, waarin ik de kinderen meenam in de verbeelding van de dichter. Ik weet niet meer van wie dat gedicht was. Het ging over mensen in een flatgebouw, die vergeleken werden met vissen in een aquarium.

Je bent natuurlijk bekend met de vele goede schrijvers die je zijn voorgegaan. Werkt dat remmend?

Nee, daar moet je je als schrijver niets van aantrekken. Elke schrijver heeft zijn eigen stijl, zijn eigen manier om zich te uiten en te vertellen wat hem of haar bezig houdt. Bovendien moet je als schrijver steeds blijven lezen. Het lezen van boeken van anderen stimuleert je en je ontwikkelt daarmee ook je stijl.

Hoe lang heb je met dit idee rondgelopen en hoe lang heeft het uiteindelijke schrijven geduurd?

Door mijn confrontatie met het CBR ( Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen) wist ik al snel dat ik over het thema Alzheimer wilde schrijven, en dan met name gezien vanuit de directe omgeving. Het uiteindelijke schrijfproces heeft met enkele onderbrekingen vier jaar geduurd. Het onderwerp stond zo dicht bij me dat ik het niet kon opbrengen daar voortdurend aan te werken.

Hoe ziet jouw schrijfritueel eruit?

Mijn man en ik gaan regelmatig met onze agenda’s aan de tafel zitten en blokkeren dan de dagen die ik aan schrijven wil besteden. Op die dagen trek me terug in de stilte van mijn werkkamer. Maar er zijn ook perioden dat de wereld van buiten zich zo opdringt dat er niets van terecht komt. De telefoon is een afschuwelijke stoorzender. Mijn man probeert zo veel mogelijk op te vangen als ik aan het werk ben. Ik probeer me te houden aan een bladzijde per dag. Maar dat is meer een richtlijn dan dat
werkelijk elke dag zo gebeurt. Er zijn ook dagen dat ik alleen zit te schaven aan de zinnen die al op papier staan. En dan wordt er veel geschrapt. Soms ga ik een paar weken weg van huis om ongestoord te kunnen schrijven

Kon je gemakkelijk een uitgever vinden?

Dat valt niet mee in deze tijd. Na een paar teleurstellingen kwam ik bij The House of Books terecht. Daar was men enthousiast over het manuscript, en over mijn stijl van schrijven.

Van 1983 tot 2008 was je directeur van het Zoutmuseum in Delden. Schreef je in die tijd ook?

Weinig. Het museumvak is zo intensief dat je voor andere dingen geen tijd hebt. Bovendien had ik een gezin. Als je schrijft moet je daar helemaal in op kunnen gaan.

Ik las dat je al weer bezig bent aan een volgend boek. Kun je een tipje van de sluier oplichten?

Ik hou nog even voor me waar mijn tweede boek over gaat. Het is nog te vroeg om daar al
iets over te vertellen. De fase van schrijven en weer schrappen kan soms lang duren.

Welke schrijvers zijn je grote voorbeelden?

Mijn grote voorbeeld is Jan Siebelink vanwege zijn intense belevingsgevoel en zijn mooie manier van schrijven. Hella Haasse en Bernlef om dezelfde redenen. Overigens bewonder ik ook Tommy Wieringa. Hij kan met weinig woorden heel veel zeggen en weet toch spanning op te bouwen.

Wil je vijf schrijvers of boeken noemen die je bewondert?

David Mitchell, De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet. Doordringen in een onbekende wereld, waarin je moet vechten voor je bestaan en voor een eerlijke omgeving.

John Williams, Stoner. Dit boek gaat over passie en echte liefde. En over hoe een vergissing je je hele leven kan achtervolgen. Alles wordt subtiel beschreven, maar dringt diep door in je ziel.

Chaim Potok, Davita’s harp. Dit boek was mijn kennismaking met de Joodse wereld. Daarna heb ik veel meer van Potok gelezen.

Arthur Japin, De zwarte met het witte hart, De overgave. Japin is een verteller met hart en ziel. Hij laat je diep doordringen in zijn hoofdfiguren.

Rascha Peper. Licht, en toch met diepgang. Ze is veel te vroeg overleden.

Cees Nooteboom, Allerzielen. Een verteller die je meeneemt, waar hij ook heengaat.

Bovengenoemde schrijvers zijn allemaal geweldige vertellers, die je meesleuren in hun verhaal. Ze laten je kennismaken met andere werelden. Je dringt door tot in hun diepste gevoelens.

Hier is nog ruimte om iets te zeggen wat je kwijt wilt.

Het is geweldig dat mijn grote wens, ooit een boek te publiceren, in vervulling is gegaan. Schrijven is een eenzaam vak waaraan je je helemaal moet overgeven. Maar ondergedompeld in woorden en zinnen vliegt de tijd voorbij. Je zou de dagen vast willen houden en twee keer zo lang willen maken.
Eigenlijk ben je voortdurend in conflict met je omgeving en jezelf. Je wilt schrijven, maar je omgeving vraagt ook je aandacht, je man, je kinderen, hoe groot ze ook zijn. Daar moet je evenwicht in zien te vinden, steeds opnieuw. Je kunt niet schrijven als je niet de steun van je directe omgeving hebt. Ik mag in mijn handen knijpen dat ik die steun volop krijg.

Hier kun je de recensie van De Leugenboom lezen.

Vragen: Pieter Feller

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Nederlands grootste vissersdorp gefileerd

Categorie: Boek van de week, Mens & Maatschappij, Non-fictie, Religie

De ontdekking van Urk – Matthias M.R. Declercq – Podium – 326 blz. Bij de naam “Urk” zal iedere Nederlander wel denken aan vis, kotters, gelovig, kerken en een aantal zal wellicht ook denken aan…

Boek van de week archief

25-november-2020 | Lees verder | Reageer!