Schrijven bij het licht van een zaklamp

13-juni-2015 | Categorie: Interview

Ingrid de VriesDe passies van schrijfster Ingrid de Vries zijn schrijven en vormgeven. Toen haar twee kinderen klein waren, maakte ze grote wandkleden en stond ze vaak op de kunstmarkt in Utrecht. Totdat haar partner overleed ten gevolge van een auto-ongeluk en ze een vaste baan moest zoeken om voor haarzelf en haar kinderen te zorgen. Ze volgde een opleiding textiele werkvormen en kreeg een baan als docent. Intussen bleef ze schrijven, eerst voor een huis-aan-huis-blad, later als fulltime journalist voor verschillende bladen.
Voor TrosKompas interviewde ze o.a. Toon Hermans, Paul van Vliet, Midas Dekkers, Jaap van Zweden, André Rieu. Voor het Utrechts Nieuwsblad schreef ze de persoonlijke verhalen over mensen die zich staande moesten zien te houden in een soms vijandige en moeilijke omgeving. Haar interview met Bertus Jansen, later Bea Jansen, PvdA-raadslid van de Gemeente Maarssen, is daar een goed voorbeeld van. Ze werkte samen met Ralph Inbar en deed research voor zijn programma TV Masqué, dat in 1992 de Gouden Roos van Montreux won. Zij bedacht de hoofdpersonen, maakte een profiel en schreef een draaiboek.

Van haar hand verschenen twee non-fictie boekjes: Het gezicht van Nederland, Maarssen en Werkwijzer voor kennismanagement, doelmatige aanpak in de ruimtelijke ordening.
Van 1995 tot 2008 was ze chef-redacteur van TrosKompas en TV Krant. Sinds 2011 woont ze bij de Waddenzee en wijdt zich in de rust en stilte van het Friese land nog uitsluitend aan het schrijven. In april verscheen haar eerste roman Verder is er niemand. Een tweede roman is in de maak.

Uit wat voor gezin kom je? Werd er veel gelezen?

Het gezin waarin ik opgroeide was geen warm gezin. Iedereen ging zijn eigen gang. Mijn vader was leraar tekenen en kunstgeschiedenis en schreef verschillende boeken over kunst. Hij had een atelier buitenshuis en we zagen hem niet veel. Mijn moeder was huisvrouw en voelde zich gefrustreerd in haar huwelijk, waardoor ze weinig liefde kon geven aan haar twee kinderen. Ik had een jonger broertje waar ik veel van hield, maar door het leeftijdsverschil (zes jaar) hadden we toch niet veel contact.
Er werd bij ons altijd en overal gelezen. Ik heb goede herinneringen aan de zomervakanties op Texel en Terschelling, waar mijn ouders soms een huisje huurden. Mijn vader zat dan meestal aan tafel te schrijven; mijn moeder, broertje en ik hingen op de bank, alle drie met ons neus in een boek en een koektrommel ‘duimpjes’ binnen handbereik. Ik genoot van dat gezamenlijke lezen omdat we ontspannen bij elkaar waren, iets wat thuis niet vaak voorkwam.

Welke boeken las je als kind graag?

De tiendelige serie Het kleine huis , over het 19de-eeuwse pioniersleven van het meisje Laura, heb ik verslonden. Vooral deel 6 De Lange Winter. Maandenlang woeden de sneeuwstormen over de prairie, maar in hun houten hut overleven Laura, haar zusjes en haar ouders, niet alleen door het karige voedsel te delen en elkaar om beurten een plekje bij de kachel te gunnen, maar ook doordat de ouders steeds weer iets positiefs bedenken om de angst buiten de deur te houden. Een gezin zo heel anders dan het onze: ik wentelde me erin als in een warm bad. Nog steeds, als ik me niet lekker voel, lees ik een van Laura’s boeken.

Je bent een lange weg gegaan tot je eerste boek. Wat wilde je als kind worden en schreef je toen ook al verhalen of versjes?

Ik ontdekte al heel jong hoe heerlijk het is om te schrijven. Toen ik nog op de lagere school zat schreef ik een ‘boek’ (2 schriften, beplakt met goudpapier) over vier kinderen die een geheime vriendenclub hebben. Ik kon er niet meer mee ophouden en zat ’s avonds in bed nog te schrijven bij het licht van een zaklantaarn. Als de batterijen bijna op waren, had je nog maar een kleine lichtcirkel, net genoeg om één woord tegelijk te verlichten.
Op de middelbare school was ik vaste medewerker van onze schoolkrant. Mijn verhaal De Romper – ik was toen 14 – werd gepubliceerd in de bundel Een tien voor de tieners, een bloemlezing (een uitgave van Nijgh & Van Ditmar) van de beste stukjes uit de Nederlandse schoolpers.
Ik had niet speciaal de wens om schrijver te worden; schrijven was iets dat bij me hoorde, dat hoefde ik niet te worden. Zoals veel meisjes droomde ik over een leven als balletdanseres, maar na het lezen van Achter verzegelde deuren van Meno Holst, een boek over de ontdekking van het graf van Toetanchamon, wilde ik archeologe worden. Prachtig leek me dat: het verleden opgraven en blootleggen waardoor mooie en waargebeurde verhalen aan het licht kwamen. Via een lange omweg ben ik in de journalistiek terechtgekomen. Niet zo’n vreemde keuze, want ook als journalist leg je verhalen bloot.

Het journalistieke werk dat je hebt gedaan vraagt een andere aanpak dan fictie. Hoe ga je als schrijver te werk? Heb je vaste tijden, een schema en een vaste werkplek?

Bij journalistiek werk dien je de waarheid. Je gaat te rade bij zoveel mogelijk mensen die bij het onderwerp betrokken zijn, je luistert, je leest je in, je checkt feiten.
Bij fictie dien je een idee. Je luistert alleen naar je eigen gedachten. Je kijkt wel veel om je heen, maar wat je ziet mag je zelf interpreteren en betrekken op je eigen verhaal.
Ik heb een heerlijke werkkamer, met uitzicht op onze vijgenboom, die nu vol in blad zit. Op ‘schrijfdagen’ begin ik ’s ochtends vroeg en ga door tot een uur of vijf. In een bepaalde fase van het boek ervaar ik iedere afleiding als een verschrikkelijke stoorzender. Ik wil eigenlijk maar één ding: doorschrijven.
Voordat ik begon aan Verder is er niemand had ik een schema gemaakt, maar ik ben daar al snel van afgeweken. Het verhaal ging zijn eigen weg en dat was heel verrassend. Het schema was wel prettig om mee te beginnen. Voor mijn tweede boek heb ik alleen een schrift met aantekeningen. Het schema zit in mijn hoofd.

Kun je voor je verhalen putten uit je ervaring als journalist of laat je nu je fantasie de vrije loop?

Voor het schrijven van interviews had ik gesprekken met veel verschillende mensen. Over hun drijfveren, achtergronden, passies, verdriet. Allemaal facetten van de menselijke geest, die je opslaat en later – onbewust – weer gebruikt. Dus ik heb zeker wat aan die ervaring gehad. Maar voor mijn boeken laat ik nu mijn fantasie de vrije loop. De eerste versie van Verder is er niemand was vrijwel geheel autobiografisch, maar dat beperkte mij als schrijver. Ik dacht voortdurend: hoe was het, en niet waar gaat het naartoe. Eigenlijk zat ik dus weer in mijn journalistieke jasje. Toen ik het waargebeurde aspect losliet, kreeg het verhaal vleugels. Ik was vrij en ik kon bedenken wat ik wilde.

Heb je lang moeten zoeken naar een uitgever voor Verder is er niemand, of ging dat makkelijk?

Dat ging niet makkelijk. Uitgeverijen hebben het moeilijk en zijn bang hun nek uit te steken met een onbekend debuut. Na een aantal afwijzingen heb ik zeker nog een jaar geschreven aan de laatste en definitieve versie, die ik op een vrijdag de 13de heb opgestuurd naar uitgeverij Elikser in Leeuwarden. Drie dagen later belde de uitgeefster, Jitske Kingma, om me te zeggen dat ze het “een prachtig boek” vond en dat ze “niet meer kon ophouden met lezen”. Ze heeft het inmiddels ingestuurd voor de Literaire Debutantenprijs 2015, voorheen Academica Literatuurprijs.

Hoe is het idee voor Verder is er niemand ontstaan?

Dertig jaar geleden liep ik al rond met het idee een boek te schrijven over mijn jeugd, maar ik kon dat niet combineren met de zorg voor twee kinderen en een drukke baan in de journalistiek. Toen ik meer tijd en rust kreeg, werd het dus een ander boek. Het ontwikkelde zich al schrijvende.

De cover is juist door zijn eenvoud opvallend, heb je hem zelf bedacht?

De cover is bedacht door Evelien Veenstra, de vormgeefster van Elikser. Ik had
ook een aantal suggesties, maar deze is mooi door zijn eenvoud. Ik ben er heel blij mee.

Heb je behalve de lezers te vermaken nog een ander doel met je boeken?

Ik zie het als een vorm van communicatie. Jarenlang zit je in je eentje te ploeteren en te graven in je eigen gedachtenspinsels en dan opeens kun je je verhaal delen met anderen. Misschien herkennen mensen er iets in uit hun eigen leven of uit het leven van iemand anders. Wat eerst alleen in mijn eigen hoofd zat, komt nu ook terecht in de hoofden van lezers en op de een of andere manier word ik daar heel gelukkig van. Het is alsof je niet meer alleen bent.

Je bent alweer met een nieuw boek bezig. Kun je een tipje van de sluier oplichten?

Wat mij erg bezighoudt is de vraag in hoeverre ‘de waarheid’ bestaat, wat ‘de waarheid’ eigenlijk inhoudt en hoe deze in conflict komt met ieders eigen waarheid, fantasie en herinnering. In Verder is er niemand hebben Laura en haar vader daar een gesprek over. Laura vraagt zich af wie er gelijk heeft als twee mensen een totaal verschillende kijk hebben op dezelfde gebeurtenissen.
In mijn nieuwe roman wordt dit thema uitgewerkt in een liefdesrelatie.

Welke vijf boeken zou je meenemen naar een onbewoond eiland en waarom?

Misschien wisten zij alles van Toon Tellegen
Ogenschijnlijk absurdistische verhalen, maar tussen de zinnen door zijn het stuk voor stuk filosofische juweeltjes. Ik kan ze niet lezen zonder een glimlach.
Toon Tellegen doet mooie dingen met taal. Hij haalt een woord soms uit zijn gebruikelijke context en geeft het zo zijn ‘oerbetekenis’ terug. Verrassend als je van taal houdt. Het boek ligt naast mijn bed en ik lees iedere avond voor het slapengaan een verhaaltje om over na te denken. En als je de ruim 600 bladzijden uit hebt, kun je rustig opnieuw beginnen, want het verveelt nooit. Handig voor het geval het even duurt voor je van dat onbewoonde eiland wordt gehaald.

Een duif en een jongen van Meir Shalev
Meir Shalev is een rasverteller. Ik houd van al zijn boeken, door zijn humor en warmte.
Maar Een duif en een jongen heeft zo’n ongelooflijke ontknoping; dat kan ik blijven lezen. Het hakt in de ziel en ik heb er om gehuild, zo mooi. Van een droefheid die gek genoeg haast troostend is.

Ver weg in Europa van John Berger
Het tweede deel van de trilogie De vrucht van hun arbeid. Eigenlijk vind ik dat de drie delen samen één boek vormen en in dat geval mag ik ze alle drie meenemen, maar dat is smokkelen. Dan maar een keuze gemaakt. In Ver weg in Europa geeft Berger door middel van een aantal verhalen een beeld van een traditionele, en door de modernisering verdwijnende, dorpsgemeenschap in de Haute-Savoie, aan de voet van de Franse Alpen.
Berger is ook beeldend kunstenaar en dat vind je terug in zijn grandioze verteltrant. Ik ken geen andere schrijver die met zo weinig woorden zo beeldend is. Ik citeer de Volkskrant, want beter kan ik het niet verwoorden: ‘Bergers taalgebruik is veel dwingender dan de eenvoud doet vermoeden en bovendien is daar af en toe die allesomvattende zin die de lezer treft als een kaakslag.’

Het kleine huis, de lange winter van Laura Ingalls Wilder
‘En onder het zingen leek het of de angst en de ellende van de lange winter als een donkere wolk omhoog rees en wegdreef op de muziek.’
Fijn om te lezen als ik op mijn onbewoonde eiland zit.
Zoals ik hierboven al heb verteld, zijn voor mij alle delen uit de serie Het Kleine Huis hartverwarmend.

Charlotte, Life or Theater? van Charlotte Salomon
De 23-jarige Charlotte Salomon ‘schildert’ haar leven in meer dan 1300 gouaches en teksten, een paar jaar voordat zij en haar man in 1943 worden opgepakt en in Auschwitz vermoord. Het is niet alleen een indringend dagboek, het is vooral prachtig expressionistisch in beeld gebracht, onontkoombaar als een film. Je ‘duikt onder’ in haar leven, zoals zij zelf een veilig onderkomen dacht te vinden bij haar grootmoeder in Frankrijk.

Vragen: Pieter Feller en Wendy Wenning

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Nederlands grootste vissersdorp gefileerd

Categorie: Boek van de week, Mens & Maatschappij, Non-fictie, Religie

De ontdekking van Urk – Matthias M.R. Declercq – Podium – 326 blz. Bij de naam “Urk” zal iedere Nederlander wel denken aan vis, kotters, gelovig, kerken en een aantal zal wellicht ook denken aan…

Boek van de week archief

25-november-2020 | Lees verder | Reageer!