Schrijven over de dood om er mee om te kunnen gaan

10-augustus-2013 | Categorie: Interview

Claudia JongClaudia Jong (Den Haag 1972) was in haar jeugd al verzot op lezen. Ze las graag de boeken van Annie M.G. Schmidt, Roald Dahl en Guus Kuijer. Toen ze drie weken oud was verhuisde ze met haar vader en moeder naar Limburg, waar ze opgroeide. Na de basisschool ging ze naar het Atheneum. In de exacte vakken was ze niet zo goed en ze moest overstappen naar de HAVO. Eigenlijk wilde ze naar de toneelschool, maar gebrek aan durf hield haar tegen. Het werd de HBO-opleiding dramatherapie en daarna welzijnswerk.
Op haar twintigste ging ze naar Parijs om als stagiaire te werken in een internaat met pubers die niet veel jonger waren dan zij. Ze werd verliefd op een Franse jongen wiens ouders acteurs waren. Toen ging ze doen wat ze al eerder had willen doen. Ze ging een acteursopleiding volgen.

Na de opleiding was het lastig om aan werk te komen als Nederlandse vrouw in Frankrijk. De liefde ging over, ze had geen werk en dus keerde ze terug naar Nederland. In Amsterdam volgde ze weer een acteursopleiding. Toen ze een keer een tekst schreef voor collega-acteurs viel alles op zijn plek: schrijven, dat wilde ze doen.
Vanaf dat moment schrijft ze theaterteksten en ook verhalen. In 2007 won ze de Esta Dialoogwedstrijd.
In 2011 kwam haar eerste jeugdboek uit, Wolfje. Nu schrijft ze nog steeds theaterteksten, werkt ze aan het vervolg van Wolfje en studeert Franse taal en cultuur.

Uit wat voor gezin kom je?

Mijn vader (nu gepensioneerd) werkte als actuaris bij een groot pensioenfonds. Voor die baan zijn mijn ouders vlak na mijn geboorte van Den Haag verhuisd naar Limburg, waar ik ben opgegroeid. Mijn moeder was huisvrouw, tot mijn ouders gingen scheiden, daarna heeft ze een opleiding gevolgd en in de psychiatrie gewerkt, als activiteitenbegeleider. Met haar nieuwe vriend, die ik sinds mijn achtste ken en mijn tweede vader noem, had ze een poppentheater. Ik kreeg alles mee als kind, het maken van de poppen en de voorstellingen, het gesjouw met kisten vol spullen, mijn moeder die de techniek deed, het spelen voor publiek. Mijn zusje en ik hebben ook wel eens meegespeeld.
Mijn vader nam me af en toe mee naar een klassiek concert, en luisterde thuis ook klassieke muziek. En mijn moeder las ons vaak voor. We kregen soms boeken en we hadden een biebabonnement. Ik heb de hele buurtbieb platgelezen, in Geleen. Ik kan me nog goed herinneren hoe het eruit zag, hoe de boekenkasten stonden en welke boeken waar stonden. Verder heb ik eigenlijk weinig van zulke gedetailleerde herinneringen van ruimtes, uit mijn kindertijd. Dat geeft wel aan hoe belangrijk die bieb voor me was. Hij schijnt er nu niet meer te zijn, anders had ik best nog een keer terug willen gaan.

Als kind was je een echte boekenverslinder. Kon je ook helemaal wegdromen in een boek en de wereld om je heen vergeten? Speelde je dingen na?

Ik kon zeker wegdromen in een boek en de wereld vergeten. Ik weet niet of ik dingen naspeelde, dat kan ik me niet herinneren. Ik denk het niet… boeken spelen zich zo sterk af in je hoofd, dat je ze niet na hoeft te spelen. Met de barbies speelden we nogal saaie dingen, geloof ik, vader ging werken, moeder deed het huishouden en het kind ging naar school. En Ken en Barbie gingen uiteraard op elkaar liggen, haha!
Maar ik ging wel sommige dingen uit boeken naschrijven. Ergens tijdens de basisschool heb ik ongeveer acht hoofdstukken geschreven van een boek, over een meisje dat oefende om steeds meer kat te worden. Dat kwam door Minoes van Annie M.G. Schmidt, dat kan niet missen!

Je woonde een tijd in Frankrijk en volgde daar o.a. een acteursopleiding. Nu las ik op je blog dat je er eerst nogal tegenop zag om voor een grote groep kinderen te vertellen over je boeken. Hoe is dat te rijmen?

O, dat is heel goed te rijmen. Ik was op die acteursopleiding (en daarbuiten) elke keer zenuwachtig als ik voor een groep moest spelen, of voor publiek. De zenuwen hoorden erbij, die moest ik elke keer opnieuw overwinnen. Dat heb ik nog steeds. Toch vind ik het leuk om voor publiek te staan, mits ik me goed kan voorbereiden. Ik moet een plan hebben, en daar kan ik dan later weer van afwijken. Dat -het kunnen improviseren- heb ik te danken aan die acteursopleidingen. En ook het aanvoelen van een publiek. Ik zie alles wat voor een groep is als kleine voorstellingen. Ook boekpresentaties. Dan wil ik de gasten graag meer bieden dan wat gortdroge speeches en een glaasje bubbeltjeswijn, het moet bijzonder zijn. Ze zijn niet voor niks gekomen, soms van ver.
Schoolbezoeken vind ik spannend, omdat elke groep kinderen weer anders reageert. De dynamiek tussen een leerkracht en een groep fascineert me. Wat je las op mijn blog had vooral te maken met de grootte van de groepen, ik had nog nooit eerder voor 70 kinderen gestaan, en dat vond ik vorig jaar zo eng dat ik ‘nee’ heb gezegd tegen de uitnodiging. Maar dit jaar heb ik het wel gedaan, en het is goed gelukt. Dus nu durf ik wel.

Je studeert nu weer Franse taal en cultuur. Wat wil je daarmee gaan doen?

Als het lukt wil ik gaan lesgeven. Ik zeg ‘als het lukt’ omdat ik als docent Frans vaak voor groepen zal staan en dus weer zenuwachtig zal zijn, en omdat ik nog wil uitvinden of ik geschikt ben als onderwijzer. Maar ik vind het een mooi beroep. Het lijkt me geweldig om pubers enthousiast te maken voor de Franse taal, zoals één van mijn leraren Frans dat deed. Boeken vertalen lijkt me ook leuk. Ik zou wel mooie Franse kinderboeken willen vertalen. En misschien ga ik nog wel de wetenschap in, of de Europese politiek, wie weet. Mocht ik ooit van het schrijven kunnen leven, dan zou ik waarschijnlijk alleen nog schrijven. Hoewel het belangrijk is om ook ‘in de wereld’ te blijven. Als ik echt alleen nog fictie zou schrijven zou ik wereldvreemd raken, en mensenschuw.

Je schrijft ook theaterteksten en je interviewt. Helpt dat bij het schrijven van jeugdboeken?

Ik weet niet of interviewen me daarbij helpt. Misschien in de zin dat je voor interviewen nieuwsgierig moet zijn en voor het schrijven van (kinder)boeken ook. Tijdens het uitwerken van interviews leer je dat letterlijk gesproken zinnen niet te pruimen zijn op papier, en dat ze gek genoeg vaak geen recht doen aan wat iemand wilde zeggen. Je leert daardoor goed luisteren, het verhaal van een ander zo goed mogelijk weer te geven en het te presenteren aan lezers, waarbij je indirect ook iets van jezelf laat zien door de manier waarop je dat doet. Door die evenwichtsoefening word je beter in schrijven. Dus bij nader inzien: ja, het zal me zeker hebben geholpen.
Het schrijven voor theater heeft me geholpen èn in de weg gezeten. Door toneelschrijven ben ik goed geworden in het schrijven van dialogen, en in het horen van de muziek en het ritme van een tekst. Maar het heeft me ook in de weg gezeten bij het schrijven van proza. In mijn toneelteksten schrijf ik zo kaal mogelijk, zo min mogelijk beschrijvend. Voor proza schreef ik daardoor in het begin té kaal en heb ik moeten leren om juist wel dingen te beschrijven: hoe personages zich gedragen of wat ze denken, hoe voorwerpen en ruimtes eruit zien, wat er gebeurt, of niet gebeurt. Misschien heb ik daarom zo lang gedaan over Wolfje, mijn debuut. Ik moest daar langzaam in groeien, door het vaak weg te leggen en weer te herschrijven. Nu word ik er geloof ik wel steeds beter in, en probeer ik theater en proza toch een beetje te combineren, op mijn eigen manier.

Wat voor schrijver ben je? Werk je systematisch op vaste tijden met een schema voor een boek of juist intuïtief?

Ik maak een soort schema voor een boek, een korte beschrijving van alle hoofdstukken, waar ik dan later weer van kan afwijken. Een boek is best een groot en onoverzichtelijk ding, zo’n schema geeft me houvast.
Ik schrijf niet op vaste dagen of uren, maar dat zou ik wel moeten doen. Dan zou ik ook meer kunnen schrijven… ik heb nog zoveel ideeën liggen.
Als ik een deadline heb werk ik trouwens wel meer gestructureerd, en dan kan ik beter tijd ‘afschermen’ en heel veel doen in korte tijd.

Je hebt nu twee boeken geschreven, Wolfje, een boek over een meisje, een moeder in de rouw en een zwerver en een prentenboek, Nooit is voor altijd, over omgaan met verlies. Wolfje ging daar ook min of meer over. Waarom dit zware onderwerp? Heb je zelf al veel dierbaren verloren?

Ik ben in mijn jeugd een opa verloren, maar dat was nog vrij abstract. Rond mijn dertigste ben ik een vriendin en klasgenoot van de acteursopleiding verloren. Ze had leukemie en is gestorven na een akelige strijd van twee jaar, terwijl ze nog vol dromen zat. Dat heeft diepe indruk gemaakt. En ik heb altijd wel een hang naar het zware gehad. Als puber kon ik uren zwelgen en piekeren over al het leed in de wereld. Ik was toen somberder dan nu, maar dat kwam misschien door de hormonen, wie zal het zeggen. Hoe dan ook is het leven in wezen zinloos, aangezien we allemaal doodgaan. Ik vind de dood angstaanjagend, soms lachwekkend of relativerend, en altijd fascinerend. Als je ziet hoe wij mensen ploeteren en moeilijk doen, terwijl we van het ene op het andere moment de pijp uit kunnen gaan…
Schrijven over de dood is voor mij een manier om ermee om te kunnen gaan en het te onderzoeken. Ik denk dat dat onderwerp altijd aanwezig zal zijn in wat ik schrijf, hoe klein ook. Maar wie weet schrijf ik nog eens een heel vrolijk boek, met toeters en taarten en slingers.

Wolfje werd goed besproken en won de Hotze de Roos Prijs. Is het boek goed verkocht?

Wolfje heeft het zeker niet slecht gedaan, voor een debuut. Tenminste, dat hoor je dan, van anderen. Maar ondanks alle besprekingen en de Hotze de Roosprijs is de eerste druk nog steeds niet uitverkocht. Wel bijna, nu. Dus wie het nog wil hebben moet snel bestellen! Ik weet niet of er nog een tweede druk komt.

Boeken zijn tegenwoordig al snel weer vergeten. Vind je dat dit met Wolfje ook het geval is en valt dit je erg tegen of had je dat al verwacht?

Het valt me eigenlijk mee, met Wolfje. Ik had me op het ergste voorbereid, namelijk dat het een kwestie van een paar weken of hooguit een paar maanden zou zijn. Maar het heeft veel langer geduurd, en ik heb het gevoel dat het nog steeds niet helemaal stil ligt. En gek genoeg is er de laatste tijd opeens weer aandacht voor Wolfje, wat ik heel fijn vind. Dat komt misschien ook doordat ik er zelf mee bezig blijf, via mijn blogs en sociale media. Dat is allemaal niet grootschalig, het bereikt steeds een klein groepje. Maar ik denk dat het ook zo moet gaan, mensen moeten je langzaam ontdekken. Ik hoef niet meteen vol in de spotlights, laat mij maar rustig groeien. Vandaag kreeg ik een bericht van een meisje dat Wolfje heel mooi vond en zelf ook wel een boek zou willen schrijven, met een aanvulling van haar moeder die beschreef hoe haar dochter volledig was opgegaan in Wolfje, en zelfs niet meer reageerde op invloeden van buitenaf. Zo’n bericht, daar geniet ik enorm van, dat is goud waard.

Volgens mij ben je bezig met een vervolg op Wolfje. Alleen als een boek in een serie zit heeft het een langere levensduur. Is dat ook een reden voor een vervolgboek?

Toen ik klaar was met Wolfje diende het vervolg zich vanzelf aan, ik zag voor me hoe het verder ging. Ik had (en heb) niet het plan om een serie te schrijven. Ik kreeg wel weer een idee voor een derde boek over Wolfje en Rooie, maar ik weet niet of ik dat moet doen. Eerst maar het tweede boek. Het is trouwens heel fijn om door te kunnen schrijven over de personages, om die wereld te verdiepen en uit te breiden. En als Wolfje daardoor een langere levensduur krijgt, is dat mooi meegenomen.

Je bent een groot voorstander van de ‘echte’ boekwinkel. Is dat geen ouderwets standpunt en gaan die boekwinkels het niet afleggen tegen de internetwinkels?

Het is vreselijk ouderwets, maar ik kan me geen wereld voorstellen zonder echte boekwinkels. Als de boekwinkels verdwijnen zal het niet aan mij hebben gelegen. Ik doe er alles aan om mensen ervan bewust te maken dat ze kunnen kiezen waar ze iets kopen, en dat ze wel degelijk kunnen bepalen hoe de wereld eruit ziet. En ik wil iedereen laten zien hoe mooi boekwinkels zijn, vooral onafhankelijke boekwinkels. Mijn rampscenario is dat iedereen uiteindelijk toch kiest voor online kopen, voor het snelle gemak, voor dat wat iedereen al kent. Tot er nog een handjevol romantische idioten rondloopt, dat naar de enige overgebleven boekwinkel in Amsterdam moet. Aan zo’n wereld wil ik liever niet denken. Gelukkig zijn er ook positieve berichten, zoals de crowdfundactie van Lot Douze voor Boekhandel Over het water, die ik op de voet heb gevolgd. Tijdens die actie zag je dat er toch nog veel mensen zijn die van boekwinkels houden, en willen meebouwen aan een plek waar literatuur kan bloeien, en waar een ziel in zit, dankzij een bevlogen boekhandelaarster.

Deze regering en ook vorige zijn bezig om te bezuinigen op cultuur. Onder andere bibliotheken zijn daar het slachtoffer van. Hoe keren we met zijn allen dat tij?

Ik weet niet of we het tij kunnen keren. Soms vrees ik van niet. In de Nederlandse politiek en samenleving is verdomd weinig liefde voor kunst. Politici geuren met kunstenaars als het ze uitkomt, maar het beleid laat zien dat niemand zijn nek ervoor uitsteekt. Ik kan daar echt boos van worden. Er wordt steeds gezegd dat kunst de wereld niet kan veranderen, maar dat doet ze wel degelijk, en dat heeft ze altijd gedaan. Net als wetenschap. Kunstenaars lopen zich vaak te verdedigen en braaf op te noemen waarom kunst belangrijk is voor de economie, maar kunst is veel belangrijker dan economie. Dat is het huishoudboekje van de staat, meer niet. En geld is niks, alleen een middel, en tegenwoordig ook gebakken lucht, verbonden aan een ziekmakend systeem. Op alles wat werkelijk van belang is voor een samenleving is de afgelopen tijd flink bezuinigd: onderwijs, wetenschap, sociale zekerheid, gezondheidszorg, milieu, kunst en cultuur, bibliotheken, kinderopvang, enzovoort. Terwijl er dik wordt verdiend en de bonuscultuur gewoon doorgaat. Laten we hopen dat er op een dag politici komen die wel hun nek durven uitsteken en het tij kunnen keren. En ondertussen kunnen wij kleine dingen doen. Redden wat er te redden valt.

Zou er een canon voor goede kinderboeken moeten komen voor de basisschool? Welke boeken moeten daar zeker op komen te staan?

Ik ben niet zo van de canonnen. Er moeten zoveel mogelijk verschillende boeken komen op scholen. Zodat kinderen kunnen kiezen, en ook heel veel kunnen lezen, als ze dat willen.
Ik vind het wel een goed idee om een kinderboekencanon te maken voor Pabo’s. Ik heb gezien hoe belangrijk leraren zijn voor het aanwakkeren van leeslust. Als zij kinderen de weg wijzen, komt de rest vanzelf.

Wil je hier de boeken noemen die ooit veel indruk op je maakten en die je wilt aanbevelen.

Gstaad 95-98, Marek van der Jagt/Arnon Grunberg
La carte et le territoire, Michel Houellebecq
Honderd jaar eenzaamheid, Gabriel Garcia Marquez
Schrijversdagboek, Virginia Woolf
De kinderboeken van Roald Dahl, Joke van Leeuwen, Bart Moeyaert, Guus Kuijer
Negen open armen en De hemel van Heivisj van Benny Lindelauf
De Groene Bloem trilogie van Floortje Zwigtman
De gebundelde toneelstukken van de Nederlandse schrijvers Oscar van Woensel, Esther Gerritsen, Rob de Graaf, Peer Wittenbols, en verder de toneelstukken van onnoembaar veel buitenlandse schrijvers, maar als ik er één moet noemen: Drie zusters van Tsjechov. Er is net een nieuwe vertaling van Tsjechovs toneelwerk verschenen, bij Van Oorschot.
De gedichten van Wislawa Szymborska: Einde en begin
En zo kan ik nog wel even doorgaan… er zijn zoveel mooie boeken, godzijdank.

Wil je nog iets zeggen?

Ik zei hierboven dat geld niks is, maar dat is natuurlijk niet helemaal waar. Op dit moment ben ik hard op zoek naar werk. Tips of (schrijf)opdrachten zijn welkom! Mailen kan via mijn website. Je kunt me ook volgen op twitter.

En ik heb ook een tip, van 17 t/m 21 augustus speelt Overlast op de Parade in Amsterdam, een voorstelling waarin een stukje tekst van mij zit. Uiteraard over de dood, omdat we daar niet vaak genoeg om kunnen lachen. Info vind je hier!

Pin It

1 Reactie

  • Claudia, een heel mooi interview! Proficiat daarmee. Veel liefs en een stevige knuffel van Peter

Boek van de Week

Nederlands grootste vissersdorp gefileerd

Categorie: Boek van de week, Mens & Maatschappij, Non-fictie, Religie

De ontdekking van Urk – Matthias M.R. Declercq – Podium – 326 blz. Bij de naam “Urk” zal iedere Nederlander wel denken aan vis, kotters, gelovig, kerken en een aantal zal wellicht ook denken aan…

Boek van de week archief

25-november-2020 | Lees verder | Reageer!