Simone Arts was als kind een lettervreter

12-maart-2016 | Categorie: Interview

SimoneSimone Arts(1975), woonde in haar jeugd in een dorp in Brabant, met een kleine bibliotheek tussen de kerk en een maïsveld in. Zodra ze kon lezen, werd ze een lettervreter. Logisch, als je bedenkt dat elk boek dat ze las voor haar gelijk stond aan nieuwe vrienden krijgen en spannende, grappige avonturen beleven. Ze kon er geen genoeg van krijgen en wilde het zo goed mogelijk kunnen. Al gauw wilde ze dan ook niet meer dat haar ouders voorlazen; ze wilde hun voorlezen! Elke week ging ze naar die kleine bibliotheek. Daar las ze kostschoolboeken, tweeling- en drielingboeken, boeken over een huis op de prairie, probleemboeken, grappige boeken, droevige boeken en soms een avonturenboek.

De boeken van Veronica Hazelhoff, Leonie Kooiker, Enid Blyton, Guus Kuijer, Cok Grasshof, Jaap ter Haar, Erich Kästner en vooral de boeken van Astrid Lindgren voelden als een winnend lot uit loterij. Ze haalde haar gymnasiumdiploma en studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde. Ze werd vreselijk ‘leesmoe’, tot ze aan het werk ging als docent Nederlands.
Tijdens de lessen over (jeugd-)literatuur herinnerde ze zich die gelukzaligheid van het lezen en schrijven uit haar jeugd weer. Ze keek naar de kinderen in haar klassen en naar haar eigen dochters, gunde hen allemaal dat winnende-lot-gevoel en dacht: voorleven is doorgeven.
Ze zegde haar baan op en ging schrijven.

Als kind las je al ontzettend veel. Dacht je er toen al aan om schrijfster te worden?

Ja, ik wist het meteen: ik word later schrijfster. Ik schreef verhaaltjes op losse A4’tjes, tekende erbij, niette de boel aan elkaar en las het resultaat vol trots voor aan mijn ouders.
Ook typte ik graag verhaaltjes op de typemachine van mijn vader. Die stond op het studeerkamertje, op de zolder van mijn ouderlijk huis. Het aller fijnst was schrijven op grijze zondagen. Het geluid van de regen op het dakraam in combinatie met mijn getik op de typemachine vond ik superknus.

Helpt een studie Nederlandse Taal – en Letterenkunde bij het schrijven? Ik kan me ook voorstellen als je veel meesterwerken kent, je juist wordt afgeschrikt om te gaan schrijven. Hoe zit dat bij jou?

Tijdens mijn studie werd ik vooral leesmoe. Na mijn tentamens letterkunde heb ik een jaar niets voor mijn plezier gelezen, zelfs geen krantje of tijdschrift in de trein. Ik was zo gewend geraakt om iedere tekst meteen te gaan analyseren, dat de lol en spontaniteit van het lezen er echt vanaf waren.
Gelukkig is de leeshonger na een tijdje vanzelf weer teruggekeerd.
Schrijfblokkades heb ik voor het eerst ervaren tijdens de schrijfopleiding die ik, een poos na mijn studententijd, volgde bij Script+. Vroeg docente Mirjam Oldenhave tijdens de eerste les of we ons wilden voorstellen en meteen wilden zeggen bij welke uitgeverij we van plan waren te debuteren. In dat jaar heb ik niet meer geschreven dan acht pagina’s, telkens weer opnieuw en opnieuw. Bij het idee alleen al dat ik misschien ooit echt zou gaan debuteren, klapte ik finaal dicht.

Er wordt door de media nogal neergekeken op kinderboeken en de makers. Er is ook weinig aandacht voor kinderboeken in dag- en weekbladen. Ook onderwijzers lijken het lezen van kinderboeken niet erg belangrijk te vinden en lezen vaak zelf niet. Als een kind niet van lezen houdt, gaat hij/zij als volwassene toch ook niet lezen? Heb je hier een mening over?

Ik denk dat de meeste kinderen die niet graag lezen inderdaad ook niet zullen gaan lezen als volwassene, mits ze op dat vlak ‘een mentor’ treffen. Dat kan volgens mij iedereen zijn, al ligt een ouder of leraar het meest voor de hand.
Ik betwijfel of leerkrachten lezen niet belangrijk vinden. Ik denk dat ze ten eerste een te hoge werkdruk ervaren om zich in kinderboeken te verdiepen. Lezen is een traag proces; tegenwoordig moet alles snel en in hapklare brokken.
En ten tweede moet je voor schrijf- en leesonderwijs soms op een totaal andere manier durven werken dan bijvoorbeeld bij rekenen. Je moet als juf of meester de tijd en de rode pen loslaten. Een leerling laten stoppen met schrijven of lezen, omdat de tijd om is en je als onderwijzer door moet met een andere les is dodelijk voor de creatieve ontwikkeling van dat kind.
Hetzelfde geldt voor het corrigeren van spelfouten in creatieve teksten. Begrijpelijk dat je het wilt doen, maar daar gaat het écht niet altijd om.

Sinds vorig jaar ben ik Schoolschrijver. Als kinderboekenschrijver bezoek ik een half jaar wekelijks een school om daar samen met de kinderen te praten over boeken, eruit voor te lezen en met hen te schrijven. Dit jaar ben ik verbonden aan de Internationale Taalklas in Haarlem, een school voor kinderen die nog niet zo lang in Nederland zijn. De eerste dag liet ik alle boeken zien die ik wilde bespreken tijdens mijn lessen. Het waren er 25. Elke les las ik kort voor uit twee boeken. Na het traject in die groep had ik nog drie titels over; alle andere hadden inmiddels een lezer gevonden. Een jongetje vertrouwde me toe: ‘Als ik u niet had ontmoet, was ik echt never nooit niet gaan lezen.’

Je was zelf helemaal gek van de boeken van Astrid Lindgren. Is er tegenwoordig ook een schrijver(m/v) die zoveel kinderen aanspreekt of moeten we nog steeds teruggrijpen op de oude klassiekers?

Ik denk dat er genoeg schrijvers zijn die een groot publiek aanspreken, vooral ‘de serieschrijvers’: John Flanagan, Tosca Menten, Paul van Loon, Janneke Schotveld, Marlies Slegers, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Klassiekers zijn natuurlijk niet voor niets klassiekers: die blijven mooi. Al beken ik hier eerlijk dat mijn drie dochters niet koud of warm werden van Jip en Janneke, omdat de belevingswereld van die kleuters (kolenhok, schillenboer, zwemles aan een haak) toch iets te ver af stond van die van hen.

De grootste groep kinderen wil makkelijk toegankelijke, spannende boeken lezen. Vallen jouw boeken in die categorie?

Ik denk van wel. Het is fijn om een boek te schrijven waarvan je kunt verwachten dat het lees bevorderend gaat werken. Dat veel jonge lezers daarvan denken: wat een lekker verhaal was dit! Daar lust ik er nog wel eentje van!
Toch zou ik ook graag eens een ander soort boek willen schrijven, een verhaal waarin ik alle moeizaam opgedane kennis over verhaalanalyse tijdens de colleges letterkunde kwijt kan, haha!
Ik ben nu Spijkerzwijgen aan het lezen, van Simon van der Geest. Zo’n boek bijvoorbeeld … smullen!

Vragen over Plan C van Conny Schelvis:

Het verhaal van Plan C komt heel echt over, omdat we lezen wat Cees en Diede denken en beleven het in deze tijd afspeelt en een actueel thema heeft. Is het lastig om in het hoofd te kruipen van zowel een jongen als een meisje van die leeftijd?

Dat vroeg ik me ook af! En dan met name of het me zou lukken om in het hoofd van een jongen te kruipen. Het viel me heel erg mee. Dat komt misschien ook, omdat Cees zo’n mooi karakter heeft, het is een jongen met een hart van goud.
Het afwisselen van perspectief geeft vaart aan het verhaal en gek genoeg ook aan het schrijven. Als ik klaar was met een hoofdstuk over Diede, was ik zo benieuwd hoe het met Cees zou zijn, dat ik als vanzelf over hem doorschreef.

Vind je het een leuke leeftijd om voor te schrijven of is het makkelijker om voor jongere kinderen te schrijven?

Ik vind het een prachtige leeftijd om voor te schrijven. Kinderen tussen de tien en de twaalf weten al ontzettend veel, staan ook nog heel dicht bij hun fantasie en hebben over het algemeen een groot rechtvaardigheidsgevoel en heel veel power. Daar kun je meters boeken over schrijven!

Hoe kwam je er op om dit onderwerp te behandelen in een boek?

Eerlijk gezegd kwam ik er zelf niet op. Ik was aan het worstelen met een manuscript, zat helemaal vast in het schrijfproces.
Mijn uitgever belde me en adviseerde om het een poos weg te leggen. ‘Ja maar,’ zei ik, ‘wat dan? Ik ben zo vol van dit verhaal, ik weet niet of ik iets anders kan bedenken.’ We brainstormden wat over thema’s en onderwerpen en één van de ideeën van de uitgever was pleegzorg. Ik voelde meteen: dit wil ik.

Bepaalde zaken die voorbij komen in het verhaal zoals bijvoorbeeld de zorgboerderij waar de moeder van Cees werkt zijn dingen waar niet alle kinderen weet van hebben en heb je goed uitgelegd in je verhaal. Was het je bedoeling om dit soort zaken bespreekbaar te maken of paste het gewoon in de loop van het verhaal?

Ik had natuurlijk een goede een reden nodig voor pleegzorg. Waarom kon Cees niet meer thuis blijven wonen? Ik heb er lang over nagedacht hoe erg ik zijn thuissituatie wilde en kon laten zijn, zonder dat die een verhaallijn op zich zou worden. Ik wist meteen dat ik bijvoorbeeld niet wilde schrijven over fysieke mishandeling en over verslaafde ouders.
Zoekend op internet kwam ik uit op ‘liefdevolle verwaarlozing’: Cees heeft een moeder die heus wel van hem houdt en voor hem wil zorgen, ze heeft alleen de geestelijke vermogens er niet voor. Daar kan ze zelf natuurlijk niks aan doen, ze is onschuldig. Dat was belangrijk, want nogmaals, die verhaallijn mocht niet te zwaar wegen.
Ik schrijf vooral boeken, omdat ik kinderen verhalen gun. Als ik daarmee bepaalde onderwerpen bespreekbaar maak of uit de taboesfeer haal, maakt me dat zielsgelukkig.

Vragen over Plan C van Femke Schelvis(12 jaar):

Op blz. 19 stond fan-ties-tas ik dacht dat dat een foutje was omdat er verder in het boek niet echt van dit soort woordhussels staan. Ik hoorde dat je het expres zo had geschreven. Waarom heb je die persoon dan niet vaker dat soort woorden laten zeggen, zodat het niet een foutje leek?

Goeie vraag! Dat had ik kunnen doen, maar het paste niet zo bij het personage. Woordgrappen, of husselen met woorden dat is een vorm van humor. Het personage dat ‘fan-ties-tas’ zei, heeft dit een keer toevallig ergens opgepikt en zelf gebruikt, maar is verder niet zo bezig met taal. Vergelijk het maar met een onsportief iemand die zomaar een keer een potje voetbal speelt, even denkt aan Messi en dan puur toevallig een doelpunt scoort. Geinig, maar het zegt nog niet per se iets over die persoon.

Mocht jezelf aangeven of je wel of geen illustraties in je boek wilde hebben of hoe je de kaft wilde hebben?

Ik mocht er absoluut over meedenken en meebeslissen, heel fijn!

Sommige dingen worden heel duidelijk verteld, over basketbal maar ook bijvoorbeeld over de situatie van Cees thuis. Heb je hierover informatie verzameld of heb jezelf op basketbal gezeten? Is het leuk om research te doen?

Ik heb op basketbal gezeten van mijn twaalfde tot mijn twintigste. Dat is alweer een poosje geleden, dus ik heb op internet de do’s en de dont’s maar weer eens opgezocht.
Daarnaast heb ik veel informatie opgevraagd over pleegzorg en ben ik langsgegaan bij een pleeggezin. Ik vind research doen hartstikke interessant en inspirerend. Mijn verhalen zijn realistisch, van mijn fantasie alleen moet en wil ik het niet hebben.

Het lijkt er op of alles wel goed komt op het einde, maar het is ook wel een open einde. Denk je dat we ooit horen hoe of het verder gaat met Cees?

Zeg nooit ‘nooit’, al lijkt het me onwaarschijnlijk dat er een vervolg komt op Plan C.
Het lijkt me trouwens wel erg leuk om een van mijn personages (Cees of een ander) ooit eens terug te laten komen in een totaal ander boek. Hé, nu heb je me op een idee gebracht! Ik schrijf het meteen even op. 

Vragen: Pieter Feller, Conny Schelvis en Femke Schelvis

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Nederlands grootste vissersdorp gefileerd

Categorie: Boek van de week, Mens & Maatschappij, Non-fictie, Religie

De ontdekking van Urk – Matthias M.R. Declercq – Podium – 326 blz. Bij de naam “Urk” zal iedere Nederlander wel denken aan vis, kotters, gelovig, kerken en een aantal zal wellicht ook denken aan…

Boek van de week archief

25-november-2020 | Lees verder | Reageer!