Snijdende lijnen, een band tussen buitenbeentjes

18-februari-2018 | Categorie: Literatuur, Roman

In het spoor van Birma. De tweede generatie: blonde meets Indo – Femmy Fijten – Nieuwe Druk – 209 blz.

Femmy (Lagerwaard) Fijten (1953-2017) werd geboren in Schiedam en studeerde biologie. Op dat vakgebied was ze docente en ontwikkelde ze lesmateriaal. Daarnaast begon ze steeds meer fictie te schrijven. Het levensverhaal van haar oom die in voormalig Nederlands-Indië gediend heeft, inspireerde haar tot de roman Terug naar Bandung (2013). In 2015 volgde Vaarwel Soerabaja. Dit boek gaat over een jongen van Javaans-Nederlandse afkomst die verzeild raakt in verschillende oorlogen: de Japanse bezetting, de Bersiap en tot slot de politionele acties. Femmy werkte aan haar derde Indië-roman toen ontdekt werd dat zij ongeneeslijk ziek was.

Wanneer Emma, hoofdpersoon van In het spoor van Birma, in 2016 haar nieuwe roman presenteert in koloniaal museum Bronbeek (het Droste-effect, want ook de schrijfster zelf presenteerde daar een roman), ziet zij in het publiek iemand die zij ogenblikkelijk herkent van lang geleden. Iemand die een cruciale rol in haar leven gespeeld heeft. Als ze weer kijkt, is hij spoorloos verdwenen.

Dan gaan we 44 jaar terug, naar de studententijd van Emma, een vrolijke zorgeloze tijd, ogenschijnlijk, want ze is haar onbevangenheid al lang kwijt en niemand, hoe leuk ook, kan tot haar hart doordringen. Dat heeft ze jaren geleden al verpand aan een Indische jongen. Wanneer zij als student eindelijk de jongen van haar dromen in levenden lijve terugziet, bijt hij haar toe: ‘Je hebt mijn leven verziekt.’ En: ‘Ik wil nooit meer iets met jou te maken hebben.’

Waarom? Emma begrijpt het evenmin als de lezer. We keren nog verder terug in de tijd naar een naoorlogse jeugd die gekenmerkt wordt door vreugdeloosheid. De ouders hebben het bombardement op Rotterdam en de Hongerwinter meegemaakt en dat zullen de twee kinderen weten. ‘Een haal met de kaasschaaf.’ Haar zus vertelt over een bezoek aan een ander gezin waar ze uitsmijter eten: én ham én een ei op je boterham. En wanneer de ouders het niet kunnen horen, voegt ze eraan toe: en dan ook nog een plak kaas erop. Emma’s mond valt open. Ook sociaal gezien is er weinig ruimte. Het is een gesloten gezin. Direct na school naar huis, vriendinnen zijn niet welkom. Haar ouders waarschuwen haar vooral voor Indische mensen. Wanneer Emma desondanks als kleuter bij een Indische buurvrouw naar binnengaat en geniet van de warme wonderlijke sfeer en de spekkoek, wijst haar moeder haar terecht met de woorden ‘Je bent ondeugend Emma, Mama kan je niet vertrouwen’. ‘Je bent niet te vertrouwen,’ dat zegt haar moeder vaker tegen haar en met diezelfde woorden spreekt ze over buren die in de oorlog verraders waren. Ook worden de meisjes gewaarschuwd voor jongens. Voor ze achttien zijn, kunnen ze die wel vergeten. Wanneer Emma op dansles gaat, schendt zij beide geboden door verliefd te worden op een Indische jongen. Het laat zich raden hoe de ouders hierop reageren. Zij ziet de jongen gedurende haar tienertijd niet meer. Van de een op de andere dag lijkt hij van de aardbodem te zijn verdwenen.

Maar haar verlangen naar een andere wereld waarvan ze glimp heeft opgevangen, wordt alleen maar sterker. Bij een vriendin van wie de vader aan de Birma-spoorlijn gewerkt heeft, krijgt ze een dagboek in handen van een andere gevangene die eveneens als dwangarbeider tewerkgesteld was aan de spoorlijn: ‘Verslag uit de hel.’ Dit dagboek bijt zich vast in Emma’s leven. Vanaf het moment dat zij het openslaat, loopt er naast de schaduw van de oorlog een andere, een afgrond, die van de ontberingen en de gruwelen van de dwangarbeid. Wie is de schrijver van het dagboek en wat heeft hij met haar verdwenen geliefde te maken? Zal Emma hem ontmoeten en zal ze haar liefde terugzien? Het is duidelijk in de laatste scène waarin we terugkeren naar 2016, de boekpresentatie in Bronbeek. Daartussen is alles gebeurd.

De roman is niet-chronologisch opgebouwd. Je ziet hoe Emma’s levenspad in verschillende periodes dat van anderen kruist, vooral van migranten uit voormalig Nederlands-Indië. Mensen die eigenlijk nergens thuis zijn, in Indonesië zijn ze niet meer welkom, in Nederland ook niet. In zekere mate geldt dat ook voor Emma. Met haar zus heeft ze een liefdevolle band, maar die is een paar jaar ouder en leeft daardoor een andere wereld. Op school voelt ze zich ook niet helemaal thuis, zodat zij net als veel Indische mensen een buitenbeentje is. Hoewel Emma en haar geliefde de verschrikkingen van oorlog en dwangarbeid niet aan den lijve ervaren hebben, voelen zij als tweede generatie de adem van de oorlog. Zij dragen sporen van het leed dat hun ouders is aangedaan. Er is een herkennen tussen hen, een band, zoals die er is tussen buitenbeentjes. Een band die tegelijk broos en sterk blijkt te zijn.

Het boek is geschreven in een wisselende stijl. Soms is de manier van vertellen argeloos en meisjesachtig, zoals in ‘Terug naar Bandung’, de eerste Indië-roman. Zo zegt Emma: ‘met afstand de aller-allerliefste juf die ik ooit had gehad.’ Het geeft een bijzonder effect, een lichte stijl, terwijl de inhoud zwaar is. Daarnaast vind je prachtige karakteriseringen vanuit een oudere verteller, bijvoorbeeld over de man die haar het dagboek gaf: ‘Er zat gebrek aan toekomst in deze man, een overschot aan verleden.’ En: ‘Een gloeilamp begon vervaarlijk te knipperen. Zelfs het licht had genoeg van deze dramatische verhalen.’ De wisselingen in stijl passen bij de verschillende fases in het leven van Emma, en de verschillende kanten van haar karakter.
Hier en daar is zichtbaar dat de voltooiing van de roman een race tegen de klok geweest moet zijn. Zo komt Emma’s verbazing over de luxe van koekjes bij een vriendin een aantal keren terug terwijl je die als lezer nog vers op je netvlies hebt. Ook worden er enkele gebeurtenissen die in het verhaal opgenomen hadden kunnen worden, anekdotisch verteld, zoals de manier waarop de ouders er thuis de wind onder hielden. Als er meer tijd beschikbaar geweest was, waren zulke manco’s ongetwijfeld weg gepolijst. Hoewel, manco’s? Misschien niet. Althans, voor mij doen ze geen afbreuk aan het geheel. Ze dragen bij aan het authentieke karakter van de roman. Zoals het dagboek van Birma juist indruk maakt door de eigen stem van de schrijver.

Evenals de met vaart en trefzekerheid geschreven tweede Indië-roman Vaarwel Soerabaja, heeft het verhaal een sterke sociale en psychologische lading door het thema: het noodlot om in een oorlogssituatie op te moeten groeien. In deze laatste roman is nog persoonlijker uitgewerkt wat oorlog met mensen doet. Naar het einde toe wordt de atmosfeer steeds dieper en donkerder en intenser. Het is een zwanenzang.
Met In het spoor van Birma heeft de schrijfster haar Indië-trilogie voltooid. Drie aangrijpende romans. Belangrijke romans ook, omdat er veel te weinig geschreven is over wat mensen uit voormalig Nederlands-Indië ervaren hebben. Pijnlijke en dramatische ervaringen waarover de betrokkenen zelf vaak niet kunnen spreken. Als motto bij Terug naar Bandung schrijft Femmy Fijten dan ook:

‘Geef mij je herinneringen
Ik zal er een verhaal van maken
Geef mij je gedachten
Ik kleur ze als de regenboog’

Yolande Belghazi-Timman

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Nederlands grootste vissersdorp gefileerd

Categorie: Boek van de week, Mens & Maatschappij, Non-fictie, Religie

De ontdekking van Urk – Matthias M.R. Declercq – Podium – 326 blz. Bij de naam “Urk” zal iedere Nederlander wel denken aan vis, kotters, gelovig, kerken en een aantal zal wellicht ook denken aan…

Boek van de week archief

25-november-2020 | Lees verder | Reageer!