“Vertalen is geen vetpot”

18-april-2020 | Categorie: Interview

Aleid van Eekelen haalde, na een aantal jaren als beroepskeuze-adviseur, de akte Engels MO-A en begon daarna thuis met het geven van bijles Engels en Engelse conversatieles. De vele contacten bevielen uitstekend, maar het gebrek aan diepgang ging haar steeds meer dwarszitten. Een opleiding tot vertaler bij het ITV volgde. Sinds 1997 werkt ze als boekvertaler. Inmiddels heeft ze ruim honderd boeken op haar naam staan, in alle soorten en maten. Voor volwassenen vertaalde ze (alleen of in duo) onder andere boeken van Aminatta Forna, Jonathan Dee, Roxane Gay en Jo Baker.

Voor kinderen vertaalde ze onder andere boeken van Brian Selznick en Lucy Strange en voor jongvolwassenen onder meer boeken van John Green, Francisco X. Stork en Ruta Sepetys. Haar vertaling Waar het licht is (All The Bright Places) van Jennifer Niven won de Dioraphte Literatour Prijs 2016, zowel de juryprijs als de publieksprijs.

Hans Boland, de vertaler van Anna Karenina van Tolstoj, zegt over vertalen: “De grootste valkuil voor een literair vertaler is blijven hangen in het origineel. Je moet dicht bij de taal blijven, wordt wel eens gezegd, maar dat is niet juist. Je moet dicht bij de context blijven.” In hoeverre ben jij het daarmee eens?

Ik denk dat hij daarmee de essentie van ons vak weergeeft. Dat wordt grappig genoeg geïllustreerd door het moment waarop ik daarmee voor het eerst bewust werd geconfronteerd en het vertaalvirus mij in zijn greep kreeg. Tijdens mijn eindexamen Grieks, lang geleden, kwam ik bij één zin voor de keuze te staan: ik kon hem vrij letterlijk vertalen en zo netjes en risicoloos in het Nederlands opschrijven wat er stond, óf ik kon het Grieks loslaten, de zin totaal omgooien en zo weergeven wat de schrijver volgens mij wilde zeggen. Met het risico dat ik ernaast zat. De durf en de voldoening van toen zijn me altijd bijgebleven. Zo werkt dat: door dicht bij de taal te blijven kun je best goed Nederlands krijgen, maar dat is niet genoeg. Een vertaling moet een echte, levende, idiomatische tekst zijn. Dat begint bij de stap van ‘it’s raining cats and dogs’ naar ‘het regent pijpenstelen’, daarbij snapt iedereen dat je het niet letterlijk kunt vertalen, maar het gaat oneindig veel verder. Met dicht bij de taal blijven kom je als vertaler een heel eind, maar de valkuil zit ’m erin dat je daar genoegen mee neemt en de volgende stap vergeet: afstand nemen van de tekst, kijken wat er nu eigenlijk staat en er dan écht Nederlands van maken.

Ben je weleens aan een vertaling begonnen waarvan je na een paar hoofdstukken dacht: ‘ik kan hier niets mee, ik moet deze opdracht teruggeven’?

Gelukkig niet! Maar dat komt ook doordat ik eigenlijk nooit een vertaling aanneem zonder het manuscript van tevoren op z’n minst gedeeltelijk te lezen. Alleen als het gaat om een auteur van wie ik al eerder werk heb vertaald durf ik een opdracht ongezien aan te nemen.
Wat niet wil zeggen dat ik nooit met de handen in het haar zit. Vreemd genoeg blijkt bijna elk boek tijdens het vertalen een stuk lastiger dan het leek toen ik het ‘gewoon’ las, iets wat ik ook vaak van collega’s hoor. Elke auteur heeft zijn eigen stem, zijn eigen stijl, die ook in het Nederlands moet doorklinken, en de ene stem en stijl zijn makkelijker in de vingers te krijgen dan de andere. Bij woordspelingen merk je pas als je ze moet vertalen hoe gewiekst ze zijn.

Op welke vertaling van jouw hand ben je het meest trots, en waarom?

Om deze vraag te beantwoorden ben ik even voor mijn boekenkast gaan staan, maar ‘trots’ is eigenlijk niet een woord dat bij me opkomt. Ik zou liever spreken van ‘voldoening’, en die betreft dan vaker een fragment of een woord dan een heel boek. Zo moest ik voor de vertaling van Malamander, van Thomas Taylor, voor het eerst ook de namen vertalen: die op de plattegrond van Eerie on Sea/Owee aan Zee, waar het verhaal zich afspeelt, en die van alle personen. Vrijwel al die namen hadden met de zee, schepen en vissen te maken, en bij sommige was het een heel gepuzzel om achter die betekenis te komen, en er vervolgens een raak Nederlands equivalent voor te vinden.
Ook woordspelingen kunnen erg lastig zijn. Ik herinner me een verteller die toen het uitging met haar grote liefde bladzijden lang speelde met de woorden ‘break’ en ‘blue’ in al hun betekenissen. Misschien enkele daarvan waren letterlijk te vertalen, maar om genoeg variaties bij elkaar te krijgen moet je dan als vertaler zelf aan de bak en met eigen verzinsels komen. Dat soort puzzels oplossen vind ik erg leuk en daar haal ik ook veel voldoening uit.

Roep je bij lastige vertaalkwesties weleens hulp in van collega’s?

Nou en of! Allereerst ben ik al vele jaren lid van de onvolprezen boekvertalerslijst. Dat is een mailinglist van, inderdaad, boekvertalers. We leggen elkaar vertaalproblemen voor, discussiëren over ontwikkelingen in het vak en attenderen elkaar op recensies. Het voordeel van zo’n groot netwerk is dat er altijd wel iemand is die het antwoord op je vraag weet. In mijn vertaling Stilte heeft een eigen stem, van Ruta Sepetys, kwam een aantal ambassadefuncties voor, iets waar ik niets van afweet en wat ook niet even in het woordenboek op te zoeken is. Eén vraag op de boekvertalerslijst hielp me aan een stuk of tien mensen die zelf op een ambassade hadden gewerkt of iemand kenden die er werkte.
Maar die lijst is niet het enige. Ik heb enkele collega’s die ik geregeld lastigval om even te brainstormen, en dat is wederzijds.
Toen ik enkele poëziefragmenten van Ted Hughes moest vertalen, voor De dag van Eden, van Liz Flanagan, heb ik daar met collega’s Annelies Jorna en Ineke Lenting zelfs een mini-workshop van gemaakt.
(Voor de duidelijkheid: die vormen van werkoverleg vinden via de mail plaats. Als we elkaar ‘in het echt’ ontmoeten praten we meestal over heel andere zaken!)

Wat doe je als je even vastloopt in een vertaling?

Doorgaan. Tijdens mijn eerste, nog heel onaffe vertaalronde moet er gewoon iets stáán, hoe slecht of ontoereikend ook. Dus als ik het zo gauw niet weet, zet ik maar iets halverigs dat dan ergens in mijn hoofd door suddert tot het later in een betere vertaling kristalliseert.
Daarnaast is het ook vaak een kwestie van even koffie halen, de was inzetten, de tuin in lopen, oftewel even het hoofd leegmaken. En van potlood en papier op het nachtkastje om de invallen van vlak voor het in slaap vallen te noteren.

Vind je het prettig om een schrijver vaker te vertalen, zodat je de schrijfstijl beter leert kennen? Heb je tijdens het vertalen soms contact met de schrijver?

Ja, dat vind ik heel prettig. Je voelt je dan meteen thuis in zo’n boek, ook al is het een totaal ander verhaal. Bij mijn tweede vertaling van Ruta Sepetys was dat heel sterk: zij heeft een heel eigen stijl, waar ik meteen weer in zat: o ja, zo schrijft zij.
Bijna elke vertaling levert wel een of meer vragen op die ik graag aan de auteur wil voorleggen, dus ik zoek bijna altijd contact. Ook als ik dingen moet veranderen of invullen doe ik dat het liefst in overleg. Om bij Sepetys te blijven: iemand heeft twee ‘siblings’: een broertje en een zusje, twee zusjes of twee broertjes? In Ons kasteel aan zee, van Lucy Strange, komt een boot voor die de ‘Faith’ heet, maar omdat ik de ‘Geloof’ geen naam vond voor een boot hebben we uitgebreid overlegd over wat het dan wel zou kunnen worden. Een voorbeeld waarbij de actualiteit een rol speelde: in Lily en de octopus, een roman voor volwassenen van Steven Rowley, werd iets over Prince gezegd, maar in de tijd tussen schrijven en vertalen was die zanger overleden, en in overleg met de auteur heb ik dat toen iets aangepast.
Tot slot: vaak betrap je als vertaler de auteur op fouten. Niet zo vreemd, want niemand leest een tekst zo grondig als juist de vertaler, die precies moet kijken wat er staat en wat de auteur bedoeld kan hebben. De meeste auteurs nemen dat overigens heel sportief op.
Het is mijn ervaring dat auteurs het eigenlijk altijd op prijs stellen als je contact met ze opneemt, en het levert vaak een leuke mailwisseling op.

Kun je van het vertalen leven? Hoe ziet een contract met een uitgever eruit? Word je bijvoorbeeld betaald per woord?

Om maar eens een open deur in te trappen: vertalen is geen vetpot.
Ik werk uitsluitend met het modelcontract voor literaire vertalingen, waarin onder meer een woordbedrag (op dit moment 6,6 cent per woord, al enkele jaren niet meer geïndexeerd) en de uitkering van royalty’s zijn vastgelegd. Daarnaast kan ik voor de vertaling van een boek van goede literaire kwaliteit een projectsubsidie aanvragen bij het Letterenfonds, iets wat bij mij in ongeveer één op de vijf opdrachten voorkomt.
Tot slot is er het LIRA-geld: voor elk boek dat in de bibliotheek wordt uitgeleend krijgt de auteur, dus ook de vertaler, een klein bedragje.
Zo alles bij elkaar lijkt het heel wat, maar laat ik het er maar op houden dat ik erg blij ben dat ik niet van mijn inkomen alleen hoef te leven.

Waar werk je het liefst?

In mijn werkkamer, aan mijn vaste computer. Alleen een nieuw manuscript lees ik weleens in de woonkamer of in de tuin.

Is er een boek dat jij dolgraag vertaald zou hebben?

Eigenlijk niet. Integendeel, ik vind dat ik, zeker de laatste jaren, verschrikkelijk fijne boeken te vertalen krijg.

Kom je nog wel aan lezen voor je plezier toe, en zo ja, wat voor boeken lees jij dan het liefst?

Ik lees veel en graag, al heb ik wel last van het vertalerssyndroom: Engelse boeken zit ik onwillekeurig te vertalen en bij vertalingen zit ik me als vanzelf af te vragen wat er oorspronkelijk stond. Dat stoort nogal, maar gelukkig helpt het wel als ik mezelf even streng toespreek.
Ik ben een grote fan van Kate Atkinson, Mark Haddon, Ian McEwan en Elizabeth Jane Howard. Bij Nederlandse boeken denk ik meteen aan Rascha Peper, van wie ik bijna alles in de kast heb staan. Maar als het druk is in mijn hoofd, bijvoorbeeld omdat ik midden in een lastige vertaling zit, of als de wereld op zijn kop staat zoals nu, lees ik het liefst makkelijke, spannende boeken, vooral detectives.

Wil je je favoriete boeken buiten jouw taalgebied noemen?

Kortgeleden heb ik De menselijke maat gelezen, van Roberto Camurri en uit het Italiaans vertaald door Manon Smits. Prachtig en sfeervol, ik kon het niet wegleggen. Maar eerlijk gezegd lees ik vrijwel uitsluitend Engelse (inclusief Amerikaanse) en Nederlandse boeken.

Hier is ruimte om iets te zeggen dat je aan de lezers wilt meegeven.

Een aansporing tot lezen lijkt me hier overbodig, maar wat ik wel graag wil zeggen: lees alsjeblieft alleen boeken waarvoor je fatsoenlijk hebt betaald. Anders hebben we straks alleen nog een handjevol succesauteurs en heeft de rest noodgedwongen een andere broodwinning gekozen.

Vragen: Tiny Fisscher en Pieter Feller

Kijk hier voor een overzicht van Aleids vertalingen.

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Monument voor een tante

Categorie: Biografie & Autobiografie, Boek van de week, Columns & Korte verhalen, Non-fictie

Tante Jo – Sander Donkers – Lebowski – 160 blz. Sander Donkers (1967) is journalist, schrijver en columnist voor de Volkskrant. Hij schreef eerder een biografie over de zanger van The Golden Earring, Barry Hay,…

Boek van de week archief

13-november-2020 | Lees verder | Reageer!