Een zoektocht naar Bruegel

26-juni-2016 | Categorie: Biografie & Autobiografie, Kunst & Cultuur

Pieter Bruegel. De biografie – Leen Huet – Uitgeverij Polis – 435 blz.

Pieter Bruegel_coverNet als veel andere kinderen heeft auteur Leen Huet in haar kinderjaren kennis gemaakt met het werk van Bruegel via de stripverhalen van Suske en Wiske. In het album De dulle Griet slaagt professor Barabas erin dit personage uit het gelijknamige schilderij terug te flitsen naar onze tijd. Als Antwerpenaar kende Willy Vandersteen maar al te goed dit kunstwerk: het hangt namelijk in het Antwerpse museum Fritz Mayer van den Bergh. De man naar wie dit museum is genoemd, was de eerste die terug actief zocht naar een werk van Bruegel nadat de schilder eeuwen in de vergetelheid was geraakt. Huet beschrijft in het begin van haar boek uitgebreid het schilderij dat Mayer van den Bergh kocht in 1894. Op basis van het jaartal waarin het werd geschilderd (1561) brengt ze een hypothese naar voren omtrent de gebeurtenissen die mogelijk aan de basis lagen van dit werk. In dat jaar beleefde de Scheldestad zonder twijfel hét literaire topjaar in de geschiedenis met het landjuweel van de Brabantse rederijkerskamers. De Mechelse rederijkerskamer De lisbloem vermeldde in hun factie: ‘En Griete die den roof haelt voor den helle’. Bruegel kan zich op deze versregel hebben geïnspireerd voor zijn schilderij maar het kan ook andersom: misschien hebben de Mechelse rederijkers zich gebaseerd op het schilderij.

Deze hypothese is niet de enige die in dit boek wordt geformuleerd. Over het leven van Pieter Bruegel weten we immers quasi niets. De kunstenaar heeft, behalve zijn kunstwerken dan, immers geen documenten of brieven nagelaten. Gelukkig is er nog het schilder-boeck van Karel van Mander dat in 1604 in Haarlem werd uitgegeven. Diens bijdrage over Bruegel is de rode draad doorheen het boek aangevuld met ander (beperkt) bronmateriaal. Zo weten we niet wanneer Bruegel is geboren. Zijn vermoedelijke geboortedatum wordt afgeleid uit het jaar 1551, het jaar van inschrijving als vrijmeester in de Sint-Lucasgilde van Antwerpen. Waarschijnlijk was de schilder toen 25 à 30 jaar oud. Verschillende dorpen en steden, zoals Breda en Brogel, beweren de geboorteplaats te zijn van Bruegel maar een duidelijk bewijs ontbreekt. Ondanks deze beperkte feiten is Leen Huet erin geslaagd een omvangrijk werk te publiceren.

Enerzijds realiseert ze dit dus door een aantal hypothesen en interpretaties te formuleren of te suggereren. Alhoewel dit geen feitelijk materiaal is, kadert ze alles in de context van de toenmalige maatschappij. Ze duidt zeer goed aan hoe en op welke basis ze tot haar uitspraken komt. Verder weidt ze in het boek voortdurend uit over de personen, technieken, de toenmalige kunstenaarswereld in Antwerpen en het politieke en religieuze klimaat. Wie geïnteresseerd is in kunstgeschiedenis zal dan ook heel wat bijleren. Heel interessant bijvoorbeeld is de uitgebreide aandacht die ze besteedt aan de Italiëreis van Bruegel. Een gegeven dat het ‘boerse’ karakter van Bruegel nuanceert. Dergelijke reis was niet voor elke kunstenaar weggelegd: je moest de nodige middelen en aanbevelingsbrieven hebben. Leen Huet slaagt erin deze boeiende reis te reconstrueren ook al is het beschikbare bronnenmateriaal toch wel heel beperkt. De tekeningen en schetsen die hij toen van landschappen heeft gemaakt, zijn de oudst gekende werken van Bruegel. Alpenlandschappen zullen later blijven terugkomen in zijn werken. Ook het aspect water zal een steeds terugkerend element worden in zijn tekeningen en schilderijen. In Rome werkt hij samen met de bekendste miniaturist van Italië Don Giulio Clovio. Dit wijst er toch op dat hij geen tweederangs schilder was. Toen hij naar Italië afreisde, had hij trouwens zijn opleiding achter de rug bij Pieter Coecke van Aelst. Deze schilder was thuis in de kringen van Maria van Hongarije en Karel V. Terug uit Italië zal Bruegel voor de kunsthandelaar Hieronymus Cock landschapsprenten en moraliserende prenten ontwerpen.

De schilder zal al vlug bij het publiek als een opvolger van Jheronimus Bosch worden beschouwd. Vanaf 1554 begint Bruegel opnieuw regelmatig te schilderen. Uit die periode stammen werken zoals De spreekwoorden, De kinderspelen en De strijd tussen carnaval en vasten. Deze werken werden volgens Huet opgehangen in de ontvangstkamer van de rijke Antwerpenaar. De schilderijen nodigden uit om samen met gasten details te ontleden en er geamuseerd naar te kijken. Kortom ze braken het ijs bij het ontvangen van genodigden. Karel van Mander schreef dan ook over de toeschouwer die keek naar deze werken: “ja hoe stuurs, fronsend en deftig hij ook is, hij moet ten minste meesmuilen of grinniken.” Over meesmuilen gesproken: Van Mander vermeldt ook een roddel over Bruegel. De kunstenaar woonde lange tijd samen met een vrouw van eenvoudige komaf. Bruegel wil wel met haar trouwen op voorwaarde dat ze het liegen zou laten. Hij maakt een overeenkomst met haar: alle leugens waarop hij haar betrapte, zou hij kerven in een stok. Bruegel gunde zijn geliefde wel wat marge: hij koos namelijk een lange kerfstok. Maar het mocht niet baten: uiteindelijk zal Bruegel in het huwelijk treden met de dochter van zijn leermeester Pieter Coecke. Hij verhuist ook naar Brussel. Zakelijk een goede zet daar in deze stad niet zoveel schilders met naam en faam aanwezig waren. In zijn Brusselse periode komen onder meer zijn boerentaferelen tot stand. Leen Huet besteedt trouwens in het algemeen zeer veel aandacht aan de beschrijving van de schilderijen. Het is een middel om Bruegel toch enigszins te leren kennen. In zijn schilderijen manifesteert Bruegel zich als een man die met een open blik in zijn tijd stond. Hij dacht na over de problemen waar zijn tijdgenoten mee worstelden. Dit koppelde hij aan zijn kennis van Italiaanse renaissancewerken, Romeinse monumenten (het Romeinse Colosseum was een inspiratiebron voor de Toren van Babel). In het boek zijn twee katernen opgenomen met in totaal tweeëndertig kleurafbeeldingen van werken van Bruegel. Misschien wel niet de meest handige manier om naast de beschrijvingen in het boek te houden.

Na de dood van Bruegel komt heel wat van Bruegels werk terecht in Praag door de verzamelwoede van keizer Rudolf II. Vooral de oudste zoon van Bruegel, Pieter de Jonge, zal het werk van zijn vader massaal kopiëren. Leen Huet beëindigt haar boek met een overzicht van hoe schrijvers dachten over Bruegel. Zo was de schilder een belangrijke inspiratiebron voor Marguerite Yourcenar. In het Nederlands taalgebied heeft Felix Timmermans een zeer populair boek geschreven over de kunstenaar. Huet rekent echter meedogenloos af met het beeld van Bruegel als neurotische angsthaas die Timmermans heeft neergezet. Achterin het boek vinden we nog de eindnoten terug, een bibliografie en personenregister. Als toemaatje is ook nog de originele tekst van Karel van Mander over Bruegel integraal weergegeven.

Kunsthistorica Leen Huet heeft een boeiende beschrijving gegeven over Bruegel door zijn schilderijen te laten spreken. Ze rekent op overtuigende wijze af met het beeld van de ‘boeren-Bruegel’. Het zeer goed gestoffeerd boek leert ons ook heel wat over de kunstenaarswereld tijdens de Gouden Eeuw van Antwerpen toen de stad het intellectueel, humanistisch, economisch en artistiek centrum was van de Nederlanden.

Kris Muylle

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Indringende verhalen over de oorlog

Categorie: Boek van de week, Dagboek, Oorlogsboeken

Oorlog in inkt. Dagboekverhalen – Annemarie van den Brink en Suzanne Wouda – illustraties Steef Liefting 2000 – Ploegsma – 207 blz. Kinderboeken over de Tweede Wereldoorlog zijn in grote aantallen verschenen. Spannende, hartverscheurende en…

Boek van de week archief

25-maart-2020 | Lees verder | Reageer!