Brouwers over Bomans

14-juli-2014 | Categorie: Biografie & Autobiografie

Over Godfried Bomans – Jeroen Brouwers – Atlas Contact – 194 blz.

Bomans coverGodfried Bomans kon ‘liegen’ alsof het gedrukt stond. Van Simon Carmiggelt is de anekdote dat Bomans eens op een feestje aan alle dames, om de beurt, zijn levensverhaal vertelde: ‘Alle verhalen waren volkomen verschillend, zodat er, na ons vertrek, heel wat misverstanden rond zijn persoon zullen zijn ontstaan’. Bomans hield van dergelijke acties. Een van zijn favoriete uitspraken luidde: ‘De waarheid is, wat ik er van maak’. In een interview dat hij in 1961 met Bibeb had voor Vrij Nederland was hij daar nog eerlijker over: ‘ik heb (lacht) veel moeite me aan de waarheid te houden. Ik kan uren liegen, ja dat kan ik’.

Die ‘liegende’ Bomans is zoals veel mensen hem zich zullen herinneren. Waarbij het woord liegen beter vervangen kan worden door een term als fantaseren, of improviseren. Voor de radio en later ook op de televisie, in programma’s als Kopstukken (vanaf 1959) en Zo is het toevallig ook nog ’s een keer (1963-66), kon hij voor de vuist weg de meest idiote verhalen verzinnen. Hij sprak zacht, aarzelend, zorgvuldig zijn woorden kiezend. In de zaal was het vrijwel altijd muisstil, het gehoor hing als gehypnotiseerd aan zijn lippen.

Ook tijdens lezingen spreidde hij die gave ten toon. Soms werd het een act. Brouwers daarover: ‘Hij heeft tijdens de inleiding van de voorzitter wel een grote tas op het spreekgestoelte geplaatst waaruit hij dan van alles tevoorschijn haalde dat hij onverstoorbaar op de lessenaar voor zich plaatste: een pijp, een brillendoos, een boek, een wekker, een fietspompje, een tijdschrift, een bundel papieren, nog een boek, een elastiekje, een flesje chocomel, een zak pruimen, en ten slotte, altijd, bij wijze van apotheose, een pyjama. [….] Een beetje scheel, zoals hij wel kon kijken, keek hij dan vervolgens van de voorzitter naar het publiek, en sprak: Men weet maar nooit waar de avond eindigt en de nacht begint’.

Bomans’ geïmproviseerde lezingen, eigenlijk meer lichtvoetige causerieën, waren dan misschien sprankelend van zegging, de inhoud was flinterdun. Hij gaf dat zelf ook toe, verklaarde dat de waarde van zijn werk niet lag in wat er werd gezegd maar hoe het werd gezegd. De literaire kritiek plakte hem op basis van zijn belangrijkste werken – Memoires of gedenkschriften van Minister Pieter Bas (1936) en Eric of Het klein insectenboek (1941) – het etiket ‘humorist’ op. Daarmee bevond hij zich in dezelfde categorie als Annie M.G. Schmidt en Simon Carmiggelt. Deze twee ontvingen tegen het einde van hun loopbaan belangrijke literaire prijzen, Bomans niet. Dat vrat aan hem.

Brouwers laat mooi zien hoe Bomans dat gebrek aan literaire waardering voornamelijk aan zichzelf te wijten had. In 1945 nam hij twee redacteurschappen aan, bij Elseviers Weekblad (1945-49) en bij de Volkskrant (1945-46). Voor die krant schreef hij ook de strip over Pa Pinkelman en tante Pollewop. Hij werd dus journalist, schreef feuilletons en ook nog columns. Hij werd, in de woorden Brouwers, ‘opgeslokt door de niet te stillen vraatzucht van het krantenbedrijf’. Daarnaast werd hij een bekende persoonlijkheid, een ‘nationale huisgenoot’, een BN’er voordat die term bestond. Tegen het eind van zijn leven was hij veruit de bestverkopende auteur van Nederland. Met bundelingen van zijn krantenstukken, zijn feuilletons, zijn columns. Of, weer in Brouwers’ woorden, met ‘bundelingen van bundelingen, herbundelingen van herbundelingen’. De alleszeggende titels van die uitgaven zijn Buitelingen (1948), Nieuwe buitelingen (1955) en Oude en nieuwe buitelingen (1970). Een ‘echt boek’ heeft hij na 1950 nooit meer geschreven.

Wellicht ontstaat nu de indruk dat Bomans in deze biografie als een mislukt schrijver wordt neergezet. Niets is minder waar. Brouwers is kritisch en oprecht. Hij zet Bomans neer als een man die weliswaar voor de gemakkelijke – lees: niet-literaire – weg koos, maar dat deed omdat hij over talenten beschikte die deze keuze rechtvaardigden. De jeugd van Bomans, zijn studietijd, zijn voorliefde voor het optreden als Sinterklaas, zijn verafgoding van Charles Dickens, het literaire klimaat in zijn woonplaats Haarlem, zijn omgang met het katholieke geloof en een broer in het klooster en, vanzelfsprekend, ook zijn spraakmakende verblijf op Rottumerplaat in 1971, kort voor zijn dood: het zijn al deze wezenlijke en soms ook minder belangrijke bouwstenen waaruit Brouwers een overtuigende biografie heeft samengesteld.

Brouwers bewondert vooral de stilist Bomans, de Bomans die mededelingen doet die uitblinken door hun eenvoud, bondigheid en nauwkeurigheid. In de uit zeven dikke banden bestaande Verzamelde Werken vindt hij die stukken vooral in de delen vier en vijf, waarin een selectie is opgenomen van de journalistieke en beschouwelijke bijdragen aan de Volkskrant en Elseviers Weekblad. Het zijn staaltjes van ‘briljante formuleerkunst’. Van het literaire werk waardeert hij vooral Erik en de Sprookjes. Over dit laatste werk ter afsluiting een citaat van Bomans: ‘Sprookjes schrijven is moeilijk, omdat men van veel mogelijkheden dient af te zien. Ironie, sarcasme, elke vorm van humor behalve die in de situatie zelf is gelegen – men moet het allemaal prijsgeven in ruil voor een directe, snelle en heldere wijze van zeggen.’ De essentie van het schrijverschap. Hij kon het.

Peter van der Ploeg

Pin It

1 Reactie

  • Mooi stukje…Ga het zeker lezen.

Boek van de Week

Nederlands grootste vissersdorp gefileerd

Categorie: Boek van de week, Mens & Maatschappij, Non-fictie, Religie

De ontdekking van Urk – Matthias M.R. Declercq – Podium – 326 blz. Bij de naam “Urk” zal iedere Nederlander wel denken aan vis, kotters, gelovig, kerken en een aantal zal wellicht ook denken aan…

Boek van de week archief

25-november-2020 | Lees verder | Reageer!