Creatief intellect om erger te voorkomen

14-november-2018 | Categorie: Biografie & Autobiografie, Essays

Een iets beschuttere plek misschien – Cyrille Offermans – De Arbeiderspers – 564 blz.

Homo universalis: het is een wat ouderwets woord, en strikt genomen kan geen enkele intellectueel nog voldoen aan de criteria voor deze bijzondere mensensoort; daarvoor zijn vooral de bètawetenschappen veel te specialistisch geworden. Maar de aandrang om relevante ontwikkelingen in cultuur, literatuur, maatschappij en politiek te volgen en erover na te denken, ze in samenhang met elkaar te zien en er iets (eigen)zinnigs over te zeggen is gebleven, niet alleen bij sommige sociale wetenschappers maar vooral ook bij schrijvers van essays.
Cyrille Offermans (1945), neerlandicus en gelauwerd essayist, heeft na zijn studie in Amsterdam een groot deel van zijn leven als leraar Nederlands in Zuid-Limburg gewerkt. Hij heeft, zoals hij het zelf formuleert, zijn schrijverschap altijd gecombineerd met een normaal ‘burgerlijk’ bestaan, en kent daarom de wereld niet alleen maar uit de boeken. De Arbeiderspers vroeg hem voor haar reeks Privé-domein in 2017 een intellectueel journaal bij te houden van wat hem in dat jaar opviel en bezighield, privé en politiek, in de cultuur, de maatschappij en, uiteraard, de literatuur. Een vrije opdracht dus, die niet alleen een prachtig tijdsdocument heeft opgeleverd, maar vooral ook een inkijk in het hoofd van een linkse intellectueel, een 21e-eeuwse homo universalis in hart en nieren.

De titel van het boek, Een iets beschuttere plek misschien, komt uit een dichtregel van Hans Tentije. Offermans koos hem omdat die woorden een belangrijke aandrift, niet de enige, voegt hij er meteen aan toe, van zijn schrijverschap tot uitdrukking brengen: ‘het zoeken van alternatieven, van ontsnappingsmogelijkheden uit een beklemmend bestaan’.
En beklemmend was het, het bestaan in 2017. De oorlog in Syrië en de verkiezing van Trump. Het opkomende nationalisme en het presidentschap van Macron (‘een neoliberaal in hart en nieren’). De gedachteloze verengelsing van het wetenschappelijk onderwijs en de bijna paranoïde afkeer van de verworvenheden van de jaren zestig. Offermans zegt er verstandige dingen over, opmerkingen die iets toevoegen aan het beeld dat je je van deze gebeurtenissen gevormd had.

Voor een deel komt dat door zijn scherpe observaties bij de fenomenen die hij beschrijft. Over ‘routine’ bijvoorbeeld merkt hij op dat die vaak ‘leidt tot vergeten van de tijd die aan routinevorming voorafging, en dat vergeten tast de kracht van onze empathische vermogens aan.’
Naar aanleiding van het werk van socioloog Richard Sennett en psycholoog Paul Verhaeghe bekritiseert hij de neoliberale omarming van, wat hij noemt, ‘de mateloos flexibele mens’. Maar, zegt Offermans, er is helemaal ‘geen behoefte aan nog meer flexibiliteit, discontinuïteit en mateloosheid, er is behoefte aan nieuwe, niet-paternalistische vormen van autoriteit, gebaseerd op een grote, vertrouwenwekkende kennis van zaken en het vermogen die over te dragen op anderen.’

Misschien komt in deze hartenkreet wel het duidelijkst de kern van Offermans’ missie naar voren. Kennis, reflectie, bedachtzaamheid. Inlevingsvermogen, durf, creativiteit. Immers: ‘meer dan ooit vraagt de globaliserende en in al zijn voegen krakende wereld om creatief intellect dat zich richt op het voorkomen van erger’. Toch is Offermans geen cultuurpessimist.
Sommige van Offermans’ notities zijn persoonlijk en hebben bijvoorbeeld zijn stille vader, opgroeien in de jaren vijftig, of de aanschaf van een nieuwe bril (‘de belangrijkste uitvinding van de mensheid’) tot onderwerp. De meeste van de bijna 150 stukken echter, keurig verdeeld over de twaalf maanden, gaan over schrijvers, kunstenaars en cultuur. Over het tijdschrift Raster, over de overschatte fotografe Rineke Dijkstra, en over de in 2017 overleden avant-gardistische schrijver John Berger. Over Jac Vogelaar, Ivo Michels en Huub Beurskens. Over Bas Heijne aan wie volgens Offermans ten onechte de P.C. Hooftprijs voor beschouwend proza werd toegekend; Ton Lemaire, Carel Peeters of Jeroen Brouwers hadden immers veel meer recht op die prijs. Over kindertekeningen, Paul Klee, en over de dependance van het Louvre in Abu Dhabi, waar de tentoongestelde werken zo volledig uit hun context zijn gehaald dat ze alleen nog maar het vluchtige genot van de kunsttoerist kunnen dienen in plaats van aan te zetten tot reflectie en zelfreflectie.

Zeer relevant, ten slotte, vond ik ook Offermans’ beschouwing over de fundamenteel Angelsaksische geörienteerdheid van de Nederlandse cultuur en literatuur. Niet minder dan zeventig procent van alle literaire vertalingen zijn vertalingen uit het Engels, maar de schaduwzijde daarvan is een alsmaar groeiende blinde vlek voor de continentaal-Europese cultuur. Deze constatering geldt volgens Offermans vooral voor het Nederland van boven de rivieren. In Zuid-Nederland en in Vlaanderen lijkt de Angelsaksische dominantie minder groot. Vlaamse essayisten en prozaschrijvers hebben met name het contact met Frankrijk en de Franse literatuur nooit verloren, en misschien wel daarom heeft het literaire experiment in Vlaanderen altijd meer enthousiasme opgewekt dan in het nuchtere Nederland. Opnieuw een observatie die tot nadenken stemt… .

Hein-Anton van der Heijden

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

De beer is los!

Categorie: Boek van de week, Jeugdboeken, Klassieker

De beroemde bereninvasie van Sicilië – Dino Buzatti – vertaling Renata Vos – Karaat – 132 blz. Voorafgaande aan de bespreking eerst iets over Dino Buzatti (1906-1972). Nog voor hij zijn studie had afgerond…

Boek van de week archief

11-augustus-2019 | Lees verder | Reageer!