“Ik ben absoluut schatplichtig aan Koot & Bie”

30-april-2019 | Categorie: Interview

Willem Frederik Erné is geboren te Utrecht op 31 januari 1953 als zoon van een kerkorganist/klankregisseur bij de NRU en een huisvrouw/dichteres. Hij bezocht het gymnasium en studeerde Musicologie in zijn geboorteplaats. Als theatermuzikant trad hij in de jaren tachtig op in o.a. de programma’s van Seth Gaaikema, Tineke Schouten en Henk Elsink. Ook maakte hij in die tijd een single met duo The News: Funny Faces. In de negentiger jaren had Erné een eigen studio en maakte producties voor commercials, korte films en eigen werk. Vanaf 2000 is hij als vertaler in dienst van een vertaalbureau, waar hij o.a. reisgidsen vertaalde. Zijn schrijversloopbaan begint midden negentiger jaren met enkele non-fictie jeugdboeken. Zijn romandebuut voor volwassenen De Arrogantie van het doorgeefluik verscheen in 2017 bij zijn eigen uitgeverij De Wielen2 (De Wielende Wielen). Willem zegt zelf: “Ik houd van dingen maken, of dat nu een song, een roman of een maaltijd is.”

Onlangs verscheen zijn tweede roman Van de liefde en de zee. De inhoud is volgens zijn zeggen “losjes gebaseerd op de grootvader van mijn vrouw”. Die was voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog machinist bij de SMN, Stoomvaart – Maatschappij Nederland. Ik ben snel zijn eersteling, De Arrogantie van het doorgeefluik, gaan lezen. Ik verbaasde mij over het verschil tussen beide boeken. Is dit dezelfde schrijver? Daar moest ik meer van weten en ik denk de lezers ook. Hieronder geeft Willem enige toelichting.

Hoe ben je ertoe gekomen om een roman te gaan schrijven?

Ik wilde het altijd al, maar was er nog niet aan toe. Rond 1995, toen ik wat non-fictie heb geschreven, heb ik ook een fictiekinderboek geschreven. Afgemaakt, maar niet doorgezet na twee afwijzingen.
De dag nadat ik 60 geworden was, heb ik rondgebazuind dat ik een roman ging schrijven. Dat schept een verplichting.
Mijn eerste doel was er plezier aan te beleven. Dat is gelukt, alhoewel ik me natuurlijk regelmatig in een doodlopende steeg bevond waar ik toch over de muur moest zien te komen. Maar ook daar kun je plezier aan beleven.
Mijn tweede doel was het boek af te ronden. Ook dat is gelukt. Zo’n project aankondigen en het dan niet tot een goed einde brengen zou ergerlijk zijn geweest.
Mijn derde doel was een uitgever te vinden.
Mijn vierde doel was succes te boeken. Dat is tot nu toe niet gelukt.

Je hebt een eigen uitgeverij opgericht. Hoe dat zo?

Toen ik klaar was met De Arrogantie van het doorgeefluik heb mezelf zes maanden (drie + drie maanden) gegeven om een uitgever te vinden. Ik heb twee keer vijf manuscripten verstuurd. Drie maanden is de gemiddelde wachttijd voordat je antwoord hebt van een uitgeverij. Toen ik na zes maanden van de Bezige Bij een afwijzing kreeg het manuscript van iemand anders, gericht aan de schrijver daarvan, was de maat vol. Ik had nog meer uitgeverijen kunnen benaderen maar op je 64ste heb je niet de luxe om tijd verspillen. Ik besloot het zelf te doen.

Je eerste roman De arrogantie van het doorgeefluik speelt zich o.a. af in de theaterwereld. Daar heb je ook zelf gewerkt. Heb je er autobiografische elementen in verwerkt?

Niet echt. Vanzelfsprekend heb ik wel geput uit mijn ervaring van 850 voorstellingen achter een komiek te hebben gezeten. Ik weet hoe een grap getimed wordt, hoe je dingen opbouwt, hoe een klein theatergezelschap functioneert, trucjes enz.
De straat waarin de hoofdpersoon opgroeit, is de straat waar ik opgegroeid ben. Dat soort autobiografische elementen zitten er wel in, maar dan toch weer vervormd. Alle dingen die de hoofdpersoon overkomen, zijn verzonnen of gebaseerd op wat vrienden en familie overkomen is (en dan weer vervormd/aangepast). Gelukkig maar voor mij.
Het geweldige van het schrijven van dit boek was dat ik gewoon begonnen ben met ‘iets over het theater’ als uitgangspunt. Twee beginnetjes heb ik weggegooid en het derde heeft zich al schrijvende ontwikkeld. Ik had, toen ik begon, geen flauw idee waar ik uit zou komen. Een erg prettige trip! Het schrijven van Van de liefde en de zee is anders verlopen omdat ik wist waarover ik het ging hebben. Een heel andere, maar niet minder prettige trip!

Voor Bimmer Goorhuis lijkt Freek de Jonge model te hebben gestaan. Is dat zo?

Niemand heeft echt model gestaan voor Bimmer. Qua mimiek en controle over de zaal had ik meer Toon Hermans in gedachten, qua politieke stellingname een mix van Freek en Youp en qua doordraven (tegen het einde) heb ik Lenny Bruce voor ogen gehad. Ontegenzeggelijk waar is dat ‘De Komiek’ (en ook ‘De Mars’) indertijd een verpletterende indruk op mij heeft gemaakt (en niet alleen op mij want Freek heeft er eigenhandig het hele ‘theater’ mee veranderd).

Waar haal je nog meer je inspiratie vandaan?

Ik ben absoluut schatplichtig aan Koot & Bie, maar haal inspiratie uit een veelvoud van zaken. Geschiedenis is er een van. Andere romans en non-fictie een andere. Maar ook gebeurtenissen in mijn leven of dat van anderen, een bepaalde manier van spreken op tv of een gezichtsuitdrukking van iemand in de trein kunnen invloed hebben.

Wat lees je zelf graag en zijn er boeken waardoor je beïnvloed bent?

In de jaren zeventig heb ik als bijvak Amerikaanse literatuur gedaan bij Hans Bertens. Inspirerend. In een half jaar tijd kwam de hele twintigste eeuwse Amerikaanse literatuur voorbij: Ernest Hemingway (was ik al een fan van), Saul Bellow, Philip Roth, Harper Lee, Ralph Ellison, Scott Fitzgerald, Malamud, Vonnegut, Heller (onvolledig en niet in chronologische volgorde). Dat heeft een enorme invloed op mij gehad en ik lees nog steeds vaak Engels. Paul Auster vind ik een meester, Manhattan Beach van Jennifer Egan bevat jaloersmakende passages (en meer). The Amazing Adventures of Kavalier & Clay van Michael Chabon vond ik ook briljant en een bewijs dat een roman best langer dan 280 schaars bedrukte pagina’s mag zijn. De Anton Wachter-cyclus van Vestdijk was lang geleden ook een inspiratie, evenals het vroege werk van Hermans. Een ander boek wat indertijd grote indruk heeft gemaakt is Zen and the Art of Motorcycle Maintenance van Robert Persig.

Van de liefde en de zee is gebaseerd op de lotgevallen van de grootvader van je vrouw. Hoe ben je ertoe gekomen om over dat onderwerp een roman te schrijven?

Toen mijn schoonmoeder begin januari 2017 overleed, kwam het verhaal van haar vader weer boven. Hij was eerste machinist bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland en op 10 mei 1940 op zee. Net als al die duizenden andere Nederlandse zeelieden die dat overkwam, werd hij gedwongen als frontsoldaat op de oceanen te dienen. Hij werd drie keer getorpedeerd, overleefde het driemaal, leerde in Engeland een andere vrouw kennen die bij een bombardement om het leven kwam en belandde uiteindelijk, een gebroken man, in Australië. In 1945 is hij nog één keer terugkomen de Amsterdam. Dat was om afscheid te nemen van zijn vrouw en dochter, mijn schoonmoeder. Hij is 1977 in Australië overleden. Dat thema, de gedwongen scheiding van huis en haard en alles wat dat met zich meebrengt, vond ik een prachtig thema voor een roman. Ik heb het idee waar ik al aan begonnen was opzijgezet en ben met Van de liefde en de zee begonnen.

Zijn de personages in de roman geheel fictie of hebben ze ook enige binding met de werkelijkheid en zijn er personen die voor hen model hebben gestaan?

Personages kunnen nooit helemaal fictie zijn, lijkt me, anders zijn ze niet echt. Eigenschappen van bestaande, echte mensen spelen altijd een rol. Maar iemand kiezen die ik ken en dan diegene proberen te beschrijven, doe ik niet. Voor ieder personage heb ik een basis in gedachten, een raamwerkkarakter zou je kunnen zeggen, en daar houd ik aan vast. Al schrijvende komen de karakters ‘vanzelf’ tot leven. Dat wil niet zeggen dat ik er later niet aan schaaf. Soms laat ik A. iets zeggen wat ik bij nader inzien beter bij B. vind passen. Voor Marian, de vrouw die Siemelink in Liverpool ontmoet, heb ik foto’s van pilotes van de ATA bekeken. Van een van hen vond ik dat zij ‘mijn’ Marian was. Voor Tom Werkman, de geleerde vrijbuiter, heb ik Bob Den Doolaard in gedachten gehad, als uitgangspunt.

Bijna alle protagonisten zijn zwart-wit (pro- of anti-Duits) neergezet. Was er gaan plaats voor meer nuance?

Ik ben het niet met je eens dat er wat dat betreft geen nuance in de karakters zit. Koos heeft voor de oorlog NSB-sympathieën gehad, zoals wel meer mensen in die moeilijke crisistijd. Zijn schoonzus, tante Ba, is nogal vergevingsgezind. En er is zelfs sprake van een ‘goede Duitser’, Rittner, weliswaar geen hoofdpersonage, maar toch een soort Calmeyer. Daarbij komt dat ik voor een roman niet zo heel veel kan met die 91% van de bevolking die volgens Lou de Jong gecollaboreerd, noch verzet gepleegd heeft. Zodra de Duitsers ons land bezetten is er ook weinig ruimte meer voor nuance, wordt alles zwart-wit: je bent voor ze of je bent tegen ze.

Wat mij opviel is dat alle mannelijke personen bij hun achternaam en vrouwelijke bij hun voornaam worden genoemd. Is dat bewust of toevallig?

Dat heb ik bewust gedaan. Ik heb zelfs nog een flinke correctieklus gehad omdat ik pas na zo’n 100 bladzijden besloot dat zo te doen. Het was namelijk in grote lijnen de manier waarop mensen elkaar toen aanspraken en dat de personages dat ook doen, draagt bij aan het gevoel van authenticiteit. Bovendien geeft het een sterke lading aan de momenten dat ervan afgeweken wordt. Zoals Werkman, die Meijer ineens met ‘Benjamin’ aanspreekt. Dat krijgt een sterk vaderlijke bijklank.

Je wilt zeker de aandacht op de bemanningen van de koopvaardij in oorlogstijd onder de aandacht brengen, maar behelst je roman ook een boodschap?

Eigenlijk vind ik dat lezers zelf hun boodschappen moeten doen, als ik dat zo mag zeggen, en niet dat ik ga uitleggen welke boodschappen er te halen zijn, maar ik heb eh… benedendeks wel het een en ander verstopt. Een grote lijn is dat dommigheden in het heden zeer ernstige gevolgen voor de toekomst kunnen hebben. Zie het Verdrag van Versailles dat in het boek aan de orde komt. Ik hoop ook dat iedereen inziet wat velen van ons wel weten, namelijk dat het destructief is om bevolkingsgroepen die een bepaalde mate van eigen identiteit handhaven te verketteren.

Wat de koopvaardij betreft: Toen ik aan het boek begon, had ik het thema ‘gedwongen scheiding door oorlog’ als uitgangspunt, niet zozeer de koopvaardij tijdens WO2, maar ik ben al onderzoekende en schrijvende onder de indruk geraakt van deze helden. Want dat zijn het. Die 640 of 830, de bronnen spreken elkaar tegen, schepen met duizenden bemanningsleden hebben een wezenlijke bijdrage geleverd aan het in leven houden van Groot-Brittannië en daarmee aan de bevrijding van West-Europa van het nazisme. En nog steeds is de koopvaardij het ondergeschoven kindje als het om herdenking en waardering gaat.

Wat mij betreft, nu de hamvraag: Komt er, mede gezien het open einde, een vervolg?

Ik heb geen plannen. Het boek waaraan ik begonnen was toen Van de liefde en de zee zich aandiende komt nu eerst. Of wellicht een ander idee waaraan ik ook al wat werk heb verricht. Misschien ga ik wel met alle twee aan de slag. Uiteindelijk ga ik 1 juni met pensioen. Ik blijf nog wel actief als freelance vertaler, een dag of een, twee in de week, maar vergeleken met de vier die ik nu nog werk is dat toch twee à drie dagen extra per week om te schrijven. Dat gezegd hebbende, Van de liefde en de zee is nog maar kort uit, maar de vraag die jij stelt is al een paar keer gesteld. Dat is wel stof tot nadenken.

Wil je een tipje van de sluier oplichten?

Een van mijn meelezers vond dat ik het boek niet zo kon eindigen als het nu eindigt en adviseerde me een epiloog te schrijven. Hij droeg daartoe ook ideeën aan. Dat heb ik gedaan. zes à zeven bladzijden, die speelden in 1969. Ik was over die tekst zelf best wel tevreden. Een andere meelezer viel echter zowat van haar stoel en bezwoer me het open einde te handhaven. En eigenlijk vond ik dat ook. Je moet niet te veel willen uitleggen. Als lezer kun je beter een boek dichtslaan met het verlangen naar meer, dan dat je het boek tien bladzijden te lang vond. Laat staan vierhonderd bladzijden te lang in de vorm van “Son of” Van de liefde en de zee.

Zijn er zaken niet aan de orde geweest die je zelf graag aan de lezer kwijt zou willen?

Refererend aan je vraag over boodschap: We leven in een uniek tijdsgewricht. Volgend jaar mei hebben we vijfenzeventig jaar onafgebroken vrede in ons deel van de wereld, na eeuwen van min of meer permanente staat van oorlog tussen de grote machten in Europa, culminerend in twee desastreuze wereldoorlogen. Beide oorlogen hadden voorkomen kunnen worden, maar verkeerde beslissingen werden genomen. Clemenceau wordt in Van de liefde en de zee door Werkman niet voor iets ten tonele gevoerd als ‘havik’ op dat gebied en J.M. Keynes als de man met de juiste inzichten.
Onze huidige ongekende periode van vrede hebben we te danken aan de Europese samenwerking, de EU. Veel mensen beseffen dat, maar velen ook niet. Ik hoop dat die laatste groep zich realiseert dat we als we de EU opblazen over vijftien, twintig jaar weer oorlog hebben. De eerste oorlogstaal sinds 1945 is al gebezigd. Toen na het Brexit-referendum de Spaanse regering aankondigde weer over Gibraltar te willen praten, zei Michael Howard, voormalig partijleider van de Conservatieven en minister onder Thatcher: “Ik heb gediend onder een vrouwelijk premier die ten strijde trok toen onze soevereiniteit over een deel van ons grondgebied geschonden werd.” Of woorden van gelijke strekking. “het Is toch treurig”, zou wijlen mijn moeder hebben gezegd.

Vragen: Kees de Kievid
Foto auteur: Drukkerij Twente Print

Lees hier de recensie van Van de liefde en de zee

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Succes en sappelen in de middenstand

Categorie: Boek van de week, Familiegeschiedenis, Mens & Maatschappij, Non-fictie

Hoeden en petten en dameskorsetten – Frank Bokern – Van Oorschot – 257 blz. De wortels van Frank Bokern en zijn familie liggen in Westfalen. Beroemde namen als Dreesman, Peek, Cloppenburg, Voss en Kreijmborg stammen…

Boek van de week archief

18-juli-2019 | Lees verder | Reageer!