“Ik heb mezelf gesplitst”

7-maart-2015 | Categorie: Interview

OLYMPUS DIGITAL CAMERA Daan Remmerts de Vries (1962) volgde de opleiding Tekenen en handvaardigheid aan De Witte Lelie in Amsterdam en stond een half jaar lang voor de klas. Hij reisde veel en deed daar verslag van in reisboeken. Hij is iemand met vele talenten: hij maakt muziek, hij tekent, schildert, fotografeert en hij schrijft natuurlijk. Hij debuteerde als kinderboekenschrijver met Zippy en Slos. Zijn prentenboek Mijn tuin, mijn tuin, waar Ted van Lieshout de tekst bij schreef, werd in 1997 bekroond met een Zilveren Griffel en kreeg een Vlag en Wimpel van de Penseeljury. Ook voor Willis (1999) ontving Remmerts de Vries een Vlag en Wimpel. Een gouden griffel voor Voordat jij er was.

Met zijn boek Godje (2002) was het toen echt raak: een Gouden Griffel! De Noordenwindheks werd in 2005 bekroond met een Zilveren Griffel. Voor Bernie King en de magische cirkels kreeg hij een Vlag en Wimpel in 2009. Daan Remmerts de Vries schreef en illustreerde tot nog toe een kleine veertig kinderboeken. In 2003 verscheen zijn eerste roman voor volwassenen, IJspaleis en in 2006 zijn tweede, Zo zal ik bij je zijn, in 2011 de derde Brave nieuwe wereld. Zijn vierde roman voor volwassen De Harpij publiceerde hij onder het pseudoniem A.N.Ryst. Daan Remmerts de Vries woont in Amsterdam.

Las je als kind ook graag en zo ja, wat voor soort boeken las je het liefst?

Als kind las ik veel, het was normaal dat er altijd een stapel boeken klaar lag. Al te realistische kinderboeken konden me niet boeien – ook omdat ik de afbeeldingen op de voorkant meestal lelijk vond. Ik las intussen wel alles van Paul Biegel, van Bomans en van Tonke Dragt. De Kleine Prins heeft werkelijk grote indruk op me gemaakt; omdat er zulke mooie ideeën achter zaten. Wat ik meer voelde toen, dan begreep. Verder las ik al vroeg Tsjechov en Carmiggelt en andere korte verhalen, voornamelijk van Russische schrijvers.

Je hebt drieëntwintig jaar over De Harpij gedaan. Schreef je er iedere dag of week aan, of liet je het ook periodes liggen?

De harpij was er altijd gedurende die 23 jaar. Ik heb het zeker periodes laten liggen, want ik heb in die tijd geschreven (of anderszins gewerkt) aan meer dan 40 andere boeken. De Harpij sluimerde dan, ergens in de diepte. Ik wist in die jaren dat het mooiste nog moest worden uitgegeven, dat dat lag te wachten op vervolmaking. Met ‘het mooiste’ bedoel ik hier: het mooiste dat ik in huis had.

Je hebt in interviews gezegd dat het boek min of meer ‘tot je is gekomen’. Wat bedoel je daarmee?

Ik bedoel daarmee dat ik er, tijdens het schrijven, tijdens het componeren, nauwelijks over heb hoeven nadenken. Dikwijls was ik dus bezig met andere verhalen. En dan, na een dag aan een ander boek te hebben gewerkt, schreef ik weer een paar bladzijden aan De harpij. Volkomen vanzelfsprekend ontrolde zich dat verhaal. Soms haast alsof het werd gedicteerd, en ik alleen maar hoefde te noteren. Ik had veel tijd toen, en rust. Weinig ruis. Stilte… Ik ben, hoe dan ook, absoluut niet bezig geweest met een plot of een of andere dramatische ontknoping. De hoofdpersonen werden goede bekenden; ik was telkens weer benieuwd hoe hun levens verder zouden gaan. Ik had daarmee sterk het gevoel alsof het verhaal van buiten kwam. Niet van binnen, bedoel ik. Je kunt je dan later afvragen of het telkens mijn reactie op de wereld was; op wat ik zo’n dag hoorde of meemaakte. Maar eigenlijk denk ik dat dit verhaal is gegroeid, terwijl ik groeide. En ik heb geluisterd. Misschien is dit, met die rust die ik heb genomen, de meest natuurlijke manier om een boek te schrijven.

Zijn er momenten geweest dat je ermee wilde stoppen?

Nee, nooit. Ik voelde me prettig binnen de omgeving die ik had geschapen; en ging daar dus altijd graag naar terug.

Waarom moest het zo’n dik boek worden? Was het commercieel niet handiger geweest om het in twee delen uit te geven?

De harpij hoefde niets vooropgestelds te worden. Dit klinkt heel stellig, maar dat was ik ook. Eén keer in je leven moet je datgene doen wat je je hebt voorgenomen (en hopelijk opent dat dan een weg die je kunt vervolgen). Ik heb niet aan commercie gedacht en ook niet aan een publiek of een marktsegment of dat soort opgelegde dingen. Het is een dik boek geworden omdat dat precies de lengte was die het verhaal nodig had. Omdat ik, vrij plotseling, klaar was met vertellen (waarna, vanzelfsprekend, het herschrijven begon). Ik ben blij dat Querido het in één keer heeft uitgegeven; opdat men niet een jaar hoeft te wachten met verder lezen. Voor een buitenlandse uitgave zou het wellicht een idee zijn om het te splitsen. Nu het er is, bedoel ik.

Heb je een boodschap met dit boek?

Omdat dit verhaal over de wereld gaat, over het ontstaan van de wereld waarin wij leven, heb ik er ook de nodige boodschappen mee; dat kan niet anders. De voornaamste is misschien dat de wereld verandert door geklungel. Niet direct door grootse plannen of uitvindingen; maar door misstappen. Door zijwegen. Door pogingen iets te doen, waarmee weer iets anders wordt bereikt. In een poging om haar liefde terug te vinden verdwaalt een meisje – de dochter van een slakkenkweker – in het woud. In een poging om die dochter terug te vinden ontdekt de slakkenkweker dat hij eigenlijk hunkert naar een zwervend leven. In zijn pogingen om een collega in het verderf te storten, verandert de Engel Augusto zelf in een heuse demon. Enzovoorts. De Harpij kent dan ook geen werkelijke helden, afgezien van de engel Binuel. En hij is een held, enkel omdat hij een oprecht mededogen bezit. Maar ook hij maakt fouten; hij verliest zijn liefde uit het oog en kan die, op een gegeven moment, niet meer terugvinden. En als mens drinkt hij regelmatig te veel. Maar ook dit alles heeft zijn waarde: hij gaat langzamerhand begrijpen dat mensen compromissen moeten sluiten om zich overeind te kunnen houden. Hij gaat zelfs begrijpen dat mensen liegen en bedriegen, dat ze ook zichzelf vaak voor de gek houden. Dit alles – begrip voor de mierende, ploeterende, weifelende mens – maakt hem het tegendeel van een extremistisch opperwezen.
Er zitten nog meer boodschappen in mijn boek; want ik analyseer (of doe een poging daartoe) het samenleven van mensen. Ik beschrijf in ieder geval wat daaruit kan voortvloeien en hoe, bijvoorbeeld, een nieuwe manier van economisch denken kan ontstaan. Daar zijn boodschappen uit te halen, onder andere de conclusie dat mensen feitelijk niet erg geschikt zijn om in samenscholingen met elkaar te leven. Ergens, tegen het einde, zegt God zelve dan ook: ‘Het individu bevalt ons meestal best, nietwaar? Alleen mensen in groepen zijn vaak zo onuitstaanbaar…’ Daar slaat Hij, wat mij betreft, aardig de spijker mee op de kop.

Wat heeft het schrijven van dit boek voor jou persoonlijk betekend?

Het gevoel dat ik iets kon maken dat verder kon reiken dan mijn eigen ego. Waarmee ik wil zeggen dat ik mijzelf behoorlijk kon vergeten bij het maken… En verder… het verwoorden van een verlangen (wat het vorige weer, enigszins, lijkt tegen te spreken; maar het misschien niet doet); het verlangen naar een ruimte die niet is ingedeeld of bezet door mensen. Het bos is schier oneindig in de landstreek Boon–Tee. Zonder wandelpaden, zonder boswachters of trimmers of pannenkoekhuizen. Er zouden stukken in Nederland moeten komen waar dit nog (of liever: weer!) bestaat. Stukken waar de natuur volkomen zijn (of haar) gang zou moeten kunnen gaan. Stukken, kortom, waar het onverwachte overheerst. Die stukken zijn er in de meeste andere (grotere) landen dikwijls nog wel. In Frankrijk of in Zweden is het nog mogelijk om volkomen te verdwalen. Ik hoop dat het zo blijft. Want het is de leegte (wat we leegte noemen) die zorgt voor verrassing. En feitelijk voor hoop.

In het boek hebben de rol die God, geloof en spiritualiteit in het menselijk bestaan kunnen hebben een belangrijke functie. Ben jij zelf gelovig, of hou je je op een of andere manier met spiritualiteit bezig?

Ik ben een gelegenheidsbidder. Ik val de Heer niet lastig met mijn dagelijkse beslommeringen; ik bid soms als ik het gevoel heb dat sommige moeilijkheden te groot voor me zijn. Dat is geen werkelijk geloof natuurlijk; daarvoor ben ik te weinig dienend. De Schepper en de duivels in het boek zijn metaforen voor machten waar we – wij mensen – aan onderhevig zijn. Waardoor we heen en weer geslingerd worden. Ik ben wel enigszins opgevoed met geloof. Mijn oma was soefist. Mijn vader was doopsgezind. Om maar een paar familieleden te noemen. Er werd wel eens over gepraat vroeger, maar weinig. De bijbel kreeg ik voorgelezen, maar de verhalen werden nooit uitgediept of verklaard. Het werd ons, de kinderen, op een onnadrukkelijke wijze aangereikt. En verder… Ik geloof niet aan helende stenen of in het lezen van chakra’s of dat soort dingen. Maar ik denk wel dat geloof steeds meer verdrongen is door kennis. Wat ik op z’n zachtst gezegd jammer vind. Want kennis is iets anders dan wijsheid, het één leidt zeer zeker niet automatisch tot het andere. Terwijl uit geloof (waar dit niet verzandt in fanatisme), omdat dit feitelijk een geestelijke bouwwerk is, wél wijsheid te putten valt (voor wie dit wil)… Ja, ik denk wel dat het verliezen van een geloof een holheid heeft gecreëerd. Want mensen hebben iets nodig om zich aan vast te klampen… De schrijver Singer is zijn hele leven bezig geweest om bewijzen te verzamelen voor een leven na de dood. Dat begrijp ik. Iedereen hoopt op een vervolg. Ik twijfel. Meer kan ik daar niet over zeggen. Overigens is twijfel iets goeds; het zorgt ervoor dat je de voors en tegens blijft afwegen. Het houdt de vragen open. Het stellen van vragen is iets dat je je hele leven moet blijven doen.

Heb je veel research moeten doen om dit boek te kunnen schrijven?

Wel wat. Maar niet heel veel. Ik moest bepaalde, zeer concrete dingen uitzoeken. Wat voor kleding droeg men duizend jaar geleden? Wat voor planten en dieren leven er in het paradijs? Hoe bouwt men, praktisch zonder middelen, een solide hut in de wildernis? Wat voor planten zijn eetbaar (of verteerbaar) genoeg om het te overleven als men verdwaald is? Wat voor planten werden door de vroegere heksen gebruikt? Wat voor gedachten koesterde de middeleeuwer over de wereld? Dat soort zaken moest ik weten. Niet omdat mijn verhaal direct in de middeleeuwen speelt, wel omdat het anders was dan nu. Omdat ik contrasten wilde neerzetten.

Je koos een pseudoniem omdat je dacht dat je als schrijver van jeugd/kinderboeken anders niet serieus zou worden genomen. Nu het is uitgelekt dat jij het bent, merk je iets van terughoudendheid bij lezers of recensenten of nemen ze je toch wel serieus?

Ik merk dat ik in twee helften uiteengevallen ben. Ik heb mezelf gesplitst. Een van die helften is de schrijver A. N. Ryst geworden. Mooi. Het is prettig om iemand anders te zijn, soms. Ik heb wel het gevoel dat dit serieus wordt genomen. Dat hoop ik tenminste zeer. De lezers van wie ik reacties krijg nemen het duidelijk serieus.

Hoeveel andere boeken heb je in die drieëntwintig jaar geschreven en was het moeilijk om dat te combineren?

Ik heb het er al over gehad in een voorgaande vraag. Tijdens het schrijven viel het me niet moeilijk om het te combineren; omdat ik alle vrijheid heb genomen die ik wilde hebben. Tijdens het laatste herschrijven (waarbij ik wel degelijk diepgaand over sommige beweringen heb nagedacht), zeg zo’n anderhalf jaar voor uitgave, heb ik alleen nog maar fulltime aan De harpij gewerkt.

Hebben zich al buitenlandse uitgevers gemeld?

Het vertalen van De harpij zou, heb ik me laten vertellen, toch wel bijna een jaar in beslag nemen. Een dure aangelegenheid. Het antwoord op deze vraag is dan ook: er wordt aan gewerkt. Veel meer kan ik er op dit moment nog niet over zeggen.

Als je vijf boeken zou mogen noemen die jou hebben geïnspireerd of die om wat voor reden dan ook indruk op je hebben gemaakt, welke zouden dat dan zijn?

Alles van Salinger.
Het meten van de wereld van Daniël Kehlman.
Alles van Nescio.
Dood op krediet van Céline.
De keizervis van Viktor Astafjev.

Hier kun je nog iets zeggen wat je graag kwijt wilt.

Ook Lucifer maakt fouten. ‘Duivels zijn makkelijk te foppen,’ zegt de verteller – de ontslagen duivel Maradique – ergens. En hij heeft gelijk. De grootste fout van Lucifer is voornamelijk dat hij zijn eigen daden niet werkelijk overziet. Door de hel te veranderen in een kermis van materialisme zet hij zichzelf tenslotte buiten spel.
En God dobbelt niet; hij speelt computerspelletjes. Hij heeft zichzelf, kortom, al buiten spel gezet.
Het zijn, wil ik maar zeggen, niet de oppermachten die voor de veranderingen zorgen; het zijn (dikwijls) de schijnbare buitenstaanders. Een dichter, die verdwaalt in het woud. Een gevallen engel. Een klungelend heksje. Zij zijn, in al hun onbeduidendheid, de hoofdrolspelers.
En dat is goed. En het is bovendien grappig. Ik heb dikwijls moeten grinniken om de lotgevallen van mijn personages. Om de strijd tussen Eidooiers en Eierdooiers. Om de dranken die Yaga brouwt en uitprobeert op nietsvermoedende voorbijgangers. Om de capriolen van de bewoners van het stadje Kaluma. En ook om de monologen van Lucifer, die, ergens tegen het einde, plotseling begint over gerechten die hij nog nooit gegeten heeft. Humor dus. Goddank voor humor. Geen gebrek aan diepgang (zoals sommige recensenten menen), maar juist behorend tot het beste wat een schrijver in zich heeft. Relativering! Dat maakt, wat mij betreft, dat De harpij geen ‘zwaar’ boek is, integendeel. Ik zou willen dat humor serieuzer zou worden genomen. De harpij is absoluut een relativerend boek.

Vragen: Tiny Fisscher en Pieter Feller

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Monument voor een tante

Categorie: Biografie & Autobiografie, Boek van de week, Columns & Korte verhalen, Non-fictie

Tante Jo – Sander Donkers – Lebowski – 160 blz. Sander Donkers (1967) is journalist, schrijver en columnist voor de Volkskrant. Hij schreef eerder een biografie over de zanger van The Golden Earring, Barry Hay,…

Boek van de week archief

13-november-2020 | Lees verder | Reageer!