“Vanaf het moment dat ik kon lezen, wilde ik schrijver worden”

17-augustus-2013 | Categorie: Interview

Tanja de JongeTanja de Jonge groeide op in Uden (NB) als derde kind in een gezin met vier kinderen. Ze woonde in een buurt waar altijd veel buiten gespeeld werd. Ze was een veellezer en verzon graag verhalen over haar klasgenoten. Later studeerde ze theatervormgeving aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Maastricht en had ze zes lang haar eigen atelier in Amsterdam, waar ze decors ontwierp voor theatervoorstellingen. Toch knaagde de kinderdroom om schrijfster te worden. Ze pakte het verhalen schrijven weer op en besloot om Nederlandse taal en cultuur te gaan studeren aan de VU in Amsterdam. Terwijl ze studeerde, verwisselde ze haar atelier voor een baan, kreeg ze twee leuke dochters en schreef ze haar eerste boek Dwaalspoor in de diepte. Tegenwoordig woont Tanja met man en dochters in een polderdorpje in Noord-Holland en werkt ze als educatiespecialist bij de Openbare Bibliotheek in Hoorn.

Uit wat voor gezin kom je? Werd er veel gelezen?

Ik kom uit een gezin met vier kinderen. Ik ben de derde. Vooral mijn moeder was een echte lezer. Als ze even tijd over had, zat ze altijd met een boek op de bank. Ook nam ze ons iedere drie weken mee naar de bibliotheek. Of ze me veel heeft voorgelezen toen ik heel klein was, kan ik me niet herinneren. Wel verzon ze zelf verhaaltjes voor het slapengaan. Dat vond ze leuk om te doen.

Wat waren je favoriete schrijvers in je jeugd?

Ik ben opgegroeid in de tijd dat de boeken van Astrid Lindgren heel populair waren. Karlsson van het dak, Pippi Langkous, de gebroeders Leeuwenhart, dat blijven mooie boeken. Ik lees ze nog steeds voor aan mijn eigen kinderen. Ook de verhalen van Roald Dahl, Tonke Dragt en Paul Biegel las ik. Mijn lievelingsschrijfster was Rita Tornqvist. Ik heb geen flauw idee meer waarover zij schreef, maar haar naam zocht ik altijd op in de bieb. Toen ik wat ouder was las ik graag de boeken van Steven King. Spanning en griezelen vond ik toen erg leuk.

Wanneer kwam er bij je op dat je schrijver wilde worden?

Vanaf het moment dat ik kon lezen, wilde ik schrijver worden. Niet alleen voor de verhalen die ik zou verzinnen; ik vond gedrukte boeken ook heel interessant. Het idee dat je iets bedacht dat dan echt gedrukt zou worden. Voor mij als kind had dat iets magisch.
We hadden thuis wel een typemachine, maar die werd vooral door mijn grote zus gebruikt voor haar werkstukken op de middelbare school. Ik mocht daar nauwelijks aan komen. Daardoor was het een begeerd apparaat.
Erg serieus nam ik mijn ambities om schrijver te worden trouwens niet. Toen ik twaalf was, vond ik advocaat een beter beroep voor mezelf. Strafpleiter bij rechtszaken, dat leek me wel stoer.

Hoe komt een boek bij jou tot stand? Heb je vaste schrijftijden?

Ik combineer het schrijven met een baan van twintig uur en een gezin met twee dochters. Er is dus heel veel afleiding. Om rustig te kunnen schrijven heb ik een werkkamer ingericht, waar ik de deur achter me kan dichttrekken. In principe heb ik elke woensdagochtend en vrijdag de hele dag om te schrijven. Het voordeel van die afgebakende tijd en ruimte is dat je met jezelf afspreekt dat het dan en daar moet gebeuren en dat lukt wonderwel. Op de andere dagen van de week neem ik het verhaal gewoon in mijn hoofd mee. Ik bedenk als ik op de fiets zit soms ineens waarom iets anders moet in mijn verhaal.

Hoe ben je op het idee gekomen om een jeugdboek te schrijven met een onderwerp als het roven van de tijd?

Tijdrovers is begonnen als een experiment. Verhalen waarin door de tijd gereisd wordt, fascineerden me al heel lang. Ik wilde graag eens zo’n tijdreisverhaal schrijven.
Allereerst had ik natuurlijk een goede reden nodig voor iemand om terug in de tijd te willen reizen. Ik vond spijt een mooi motief. Iemand die spijt had van iets en daarom de tijd terug wilde draaien, dat is heel herkenbaar en invoelbaar. Vervolgens ben ik gaan fantaseren, heb een synopsis gemaakt en ben gaan schrijven. Dat er in mijn verhaal tijdrovers aan het werk waren, had ik in eerste instantie niet eens in de gaten. Het stond niet in mijn eerste opzet. Die rovers bleken er gaandeweg achter te zitten. Dat overkomt me bij elk boek; dat ik mijn synopsis halverwege moet aanpassen omdat het verhaal zijn eigen wending neemt. Dat is het mooie aan schrijven, dat je jezelf verrast. Dat maakt schrijven ook heel spannend om te doen.

Op welke wijze heb je het apparaatje verzonnen dat Jillus gebruikt om de sprongen te maken? Heb je hiervoor technisch adviseurs in de arm genomen?

In het oorspronkelijke manuscript stond er een ordinaire tijdreismachine, van het soort dat professor Barabas gebruikt bij Suske en Wiske. Maar wel een machine die van draadjes en printplaatjes aan elkaar hing. Spackman heette in de eerste versie nog Dr. Boonstra, hij was een soort verstrooide Einstein-achtige professor, die de boel aan elkaar knutselde en nogal slordig was. Maar een klunzige professor die toch uiterst geraffineerd te werk ging om kinderen te misleiden, klopte eigenlijk niet voor mijn gevoel. Het moest iemand zijn die kinderen zou kunnen overtuigen en verleiden mee te doen. Een jonger iemand, met een grote glimlach in een high-tech universum, zou veel meer indruk maken op een dertienjarige jongen.
Voor het apparaatje heb ik vooral gekeken naar mijn eigen smartphone. Daar heb ik een futuristische variant op verzonnen. Als ik een technicus om advies zou vragen, zou hij waarschijnlijk zeggen dat zoiets helemaal niet mogelijk is. Voor het verhaal is het niet relevant of het mogelijk of waarschijnlijk is dat zo’n apparaat kan functioneren. Als je er, binnen de context van het verhaal, maar in kunt geloven als lezer. Tijdrovers is science-fiction, het is geen verhaal over de werkelijkheid.

Wat is de gedachte achter de muurschildering? Hoe ben je op dit idee gekomen?

Vroeger was ik decorontwerper. Ik heb zelf veel muurschilderingen en grote doeken voor in het theater geschilderd. Ik denk dat het daarvandaan komt. Er is een decor in mijn verhaal geslopen. De geschilderde straat is een afspiegeling van de echte wereld waarin Siem rondloopt. Siem vindt de wereld van Mirage alleen als hij door dat decor stapt. Hij moet er doorheen, zoals Alice in Wonderland door het konijnenhol moet gaan om in haar wonderlijke wereld terecht te komen.

De kinderen moeten blijven slapen om de apparaten op te kunnen laden. Waar/bij wie heb je hiervoor research gedaan?

Voordat ik begon met schrijven heb ik een aantal tijdreis-films bekeken, om me te oriënteren op de bestaande verhalen die er zijn over ‘terug in de tijd’ gaan. (Groundhog day, Back to the future, the source code e.a.) Ik bekeek vooral de manier waarop de filmmakers het geloofwaardig maakten dat hun personages terug in de tijd gingen en hoe ze dat technisch deden. Je verwacht misschien een ingewikkeld technisch verhaal bij dat tijdreizen, maar in die films was het tijdreizen vaak gewoon een gegeven. Bij de techniek werd niet te lang stil gestaan. Alleen bij Back to the future waren ze aan het prutsen met een bliksemschicht die ze dan op het juiste moment moesten vangen en waarvan ze de elektriciteit in een tijdreis-auto moesten zien te krijgen.

Vlak nadat ik Back to the future opnieuw bekeken had, kwam ineens het nieuws uit Geneve dat het onderzoekers gelukt was met een deeltjesversneller neutrino’s sneller te laten bewegen dan het licht. Neutrino’s zijn heel kleine deeltjes, snelheden werden gemeten in nanoseconden. Dat was op alle journaals. Op internet zijn die berichten nog wel te vinden. De theorie van Einstein, dat tijdreizen mogelijk was -mits je sneller kon bewegen dan het licht- was misschien toch mogelijk. Groot nieuws dus. Omdat ik mij aan het voorbereiden was voor mijn tijdreis-verhaal las ik alles wat erover verscheen.

In gedachten zag ik die professor uit Back to the future, die in de weer was met die draad over de weg om de bliksem op te vangen en onwillekeurig dacht ik: die goede man heeft er helemaal niets van begrepen. Tijdreizen gaat niet over zoiets groots en zichtbaars als de bliksem, het gaat niet over grote voltages en veel kracht. Tijdreizen gaat over neutrino’s en nanoseconden. Ik dacht, daar zit misschien wel een ingang tot mijn verhaal. Vervolgens ben ik op internet informatie gaan zoeken over hersenimpulsen. Dat zijn heel zwakke elektrische signalen in de hersenen. De rest is puur fantasie. Ik heb helemaal geen verstand van de techniek, de mogelijkheden en onmogelijkheden van tijdreizen. Ik fantaseer er vooral graag over.

Hoe vaak heb je het verhaal in punten opgeschreven voor het klopte? Het is bijzonder lastige materie om zomaar op te schrijven.

Ik maakte eerst een synopsis, een soort schema om de plot in grote lijnen op te zetten. Daarna begon ik met schrijven. Ik kwam al vrij snel vast te zitten. Meestal schort er dan iets aan de synopsis en moet ik die herschrijven om het juiste pad door mijn verhaal te vinden.
Uiteindelijk kreeg ik de plot op papier, maar toen bleek dat de karakters van Lena en Spackman niet goed klopten met mijn verhaal. Ze waren te onhandig en de tijdreismachine was te krakkemikkig om geloofwaardig te zijn. Ik heb het verhaal toen drastisch herschreven, met de deeltijdversnellers die op smartphones lijken en de spiegelkamer, waarin je spiegelbeeld tot in het oneindige vermenigvuldigd werd.

Gaat er nog een vervolg komen op Tijdrovers? Het einde van het verhaal zou deze suggestie kunnen wekken.

Ik krijg die vraag over al mijn boeken. Dat het einde bij mij altijd een klein beetje open blijft, heeft te maken met mijn eigen verlangen om te fantaseren. Als ik vroeger een mooie film had gezien of een mooi boek had gelezen, dan deed ik niets liever dan er nog dagenlang over nadenken hoe het verhaal nu verder zou kunnen gaan.
Een boek opent een heel nieuwe wereld en als het uit is, vind je het vaak jammer dat het voorbij is. Je had nog wel wat langer in die wereld willen vertoeven. Een eind waarbij ruimte gelaten wordt om zelf verder te fantaseren, helpt je om nog wat langer te blijven hangen in die wereld. Maar dan met je eigen fantasie. Je vraagt je af: Wat als Siem nu de volgende dag nog eens teruggaat naar die dronken buurman? Wat gebeurt er als hij zich ineens toch nog dingen herinnert? Wat als hij Spackman op straat tegenkomt en die man verraadt iets door op een bepaalde manier naar hem te kijken of door iets te zeggen. Daar kun je lekker op door fantaseren. Er zou inderdaad ook een heel leuk vervolg op te schrijven zijn. Maar nee, het zit nog niet in de planning. Ik ben nu weer iets heel anders aan het schrijven.

Heb jij zelf momenten die je op deze manier over zou willen doen?

Haha, nee, voor geen goud. Het lijkt me heel eng om zo te worden ‘afgetapt’.

Wie waren je proeflezers?

Ik heb de eerste versie laten lezen door twee meisjes van twaalf en drie volwassen lezers. Maar daarna is het, zoals hierboven beschreven, nog drastisch herschreven. Ik zoek altijd naar kinderen van de doelgroep om te proeflezen. Wie twaalf of dertien is en het leuk vindt om te lezen en daarna commentaar en advies te geven, mag me een mailtje sturen. Ik heb over een tijdje weer een proeflezer nodig.

Ben je met een nieuw boek bezig? Kun je er iets over vertellen?

Ik ben inmiddels alweer druk aan het schrijven aan een volgend boek. Geen science fiction deze keer, maar wel heel spannend. Twee jongens vinden achter de plint van een kamer een trommeltje met spulletjes van een kind. Ze gaan op zoek naar de oorspronkelijke eigenaar en ontdekken dat de jongen van wie het trommeltje was, al een aantal jaren vermist is. Ze komen op het spoor van de jongen en ontdekken wat er met hem gebeurd is, maar doordat ze hun zoektocht nogal onhandig aanpakken, brengen ze zichzelf in gevaar. Er komt ook een ontvoerde baby in het boek voor. Verder verklap ik nog niets.

Welke boeken hebben grote indruk op je gemaakt?

Bidden wij voor Owen Meany van John Irving, omdat het zo verschrikkelijk knap geschreven is en zo’n prachtig absurd verhaal is. Kaf van Suzanne Glimmerveen, omdat ik er vreselijk om heb moeten lachen en het tegelijkertijd zo tragisch is (en mooi geschreven, zonder opsmuk). The catcher in the rye van J.D. Salinger, omdat het zo’n prachtig voorbeeld is van hoe je door een boek te lezen tot diep in iemands gedachten kan doordringen. Knielen op een bed violen van Jan Siebelink, vooral omdat ik die naargeestige sfeer lange tijd niet meer kwijtraakte na het lezen ervan. Naargeestig, maar ook een indrukwekkend goed boek.
Op dit moment herlees ik de thrillers van Ira Levin. Zijn boeken zijn stuk voor stuk wereldberoemd en verfilmd; The Stepford wifes, Sliver, The boys from Brasil, Rosemary’s baby, A kiss before you die. Bijzonder goed gecomponeerde thrillers zijn het. Voor mij als schrijver is het heel leerzaam om eens te bekijken hoe hij zijn verhalen opgebouwd heeft en hoe hij ze vertelt.

Gebeurt er nog iets bijzonders met Tijdrovers?

Eind september verschijnt er een lesbrief bij het boek Tijdrovers voor de onderbouw van het VO. De lesbrief wordt geschreven door Caroline Wisse-Weldam, docente Nederlands op het St-Gregoriuscollege in Utrecht en schrijfster van diverse lesmethodes o.a. voor Thieme-Meulenhoff. De lesbrief zal te downloaden zijn op: www.allesovertaal.nl.
De website van Tanja de Jonge vind je hier en je kunt haar ook volgen op twitter.

Lees hier de recensie van Tijdrovers door Kirstin Rozema

Vragen: Pieter Feller en Kirstin Rozema

Pin It

1 Reactie

  • Heel mooi interview! Heb het boek ook gelezen en vind dat er heel wat gespreksstof inzit om te bespreken met jongeren. Ik ga het alvast lezen in de klas.

Boek van de Week

Een boek dat je beduusd achterlaat

Categorie: Boek van de week, Young Adult

Nieuwe Maan – Sarah Crossan – Vertaling Sabine Mutsaers – Pepper Books – 386 blz. Als Joe zeven is, verdwijnt zijn achttienjarige broer Ed met de auto van hun tante Karen. Thuis is het een…

Boek van de week archief

30-september-2018 | Lees verder | Reageer!