Zichtbaarheid van vertaler moet groter zijn

30-maart-2013 | Categorie: Interview

Hilde PachHilde Pach (1957) ontsluit al bijna dertig jaar hedendaagse Hebreeuwse literatuur voor de Nederlandse lezers. Ze vertaalde bijna alle boeken van Amos Oz en daarnaast onder meer werk van David Grossman, Yoram Kaniuk, A.B. Yehoshua en Assaf Gavron. Af en toe vertaalt ze ook Jiddisje literatuur. De Hebreeuwse vertalingen zijn in boekvorm verschenen; uit het Jiddisj heeft ze vooral korte verhalen vertaald, die deels in boekvorm zijn verschenen en deels in Grine medine, het literaire tijdschrift over Jiddisje literatuur en cultuur, waarvan ze redacteur en eindredacteur is.

In 2007 ontving ze de vertaalprijs van het Fonds voor de Letteren. Verder schrijft ze recensies en interviews over Hebreeuwse en Jiddisje literatuur en andere boeken met een joods thema. De meeste daarvan zijn verschenen in NRC Handelsblad en eerder ook in het Nieuw Israelietisch Weekblad.Dit jaar hoopt ze haar proefschrift te voltooien over de Nederlandse Jiddisje pers in de zeventiende eeuw, meer concreet over de Koerant, de krant die aan het eind van de zeventiende eeuw (1686-1687) in Amsterdam verscheen en de Jiddisjssprekende Nederlandse joden van nieuws voorzag.

Je bent journaliste en hebt je gespecialiseerd in het vertalen uit het Hebreeuws en uit het Jiddisj. Op welke leeftijd wist je dat je journalist wilde worden?

Ik ben in de eerste plaats literair vertaler en daarnaast freelance journalist. Ook ben ik bezig met een proefschrift, dat ik dit jaar hoop te voltooien. Als kind hield ik al van lezen en van schrijven. Toch was er een periode dat ik achtereenvolgens verpleegster en stewardess wilde worden. Maar toen ik een jaar of twaalf was, kreeg ik voor het eerst het idee dat journalist wel iets voor mij kon zijn. Waarover ik dan zou gaan schrijven, wist ik nog niet precies. Ik was geïnteresseerd in literatuur, maar ook in politiek en de wereld om me heen. In de schoolkrant schreef ik vooral maatschappijkritische stukken, zoals dat gebruikelijk was in de jaren zeventig. Eén keer heb ik een gedicht geschreven, om af te rekenen met mijn vriendje toen hij het net had uitgemaakt.

Waarom heb je gekozen voor Hebreeuws en Jiddisj?

Na mijn gymnasiumopleiding ben ik Nederlands gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Niet zozeer omdat ik journalist wilde worden, maar omdat ik meer van literatuur wilde weten. Uiteindelijk heb ik trouwens historische letterkunde als hoofdvak gekozen, omdat ik erg geïnspireerd was door de ideeën van Herman Pleij. Ik was toen ook al geïnteresseerd in joodse zaken, had Israëlische vrienden en was een keer in Israël geweest, dus toen ik een bijvak moest kiezen, leek Hebreeuws me een logische keuze. Ik moest daarnaast nog een tweede bijvak kiezen, en toen bleek dat je bij de vakgroep Hebreeuws ook Jiddisj kon studeren, heb ik dat maar meteen als tweede bijvak gekozen. Ik vind het allebei boeiende talen. Het Hebreeuws omdat het duizenden jaren lang vrijwel uitsluitend als geschreven taal voor religieuze doeleinden heeft bestaan, maar nu geëvolueerd is tot een springlevende taal. Ik vind het ook een mooie taal, omdat hij een logische, bijna mathematische structuur heeft. Al denk ik dat dat wel zal veranderen naarmate hij langer als spreektaal gebruikt zal worden. Een levende taal krijgt zijn eigen dynamiek. Jiddisj vind ik boeiend omdat het zich van dagelijkse omgangstaal heeft ontwikkeld tot een volwaardige literaire taal. Een beetje het omgekeerde van de ontwikkeling van het Hebreeuws dus. Tegenwoordig wordt er niet veel meer in het Jiddisj geschreven en gesproken, en het heeft een wat oubollig imago, maar in de negentiende en twintigste eeuw zijn er heel mooie en voor die tijd ook moderne en gewaagde boeken in geschreven. En in de zeventiende eeuw verscheen er in Amsterdam al een krant met wereldnieuws in het Jiddisj, voor de joodse gemeenschap hier, die nog geen Nederlands kon lezen. Daarover gaat mijn proefschrift.

Als je bezig bent met het vertalen van een boek, schrijf je dan tussendoor ook journalistieke stukken of concentreer je je helemaal op een vertaling?

Ik doe eigenlijk altijd heel veel dingen tegelijkertijd. Te veel soms, vandaar dat ik nu al zo lang met mijn proefschrift bezig ben. Het prettige van vertalen vind ik dat je er een tijdje aan kunt werken en dan weer even iets anders kunt doen. Terwijl je de was in de machine doet, of een rondje hardloopt, valt je dan soms plotseling de oplossing in voor iets waar je eerder niet uitkwam. Mijn journalistieke werk bestaat vaak uit het schrijven van recensies en soms interviews voor de boekenbijlage van NRC Handelsblad. Het lezen van de boeken gaat tussen de bedrijven door en voor het schrijven zet ik mijn vertaalwerk even opzij.

Vind je dat de zichtbaarheid van vertalers groter moet zijn dan zij nu is en waarom?

Ja, dat vind ik zeker. Maar het vertalersberoep draagt een paradox in zich. Mijn collega Rien Verhoef, die onlangs in Leiden een eredoctoraat in ontvangst mocht nemen, gebruikte in zijn dankwoord een heel mooi citaat van weer een andere collega, Aai Prins: ‘Vertalers bevinden zich doorgaans in de kruipruimte van de literatuur. Dat de kamer met zoveel smaak is ingericht, is ook hún verdienste, maar de lezer mag daar niets van merken. De schrijver dient rechtstreeks tot ons te spreken, met behulp van een onzichtbare tolk. Wie de tolk toch ziet, leest een slechte vertaling.’ Niet elke vertaler is het daar overigens mee eens, maar ik kan me er helemaal in vinden. Een goede vertaler is eigenlijk een onzichtbare vertaler. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat de buitenwereld niet mag weten wie een boek heeft vertaald. Het lijkt soms wel alsof mensen zich niet realiseren dat het boek van een buitenlandse schrijver niet vanzelf in het Nederlands verschijnt. Dat er iemand is geweest die bij elk woord heeft nagedacht hoe dat in het Nederlands moest worden weergegeven.

Wat kunnen vertalers en uitgevers doen om de zichtbaarheid te vergroten?

Vertalers werken de laatste jaren in georganiseerd verband hard aan hun zichtbaarheid, daarbij gesteund door de Vereniging van Letterkundigen (VvL) en het Letterenfonds. Sinds een paar jaar gaan vertalers op tournee onder de naam Vertalersgeluk, je hebt de Vertaalslag, een jaarlijkse bijeenkomst waar tevens de Vertaalengel en de Vertaalduivel worden uitgereikt, en de Vertaaldagen, één dag symposium – het afgelopen jaar gewijd aan de zichtbaarheid van de vertaler – en één dag vertaalateliers. En dan heb je nog de uitreiking van de Nijhoffprijs van het Prins Bernhard Cultuurfonds, waaraan tegenwoordig ook een vertaalwedstrijd wordt gekoppeld. Je merkt wel dat vertalen voor meer mensen gaat leven, al zijn er nog altijd heel wat kranten, radio- en televisieprogramma’s en websites die vergeten in hun bespreking de vertaler te noemen. De werkgroep Vertalers van de VvL schrijft dan altijd een beleefd briefje om die omissie te herstellen. Vaak wordt daar gehoor aan gegeven, maar soms krijgen ze te horen dat vermelding van de vertaler niet relevant geacht wordt.
Steeds meer vertalers hebben inmiddels de sociale media ontdekt en kunnen op die manier reclame voor hun vertaling maken. Ik doe dat zelf ook. En het grappige is dat mijn uitgeverij, De Bezige Bij, op haar eigen website vervolgens weer naar mijn website verwijst.
Uitgevers kunnen er om te beginnen voor zorgen dat de naam van de vertaler duidelijk op het titelblad staat. Dat lijkt een vanzelfsprekendheid, maar er zijn uitgevers die dat niet nodig vinden. Sommige vertalers willen zelfs met hun naam op het omslag staan, maar dat hoeft van mij nu ook weer niet direct. Wel vind ik dat de naam van de vertaler op de website en in het persbericht van de uitgeverij genoemd moet worden; dat is belangrijk, want veel media nemen die gegevens letterlijk over in hun publicaties.. En als een uitgever – zoals mij onlangs overkwam – in een paginagrote advertentie een lovend citaat over de vertaling plaatst, zou het aardig zijn als er dan bij vermeld wordt wie die geweldige vertaling gemaakt heeft.

Wat is je werkwijze bij het vertalen van een boek?

Eerst lees ik het hele boek, en dan begin ik gewoon op pagina 1 met vertalen. Soms werk ik per hoofdstuk, maar meestal vertaal ik het hele boek achter elkaar door. Ik werk vrij intuïtief, ik vertaal wat ik denk dat er moet staan en ik zoek de woorden en begrippen op die ik niet ken, maar als ik niet meteen tevreden ben of ik kom niet op het goede woord, dan denk ik er niet te lang over na en ga ik gewoon verder. Als ik de eerste versie af heb, vergelijk ik die met het origineel, vooral om te zien of ik geen dingen over het hoofd heb gezien of verkeerd heb begrepen. Dan lees ik de tekst nogmaals en dan let ik echt op de stijl en maak keuzes tussen verschillende mogelijkheden. Een vertaling mag er niet uitzien als een vertaling, maar ik probeer toch altijd dicht bij de tekst te blijven. Je hoort vaak dat dat niet mogelijk is, maar dat valt in de praktijk best mee. Toen ik begon met vertalen, al bijna dertig jaar geleden, moest ik ook nog van alles opzoeken in encyclopedieën en in de bibliotheek, of een brief naar Artis sturen over zeldzame vissen, terwijl je dat tegenwoordig allemaal op je eigen computer op internet kunt vinden. Dat maakt het een stuk makkelijker, maar het maakt het vertalen toch iets minder avontuurlijk. Uiteindelijk lees ik alles nog één keer door; dat gaat meestal wel per hoofdstuk, en dat laat ik dan aan mijn man lezen. Die kent geen Hebreeuws, maar hij leest wel heel kritisch, dus als hij iets niet snapt of raar vindt, weet ik dat er nog iets niet deugt. Zijn opmerkingen verwerk ik, en dan gaat het naar de uitgever.

Heb je tijdens het vertalen contact met een schrijver? Zo ja, hoe verloopt dat?

Meestal pas op het laatste moment. Ik probeer eerst alle problemen zelf op te lossen en als er dan nog dingen zijn die ik niet begrijp of waarvan ik denk dat ze niet kloppen, neem ik contact op met de auteur. Met Amos Oz communiceer ik per fax. Ik geloof dat hij inmiddels wel e-mail heeft, maar hij gebruikt nog steeds het liefst de fax. Ik vraag nooit dingen als: wat heb je met dit boek bedoeld? Het gaat meestal om feitelijke zaken, zoals bij zijn laatste boek Onder vrienden: waren er in de jaren vijftig in de kibboets al plastic zakjes en transistorradio’s? Amos Oz meende van wel, ik denk eerlijk gezegd van niet, maar het is zijn boek, dus als hij het wil handhaven, dan doe ik dat.

Wat doe je als je even vastloopt in een vertaling?

Zoals ik eerder al zei, die laat ik dan even rusten en dan denk ik er later nog eens over na. Als het dan nog niet lukt, probeer ik me voor te stellen hoe je de boodschap die uit de alinea spreekt, in het Nederlands zou weergeven, dus zonder naar de letterlijke tekst te kijken, en dan kom ik er vaak wel uit.

Er zijn betrekkelijk weinig schrijvers die in het Hebreeuws schrijven. Je vertaalt vaak dezelfde schrijvers. Maakt dat het vertalen gemakkelijker?

Er zijn best veel schrijvers die in het Hebreeuws schrijven, maar ze worden lang niet allemaal vertaald natuurlijk. Ik heb ook verschillende schrijvers vertaald, maar van Amos Oz heb ik bijna alles vertaald. Die beschouw ik wel echt als ‘mijn’ schrijver. Zijn eerste boek vertaalde ik bijna dertig jaar geleden, dus ik heb zo langzamerhand het gevoel dat ik hem door en door ken. En ik zie ook hoe zijn stijl zich heeft ontwikkeld in die periode. Hij heeft altijd veel aandacht besteed aan zijn taalgebruik, maar in het begin leek het wel eens alsof hij verliefd was op zijn eigen formuleringen. Dat is nu minder. Hij schrijft nog steeds verzorgd, maar wel iets eenvoudiger, en dat komt zijn werk ten goede, vind ik. Maar dat bekendheid met een schrijver het vertalen gemakkelijker maakt, kan ik ook weer niet zeggen. Enerzijds wel, omdat je de taal (zowel Hebreeuws als Nederlands) steeds beter leert kennen, maar je raakt ook steeds meer doordrongen van de nuances, wat het juist weer moeilijker maakt.

Ik las dat je niet Joods bent en ook niet gelovig. Je stoort je dus niet aan boeken die steeds aan die thema’s raken?

Ik vind het een vreemd idee dat je je zou storen aan boeken die gaan over dingen die niet direct op jezelf betrekking hebben. Ik was als kind al geboeid door joodse zaken, en hoe dat precies komt, weet ik niet. Omdat ik wel een joodse achternaam heb (van mijn man) zijn mensen die mij in het echt ontmoeten vaak verbaasd een blonde, blauwogige mevrouw voor zich te zien. ‘Ik had me u heel anders voorgesteld’, zeggen ze dan besmuikt. Maar ik wind me daar niet meer over op en ik ga me er ook niet meer voor verontschuldigen. Het is zoals het is. Ik ben inderdaad niet gelovig, maar dat zijn de meeste moderne Israëlische schrijvers ook niet. Het ‘intellectuele’ jodendom dat mij aanspreekt, is wel degelijk gevormd en gevoed door de eeuwenlange discussies over de interpretaties van Tora en Talmoed. En dat fascineert me.

Op je website vertel je waarom je het belangrijk vond om Goede mensen te vertalen. Het kernthema is dat mensen worden meegezogen in de maalstroom van de geschiedenis. Je zegt over hen: “maar zich gewoon meer bekommerden om hun eigen toekomst dan om het lot van hun joodse of dissidente medeburgers” en even verder “Een dergelijke onverschilligheid voor het lot van ‘de ander’ is zo algemeen menselijk”. Velen hadden toch geen keuze? Het is toch niet alleen maar onverschilligheid? Vaak ook onbekendheid met dat lot en ook het onvermogen om er iets aan te doen?

Ik heb die uitspraak niet gedaan om mensen aan te klagen. Veel mensen hebben de neiging om de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog als een op zichzelf staand fenomeen te zien. Nir Baram laat zien dat het een algemeen menselijk fenomeen is. Dat sprak mij zo aan in zijn boek. Mijn theorie is dat bijna alle mensen zich meer bekommeren om zichzelf en hun onmiddellijke naasten dan om mensen die verder van hen af staan. Dat kun je misschien wel een natuurwet noemen. Dat wil helemaal niet zeggen dat je niet probeert anderen te helpen, alleen: als er keuzes moeten worden gemaakt, dan is, heel simpel gezegd, het hemd nader dan de rok. Mensen vonden het heus niet leuk als hun joodse buren werden weggehaald. Maar als je protesteerde, liep je zelf gevaar. En het leven in de oorlog was al moeilijk genoeg. Het was daarom maar beter om je er een beetje voor af te sluiten. Als de joodse psychiater van Thomas Heiselberg hem vraagt haar te helpen het land te ontvluchten, doet hij zijn best voor haar, maar niet tot elke prijs. En juist doordat mensen zo in elkaar zitten, kunnen echte slechteriken hun gang gaan. Zo is het altijd gegaan en zo zal het misschien altijd blijven gaan. Het is goed om je dat te realiseren en Goede mensen kan daarbij helpen.

Je zegt dat de grote doorbraak van Goede mensen o.a. kwam door de lyrische recensie van van Michel Krielaars in de NRC. Overschat je nu niet de invloed van één recensie? Talloze boeken worden bestsellers zonder een enkele recensie of zelfs met alleen maar slechte recensies.

Goede mensen was een boek van een hier nog volstrekt onbekende schrijver. Het lag al een maand in de boekhandel en de verkopen waren niet spectaculair. Toen kwam de recensie in de NRC en moest er meteen een tweede druk komen. Kort daarna trad Nir Baram op in Den Haag en in Amsterdam, er kwamen nog meer recensies en interviews en hij kwam zelfs op de televisie in Nieuwsuur (over Israëlische acties in Gaza).Dat stimuleerde de verkoop nog meer, maar ik denk wel dat de recensie van Michel Krielaars als katalysator heeft gewerkt.

Welke door jou vertaalde boeken raad je aan de lezers absoluut aan?

Amos Oz, De derde toestand, Meulenhoff, Amsterdam 1993 (heruitgave De Bezige Bij 2006, ook opgenomen in: Jeruzalem trilogie, De Bezige Bij 2009). Roman over een morsige maar hartroerende intellectueel die in een regenachtige februariweek in 1989 wandelend door Jeruzalem overdenkt hoe de wereld in elkaar zou moeten zitten, terwijl hij zijn persoonlijk leven maar moeilijk op orde krijgt.
Jaël Hedaja, De beschikbare man was verlegen, Meulenhoff, Amsterdam 1999. Drie sobere, beeldend vertelde verhalen over het zo moeilijk te vervullen verlangen naar de liefde tussen man en vrouw (en een hondje).
Amos Oz, Een verhaal van liefde en duisternis, De Bezige Bij, Amsterdam 2005. Onvermijdelijk: de briljante roman – het woord autobiografie wil de auteur zelf niet gebruiken – waarin Amos Oz het leven beschrijft van zijn familie in Oost-Europa en hun motieven om naar Palestina te emigreren – of om dat niet te doen. En daaraan gekoppeld de jaren van het Britse mandaat en de eerste jaren van Israëls bestaan. Ook aan de relatie tussen joden en Arabieren in die dagen besteedt Oz veel aandacht.

Wil je hier je favoriete boeken buiten jouw vertaalgebied noemen?

Theo Thijssen, Kees de jongen
J.J. Voskuil, Het bureau
Hella Haasse, Het woud der verwachting
Ian McEwan, Saturday
A.S. Byatt, Possession

Hier is nog ruimte om iets te zeggen dat je aan de lezers wilt meegeven.

Ik schrijf ook over hardlopen, in Moving People, tijdschrift over fietsen, hardlopen en wandelen. En wil je nóg meer over me weten, kijk dan op mijn website!

Vragen: Pieter Feller

Pin It

1 Reactie

  • Wat een bezige bij ! Heerlijk om zo bezig te kunnen zijn. En het standpunt: ‘een goede vertaler is eigenlijk een onzichtbare vertaler’ lijkt me een vereiste voor boeken van een auteur die zijn/haar eigen stempel wil kunnen blijven drukken. Heel knap als je kunt vertalen en toch iemand anders’ identiteit kunt bewaren. Petje af !

Boek van de Week

Zeemeerminnen in het achttiende-eeuwse London

Categorie: Boek van de week, Historische roman, Literatuur, Roman

De meermin en de courtisane – Imogen Hermes Gowan – vertaling: Carla Hazewindus en Anne Jongeling – Atlas Contact – 575 blz. Bij de eerste blik op de omslagillustratie, moest ik meteen denken aan het…

Boek van de week archief

9-februari-2019 | Lees verder | Reageer!