Alle kunst is autobiografisch

3-februari-2019 | Categorie: Interview

Zoals zo vaak komt er iets moois uit een onverwachte hoek. In de Knipscheer kondigt een verhalenbundel aan van Dieuwke van Turenhout. Nooit van gehoord, je kunt ook niet alle literaire tijdschriften lezen. Toch, op een of andere manier, sprak de titel, Olifanten warm houden, mij aan. Lezen maar. Conclusie: aan vakmanschap ontbreekt het haar niet, ook niet aan het vermogen te verrassen. De lezer heeft nadien genoeg stof tot nadenken. Dus nieuwsgierig als ik ben, een interview aangevraagd, dat snel werd ingewilligd.

Dieuwke van Turenhout is net teruggekeerd naar Nederland, nadat zij bijna een decennium in het buitenland woonde. Voordat ze haar leven wijdde aan fictie, schreef ze columns voor het Financieel Dagblad en voor Intermediair. Ze heeft een MA van de Universiteit van Tilburg, is alumnae van de Antwerp Writers Academy en was writer in residence bij Hypatia-in-the-woods.

Korte verhalen verschenen in tal van nationale en internationale literaire tijdschriften, o.a. Revisor, Extaze, Gierik & NVT, Asymptote Journal and The Optimist. Dieuwke is gastvrouw van de podcast Not just Hemingway, die podium geeft aan korte verhalen van over de hele wereld. Haar debuutverhalenbundel Olifanten warm houden bij uitgeverij In de Knipscheer, werd in december 2018 gepubliceerd. Ze werkt momenteel aan haar eerste roman.

Voordat Olifanten warm houden uitkwam, heb je verhalen in (literaire) tijdschriften gepubliceerd. Hoe ben je ertoe gekomen verhalen te schrijven?

Ingrid Verhelst, als auteur verbonden aan de schrijversacademie in Antwerpen, vond mijn korte verhalen vele malen beter dan het manuscript waar ik al een jaar onder haar hoede mee worstelde. Ik reed over de E19 naar huis, en van boosheid en geschoktheid bleef niets over. Vóór de ring van Brussel voelde ik me licht als een veertje, bevrijd. Thuis keek ik op mijn USB-stick en tot mijn verbazing had ik jaren enkel korte verhalen geschreven, zonder er bij stil te staan. Ik had tot dan toe ook nooit korte verhalen gelezen, gek genoeg.

Wat was je aanpak om die verhalen gepubliceerd te krijgen?

Gillian Cross vertelde me tijdens een schrijfcursus hoe zij als aspirant auteur te werk was gegaan: een manuscript insturen, in de tijd dat ze moest wachten aan een nieuw manuscript beginnen, en dat opsturen zodra de afwijzing binnenkwam.
Toen ik in België woonde, en aan de Antwerpse Schrijversacademie zat, kreeg ik oog voor de zogeheten bio’s, zowel in boeken als in literaire bladen. Wie publiceerde wat waar? De Schrijversacademie moedigde het inzenden van werk ook erg aan. Een goede vuistregel is, dat je werk instuurt naar bladen die je zelf graag leest.
Ik had een lijstje van literaire magazines die ik graag las, en volgde het voorbeeld van Gillian Cross: zodra ik (per mail) een afwijzing binnen kreeg, beantwoordde ik die mail met het sturen van een ander kort verhaal. Niet dat dat op enige wijze een garantie voor succes is (geweest), maar het zorgde er zeker voor dat de redacteuren me “kenden” en ik van sommigen ook direct geen standaard-afwijzing meer kreeg, maar een gepersonaliseerde: met wat feedback, een vergelijking met wat ik eerder in stuurde, zoiets. Na vier verhalen bij het Vlaamse Gierik & NVT (sinds februari 2018 G.) was het raak.

Welke weg heb je bewandeld om de verhalen in een bundel gepubliceerd te krijgen?

Ik zou bijna zeggen: alle wegen, behalve self-publishing. De eerste pogingen waren slecht doordacht en mijn werk was toen ook nog niet goed genoeg. Later ben ik via redacteuren van literaire bladen voorgesteld aan “hun” uitgever, o.a. De Bezige Bij, ook ben ik door auteurs bij hun uitgever onder de aandacht gebracht, zoals bij De Geus en Cossee. De reacties waren positief, maar altijd was het “Korte verhalen zijn commercieel te risicovol”. Heel frustrerend. Cor Gout van Extaze vroeg me óók of ik al een uitgever had, en legde mijn werk voor aan In de Knipscheer, de uitgever gelieerd aan Extaze. In de Knipscheer durfde het wel aan om me te laten debuteren met korte verhalen.

Je hebt een tijd in India gewoond. Heeft die periode je beïnvloed wat betreft het schrijven?

Ik heb in Delhi, in Brussel en in Manila gewoond, en ja, dat heeft het zeker. Alle levenservaringen beïnvloeden je werk, dat is onvermijdelijk. Ik vermoed dat het niet de geur, kleur en herrie is geweest van India, maar veel meer de blootstelling aan een zeer oude, ontwikkelde cultuur, en de ervaring ergens als buitenstaander helemaal opnieuw te beginnen, je bij alles te realiseren dat je anders bent, en de meest doodnormale dingen ook anders kunnen. Heel verrijkend. Dat geldt overigens ook voor België en de Filippijnen: je moet jezelf telkens aanpassen aan nieuwe ongeschreven regels.
Wat zeker voor India gold/geldt: India is zo’n culturele grootmacht. Bollywood is een fenomeen, films uit andere werelddelen werden mondjesmaat vertoond in de grotere bioscopen en er bestaat een volledige eigen literaire traditie. Penguin India publiceert bijvoorbeeld fantastische boeken, van Indiase auteurs, maar ook van auteurs uit Bangladesh en Pakistan, die niet buiten het continent uitgebracht worden, waarschijnlijk niet eens buiten India! Heel verfrissend om ander werk te lezen.

Heb je (een) favoriete Nederlandse of buitenlandse auteur(s)? Zo ja welke en in hoeverre ben je erdoor beïnvloed?

In India ben ik in aanraking gekomen met het werk van Amitav Ghosh, in korte periode heb ik toen veel van zijn werk gelezen, rondom de geboorte van onze jongste las ik eigenlijk voor het eerst Hemingway, en ook hem las ik een periode alleen maar (ik noem dat mijn “Hemingway-High” en vrienden zullen direct weten wanneer dat was) maar ik heb niet echt een favoriete auteur, wel zijn er boeken die ik lees en herlees. Oorlog & Vrede bijvoorbeeld, van Tolstoj, de verhalen van Amy Hempel.
Om in mijn genre korte verhalen te blijven: Ik ben zeer onder de indruk van Jumpha Lahiri, haar debuut Interpreter of Maladies kan ik iedereen aanbevelen. Lesley Nneka Arimah’s What it means when a man falls from the sky en In the Country van de Filippijnse Mia Alvar.
An Unrestored Woman van Shobha Rao (verhalend over de afscheiding van India en Pakistan in 1947) blijft me altijd bij, net als Arrival of the Snake-Woman van de Jamaicaanse Olive Senior. De bundel Er moet iets gebeuren van Maartje Wortel vond ik overigens ook heel goed. Als ook maar één iemand hierdoor ook maar één van de genoemde boeken leest, ben ik een blij mens.
Ik lees helaas vrijwel geen Nederlandse boeken meer, dit komt zeker door de lange periode buiten Nederland wonen. Er zullen vast voldoende mensen het hartelijk met me oneens zijn, en ik hoor graag aanbevelingen die mijn ongelijk bewijzen, maar het leek me dat de Nederlandse literatuur verworden was tot navelstaarderige mannen, in Amsterdam, die niet zo goed weten wat ze met hun leven aan moeten. Of vrouwen met een familieverleden in de oorlog. Dat gezegd hebbende, las ik onlangs Adriaan van Dis, Indische Duinen en dat vond ik erg mooi, en gek genoeg ook erg herkenbaar.

In mijn recensie van Olifanten warm houden spreek ik over een diversiteit van verhalen, niet alleen ‘buitenstaanders’ en ‘extreme situaties’? Kun je enig licht werpen op die diversiteit?

Misschien kan ik hier teruggrijpen naar je eerdere vraag. Het is onvermijdelijk dat een schrijver beïnvloed wordt door wat zij leest, wat zij doet, waar ze woont. Een schrijver observeert. Een nieuwe omgeving is uiteraard een rijke voedingsbodem, zowel extern: wat zie ik hier, wat gebeurt hier, hoe gebeurt het hier, als intern: wat gebeurt er nu met mij, wat voel ik, waarom voel ik dat (nu wel/ nu niet)?
Verder is het heerlijk om een “extreme situatie” voor te stellen en dan te kijken hoe je fictional characters daarop reageren. Zoals in De Vlucht, of Lynne en David – eigenlijk zijn dit beide verhalen die een kikker in warm water weergeven: verandering in een relatie kan zo geleidelijk gaan, dat niemand kan aanwijzen wanneer de situatie extreem is geworden. En Slagroom, natuurlijk, vanwege de extreem dikke man, en hoe afwijkend Lily op hem reageert. Ik ben overigens wel benieuwd welke situaties jij extreem vindt, misschien hebben we het over hele andere verhalen.

Bijzondere zaken tref ik wel meer aan, maar echt of in de buurt van extreem vind ik eigenlijk alleen De duvel en de dood en Een laatste dag. Overigens komen de woorden ‘buitenstaanders’ en ‘extreme situaties’ van de achterflap van je boek.

Dat weet ik, desondanks vinden we hele andere verhalen extreem. Een laatste dag bijvoorbeeld, vond ik niet extreem! Tijdens mijn Writer-in-residency las ik een blad, volgens mij semiwetenschappelijk, dat mijn voorganger had laten liggen. Ergens in een artikel over “de” Trump-stemmer stond een klein zinnetje van een vrouw die als kind in een bijna sektarische christelijke gemeenschap leefde en die effectief een dag afgezonderd had doorgebracht in de overtuiging dat het de dag des oordeels zou zijn. Oftewel: het gebeurt.

Wat het genre van je verhalen betreft, heb ik het over ‘magisch-realisme, surrealisme, gothic, horror, maar ook verhalen die veel dichter bij het dagelijkse leven staan’. Vind je zelf dat er genres te duiden zijn en zo ja, welke?

Zo ben ik er absoluut niet mee bezig geweest. Over horror moest ik zelfs even nadenken. Horror is voor mij Stephen King – een geweldige schrijver die ik niet kan lezen, en wiens films ik niet kan kijken (ik lig er weken wakker van).

Het verhaal Onye mere nwa nebe akwa komt m.i. dicht bij horror. Zo een kind verliezen. Zouden daar geen mensen van kunnen wakker liggen?

O, absoluut! Als er iets is met je kind, of dat nu te verklaren is, of niet, is dat hoe dan ook verschrikkelijk. Een hele nieuwe doos van Pandora gaat open zodra je een kind krijgt en ik vermoed dat elke ouder wel eens wakker ligt met verschrikkelijke scenario’s in zijn hoofd. Ik toch wel althans.

Zijn in je verhalen één of meer personen aanwezig met autobiografische elementen?

“All art is autobiographical, the peark is the oyster’s autobiography.” zei Federico Fellini
Het mooie van literatuur, van verhalen, is dat ze ons in staat stelt ons in te leven in situaties waarin we onszelf niet zo snel zullen bevinden, dat we in het hoofd kunnen kruipen van personages die ver van ons af staan. Dat gezegd hebbende is alles autobiografisch, want ik heb het verzonnen, ik heb gevoeld hoe de fictieve karakters zich voelen.

Het verhaal Lynne en David. Worden inderdaad de kinderen van anderen door deze twee opgevoed? Of zit het anders?

We hadden juist een niet-Nederlands stel ontmoet in Manilla, waarvan de vader zijn ogen niet van de kinderen afhield. Ze mochten niet vallen, geen pijn lijden, geen verdriet hebben, zich niet stoten. Heel extreem in onze Nederlandse ogen. Ik stelde me zo voor hoe dat zou zijn, als je met zo iemand getrouwd bent. Ik vermoedde dat je daar nog best een tijd in mee gaat – dat beschermende is toch iets waar je niet onderuit komt. Bij ons in huis staat de doos pleisters altijd binnen handbereik – kinderen moeten toch kunnen spelen, en zonder vallen geen opstaan.
Ik stelde me voor hoe zij na thuiskomst over ons zou beginnen, over de verschillen. Wij zijn zeg maar de ouders van Lynne en David, en de hoofdpersoon wil zo graag aankaarten hoe het óók kan, hoe zij door andermans kinderen ineens de ogen geopend krijgt en haar over-beschermende man wil vertellen dat ze er helemaal klaar mee is – maar hij luistert niet.

Op een website heb ik het volgende gelezen: “In de Noord-Indiase stad Mathura is er een olifantenreservaat voor vroeger misbruikte dieren. Met kouder dan normale temperaturen onlangs, riskeren de olifanten het bevriezen, dat is waar de vrouwen in de gemeenschap instappen. Ze hebben gigantische truien voor de dieren gehaakt.” Is dat misschien je inspiratie geweest voor de titel en het titelverhaal? Heb je daar een verklaring voor?

Niet zozeer de website waar je aan refereert, maar wel aan het dorp en het initiatief. Ik las erover in de (Indiase) krant geloof ik, of in de Indiase Vogue (die las ik altijd van voor naar achteren, omdat hier veel human interest stukken instonden die mij veel vertelden over culturele normen en waarden en wat er speelde onder de vrouwelijke bevolking, dit ontbrak in dagbladen). Jaren later, ten tijde van mijn Hemingway-High, las ik een brief van Hemingway, waarin hij schrijft “shooting elephants”. Die werkwoordsvorm, present continuous en de gerundium (van een werkwoord afgeleid zelfstandig naamwoord red.) worden in het Engels vaak gebruikt. Aan een bevriende Engelse schrijver probeerde ik dit per chat uit te leggen, hoe dynamisch het klinkt in mijn Nederlandse oren, en ineens dacht ik “Keeping elephants warm”. Dat klonk zo mooi. Ik heb er een verhaal bij moeten verzinnen, en heel lang lukte dat niet, omdat ik opliep tegen het onvermogen om vanuit een Indiaas perspectief over dit initiatief te schrijven. Gelukkig wordt India nog altijd overspoeld door mensen uit het westen die op zoek zijn naar zichzelf, zo kwam ik bij een backpacker. Het zinnetje bleef eenzaam in een notitieboekje staan. Pas later, toen ik als writer-in-residence alleen in een huisje in een gigantisch woud buiten Seattle zat en tijd had om over de meest onwaarschijnlijke dingen na te denken, kwam het juiste perspectief.

Heb je de lezer bewust sommige verhalen als schokkend willen doen ervaren?

Ja, ik realiseerde me dat ik moeite had met het schrijven van een climax. Veel in mijn verhalen gebeurt tussen de regels door, dus eigenlijk in het hoofd van de lezer. Ik heb een poging gedaan daar iets aan te doen, dat is gelukt begrijp ik uit je vraag.

Er blijven na het lezen soms meer vragen over dan er antwoorden zijn gegeven. Is het je bedoeling geweest de lezer als het ware te dwingen verder na te denken, verder te kijken dan hun neus lang is?

Absoluut. En dat is ook juist de schoonheid van een kort verhaal. Een goed kort verhaal is een verhaal waar je nog lang na de laatste zin in je hoofd mee bezig bent. Een roman is meer een treinreis, een kort verhaal een achtbaan waar je nog lang aan terugdenkt.

Ik spreek de hoop uit dat er een (magisch-realistische) roman van jou komt. Staat er misschien al wat in de planning?

Ik speel al een aantal maanden met een idee dat nu ook een geografische plaats heeft gekregen, en een tijd. Ik ben juist begonnen aan het plotten, want ik moet zeggen: ik zie mezelf eerder als een korte verhalen schrijfster en een roman is een hele andere tak van sport.
De centrale vragen die ik mij in het boek stel zijn: what does it take to belong? Wie bepaalt dat? Of het magisch-realistisch wordt? Zover ben ik nog niet. Het zou an sich wel leuk zijn niet, na al dat realisme van het afgelopen decennium.

Vragen: Kees de Kievid
Foto auteur: In de Knipscheer

Lees hier de recensie van Olifanten warm houden

Pin It

Comments are closed.

Boek van de Week

Twee culturen op een kussen

Categorie: Boek van de week, Familiegeschiedenis, Levensverhaal

Moederland. Een vrouwenleven in twee culturen – Inge de Bever – Van Oorschot – 252 blz. Inge de Bever (1958) studeerde klassieke taal- en letterkunde aan de Universiteit van Leiden met Turks als bijvak. Ze…

Boek van de week archief

3-oktober-2019 | Lees verder | Reageer!